11. Het geprofessionaliseerde bestaan

Over de verstoorde verhouding tussen werken en leven

De meeste mensen hebben een vreselijke hekel aan wachten. Bij de kassa, aan de telefoon, in de file. Aan wachten kunnen we geen nuttige betekenis hechten. Het is als de rand van de pizza of als het gat tussen wal en schip: je kunt er niets mee. Dat komt omdat we onszelf een bestaan hebben gecreëerd waarin het gewone leven geprofessionaliseerd wordt. De klok dicteert ons ritme van negen tot vijf. Een pauze is normaal, maar wachten is tijdverspilling. Niet productief.

Het beroep als roeping  

Mensen zijn deels dieren en proberen net als hen in leven te blijven. Maar behalve dat houden zij zich ook bezig met opvoeden, oorlog voeren, godsdienstig zijn en kunst maken. Met al hun bezigheden produceren zij veel meer dan wat ze nodig hebben om te overleven in fysieke zin. Mensen scheppen, behalve voedsel, huizen en kleding, ook cultuur, wetenschap, onderwijs, zorg, diensten en ideeën. En een deel van die bezigheden noemen wij werken. De plek die werken in het leven inneemt, is in de loop van de menselijke geschiedenis sterk veranderd. Werken is een van de ‘rest’ van het leven afgescheiden activiteit geworden, maar wel één die misschien wel de meest centrale positie inneemt in een mensenleven.

Werken geeft zin aan het leven
Volgens Joanne Ciulla in The Working Life (2000) is het fundament voor het huidige arbeidsethos gelegd in de Reformatie; een periode van religieuze hervorming die op de Renaissance volgde. Luther en Calvijn speelden daarin een hoofdrol. Zij beschouwden werk niet alleen als een middel om in leven te blijven, maar vooral ook als een eerbetoon aan God. In het zestiende-eeuwse Europa waren veel boeren werkloos geraakt door onteigening van grond door de adel en door verbeterde landbouwtechnieken. Bovendien was de populatie in die eeuw bijna verdubbeld. Talloze zwervers en vagebonden hielden zich op in en bij de steden. Waren zij ooit nog een min of meer normaal deel van de maatschappij, tijdens de Reformatie werden zij door invloedrijke predikanten afgeschilderd als lui. Werken werd steeds meer gezien als een morele verplichting.

De werkzame beroepsbevolking bestaat uit mensen van 15-64 jaar die betaald werk hebben van twaalf uur of meer per week (definitie CBS).

Hoewel de arbeidsmoraal door de tijd heen steeds sterk is veranderd, is de morele component nooit verdwenen. Wat echter een belangrijke toevoeging is geworden, is dat werk behalve nodig en nuttig, ook nog leuk moet zijn. Wat wij van Kantoren verwachten, is niet alleen dat we er ons brood verdienen. We willen ons er ontplooien, onszelf uitvergroten en ongekende welvaart scheppen. We willen vakanties, vioolles en facelifts. Werken is daarmee definitief een doel op zich geworden. Door werk vormt de mens zijn identiteit, ontplooit hij zijn talenten en neemt hij ‘deel’ aan het maatschappelijke leven. Niet werken is bijna synoniem geworden met je buiten de orde plaatsen. De paradox is daarbij dat velen in romantische dagdromen schijnen te verlangen naar een leven waarbij je niet meer moet werken. Wat je zou doen als je de loterij zou winnen is een bekend gedachtespelletje. Bij nadere beschouwing zouden velen zich dan willen bevrijden van de plicht te werken voor een baas. Vrijheid lijkt daarbij het ideaal te zijn, maar werkloosheid en luieren staan uiteindelijk niet op het verlanglijstje. Werken geeft zin en status aan het leven:  het is de legitimatie van ons bestaan geworden.

Alleen betaald werk telt
Werken is dus een morele plicht, en daarbij denken we met name aan betaald werk. Niet God bepaalt dat je op deze wereld mag zijn, maar je sofi-nummer.
Het heeft jaren van emancipatie gekost om ervoor te zorgen dat vrouwen óók mogen en kunnen werken. De keerzijde hiervan is echter dat het tijdenlang verdacht was als je ‘gewoon huisvrouw’ wilde zijn. Gelukkig wordt daar nu een stuk normaler over gedaan, maar in ons geëconomiseerde denken is het bestaan van een huisvrouw nog steeds moeilijk te definiëren. Betaald werk is de norm.

Leven uitbesteden om te werken

Leven uitbesteden om te werken

Dat ervaart ook de – tegenwoordig weer groeiende – groep ‘werklozen’. Een term die natuurlijk veel verraadt over de verborgen opvattingen in onze cultuur. Want wíe zegt dat iemand die een werkloosheidsuitkering heeft (als dat de definitie is van een werkloze) geen werk doet? Vatten wij werk niet véél te beperkt op? Als iets dat alleen maar ‘professioneel’, erkend, verenigd in beroepsgroepen, beschermd door de wet, bewaakt door de bonden en gediplomeerd kan worden uitgevoerd? Betaalde arbeid is in veel opzichten de enige definitie van een zinvol leven, zo stelt ook Wilhelm Schmid in Levenskunst (2004).

Deze beperkte opvatting van werken geeft organisaties enorm veel status. Zij zijn het immers die tegenwoordig de mogelijkheid creëren een zinvol leven te hebben. En zij kunnen deze macht ook behoorlijk doen gelden, zagen we in het vorige hoofdstuk.
We zouden onszelf een dienst bewijzen wanneer we alle andere scheppende, niet betaalde activiteiten van mensen (weer) als even belangrijk zouden gaan zien als werken. Opvoeden, schoonmaken, verzorgen, nadenken, oogsten, behoeden, verbeteren, ontdekken, ontwikkelen en vooruitduwen. Al deze constructieve bezigheden zijn in mijn ogen legitieme invullingen van het bestaan. In dat opzicht bestaat er eigenlijk niet zoiets als ‘parttime werk’. Schmid stelt dat werk eigenlijk ‘levenswerk’ is: de vormgeving van het leven.

Een gekunsteld bestaan

Toen mensen een achternaam gingen kiezen werd vaak het beroep gekozen. In die tijd was Wim Kok waarschijnlijk geen premier. In die tijd was je beroep en wie je was waarschijnlijk meer vanzelfsprekend één. Jan Visser was nou eenmaal visser en iedereen wist wat een visser doet en wat voor bestaan dat inhield. Ik zie tegenwoordig nog niet zo snel iemand zich Hendrik de Tegelverkoper noemen, of Rob Regisseur.

Ik zie echter een merkwaardige tegenstelling. Tegenwoordig krijgt werken een minder centrale, allesbepalende rol in ons leven. Vrije tijd is inmiddels iets wat als minstens zo nastrevenswaardig wordt beschouwd. Alsof tijd niet altijd van jou was. Anderzijds is werken wel een ‘manier van leven’ geworden. Wat ik bedoel is dat het er veel op lijkt dat we niet alleen professioneel zijn in ons werk, maar bovendien in ons hele leven. Zelfs in onze vrije tijd

Balans werk-privé
Er is veel aandacht voor de vraag hoe we een ‘balans’ kunnen vinden tussen privé en werk. Want werken is weliswaar gedefinieerd als de belangrijkste bezigheid in ons leven, we zien ook dat het wel eens teveel van het goede is. En dat kan mensen ziek maken en doen ‘opbranden’ (hoofdstuk 2).

De balansproblematiek heeft allerlei nieuwe woorden toegevoegd aan onze taal, zoals – om er maar een paar te noemen – arbeidsduurverkorting (in de grimmige jaren tachtig de oplossing voor werkloosheid), parttime werken (bij wet nu officieel een ‘recht’ van de meeste werknemers), zorgverlof (zodat vrouwen én mannen het gezinsleven beter kunnen combineren met werk) en telewerken (niet alléén om files op te lossen).

Hoe nuttig deze oplossingen ook kunnen zijn; ze raken niet aan een meer fundamenteel probleem. Namelijk dat in de beleving van de moderne mens werken en leven twee in principe gescheiden activiteiten zijn geworden. Met hun eigen locaties, gebouwen, tijden en uniformen. De eerder genoemde visser had daar niet zo’n last van. Hij leefde in een vissershut, was getrouwd met een vissersvrouw, at dagelijks verse vis, droeg zijn visserskleren en rook waarschijnlijk de hele dag naar vis. Zo niet voor de Kantoorbewoner. Voor hem zijn werken en leven kunstmatig van elkaar gescheiden (zie hoofdstuk 30). Daarom is voor hem een autorit met een stropdas om, op weg naar een klant ‘werken’. Maar wanneer hij in diezelfde auto, op dezelfde snelweg naar het strand rijdt, dan is hij aan het ‘leven’. Inderdaad: iemand die tijdens het werk niet (meer) leeft, die krijgt natuurlijk een probleem met de werk-privé balans.

Hè hè, eindelijk niksdoen, is de absurdistische verzuchting op het Spaanse strand. Je kunt toch overal besluiten om ‘niks te doen’?

Pauline Terreehorst schetst in Het Boerderijmodel (Wenken voor een postmodern gezin, 1994) het telewerkend gezin als de oplossing voor milieu-, balans- en zorgproblemen. Het huis wordt grondstation, een communicatieknooppunt. Een moderne, zelfvoorzienende informatieboerderij eigenlijk. Maar het risico lijkt me dat hierdoor het hele leven, óók thuis, geprofessionaliseerd wordt. Ik zou liever zoeken naar manieren om werk weer meer als een vanzelfsprekend onderdeel van het leven te zien. Dan hoeft het huis niet als werkstation te worden gezien.

Het leven wordt gemanaged
Er is in de media veel aandacht geweest voor de ‘overagendering’ van ons bestaan. Elke minuut is volgepland en moet een bestemming hebben. Het leven wordt niet meer geleid; het wordt gemanaged. Het gezin is geen bestaansreden meer; het is een project. Kinderen en zorg worden uitbesteed en partners organiseren kwaliteitstijd met elkaar. Zelfs ‘niks doen’ gebeurt onder professionele begeleiding, met je krent in een zandzak in een stiltecentrum. En dit is geen karikatuur; dit is het dagelijks leven van velen. En in dat dagelijks leven zijn er een paar kleine signalen die de absurditeit ervan verraden. Zo kunnen we bijvoorbeeld bepaalde activiteiten géén plaats meer geven: reistijd bijvoorbeeld. Of boodschappen doen. Wachten, opruimen of voor sommige mensen zelfs slapen!! Het zijn de randen van de pizza geworden. Je doet het nog wel, maar je ziet ze als ‘randvoorwaardelijke’ activiteiten. Of erger nog: als tijdverspilling.

Huis als werkstation

Huis als werkstation

Wat deze vervreemdende situatie verder versterkt, is dat de ‘professionalisering’ van het werken zich ook heeft uitgestrekt over de andere domeinen van ons bestaan. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het privé-leven is steeds minder gewoon en zomaar. Genieten doe je niet zomaar; genieten doe je met hulpmiddelen. In een pretpark of met een gamecomputer. Plezier hebben doe je niet spontaan, maar doe je op afspraak. ‘Hè hè, eindelijk niksdoen’, is de verzuchting op het Spaanse strand. Maar is dat niet absurdistisch? Je kunt toch overal en altijd besluiten ‘niks’ te doen (zie hoofdstuk 38)? Ook opvoeden doe je niet zomaar; dat doe je professioneel. En eten doe je niet zomaar: je hebt een ‘voedingspatroon’. Alles is professioneel te begeleiden en te verbeteren, zélfs doodgaan. Ook dát doe je liever niet meer ‘zomaar’.

En leren wordt geïnstitutionaliseerd
Elk dier op deze aardbol heeft het ingebouwde vermogen en de ingebouwde drang om precies dat te leren wat het nodig heeft om te overleven. Een mensenkindje heeft dat vermogen en dat verlangen ook. Maar zodra we het arme schaap naar school sturen worden leven en leren wreed van elkaar gescheiden (zie hoofdstuk 21). Mijn zuster Jacquelien bracht voor de eerste keer haar dochtertje Didi naar school. Didi vond het leuk en was opgewonden. Maar Jacquelien zei: ‘Het is zo zielig dat ze niet beseft dat ze nu voor minimaal twintig jaar in een structuur is terecht gekomen’. Leren is niet meer iets dat natuurlijk gebeurt, dat het leven vanzelf aanbiedt en dat hier en daar geholpen kan worden door contact met oudere, wijzere medemensen. Leren is opleiden geworden en studeren. Leren is sterk geïnstitutionaliseerd, met als effect dat we het leren verleren. We zijn té vaak niet meer in staat om elk uur van de dag de lessen te trekken uit wat het leven ons aan wijsheid te bieden heeft.

Ons hele bestaan is geprofessionaliseerd en geïnstitutionaliseerd. Sluipenderwijs wordt het dagelijkse leven steeds minder gewoon en vanzelfsprekend. En omdat deze ontwikkelingen zich relatief langzaam voltrekken, is het moeilijk ze nog waar te nemen. Het enige dat er bij veel mensen nog gebeurt is dat ze ergens een ‘gevoel’ hebben dat het niet klopt. De beste indicator is daarbij het moment waarop je iets lachwekkend absurd vindt. Bijvoorbeeld wanneer je je realiseert dat je een beoordelingsgesprek met je kind aan het voeren bent of wanneer je met je partner een vergadering zit te plannen.

Mensen worden ongelukkig van hun gekunstelde bestaan. Ze genieten minder van het leven. Ze zien vakantie als een taak en opvoeden wordt iets resultaatgericht. Ze denken dat ‘collega’s’ en ‘klanten’ iets anders zijn dan ‘mensen’. En ze voelen dat ze meer een human do-ing zijn geworden dan een human be-ing.

Kantoor als thuis
Ondertussen doen Kantoren hun best om de indringendheid van hun invloed zo goed mogelijk te verdoezelen. De omgangsvormen worden steeds ‘familiairder’. Kledingvoorschriften zijn officieel afgeschaft (en op dress-down Friday mag je je ‘normaal’ kleden: hoe absurd), maar spelen in de ongrijpbare bedrijfscultuur nog steeds een onmisbare rol. De arbeidsrelatie is ‘ontzakelijkt’. Liever niet meer praten over een werkcontract, maar over een verbinding aangaan. Er is een woord als ‘thuiswerken’ bedacht, wat in feite een onzinnig woord is. Want werken doe je, zoals gezegd, sowieso nooit alleen op Kantoor. We doen alsof werken nét zo leuk is als het echte leven. Ik heb meermalen gezien dat in de ‘corporate values’ woorden staan als ‘passie’ en ‘commitment’. Managers schreeuwen dat medewerkers ‘er honderd procent voor moeten gaan’ alsof dat de normaalste zaak van de wereld is. Bij de commandotroepen kan ik me daar nog iets bij voorstellen, maar in een Kantoor vind ik zoiets op de keper beschouwd nogal bizar. En de praktijk geeft me gelijk. Want veel Kantoorbewoners gaan er allerminst honderd procent voor en dat is maar goed ook.

Organisaties hebben in de verhouding tussen werken en leven een merkwaardige plaats ingenomen. Het zijn wonderlijke bouwsels, waarin mensen niet echt schijnen te ‘leven’, waarin ze zich anders voordoen dan ‘thuis’, waaraan ze tóch een hoop status en legitimatie voor hun bestaan ontlenen en waarin ze 40 uur per week dingen zitten te doen waarvan ze – als je ze diep in het hart kijkt – eigenlijk niet snappen wat voor relatie het nog heeft met het goede, het schone en het ware.

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie