16. De achterkant van klagen

Over mopperen in de verwenmaatschappij en verplicht optimisme

Als ik het verhaal over Kantoorellende vertel dan komt er na enige tijd bij mijn toehoorders steevast de verzuchting dat er ook wel ‘heel makkelijk’ geklaagd wordt. Medewerkers en managers zijn het hier trouwens over eens. Eerst is er de herkenning, maar dan komt de vraag of er eigenlijk wel zoveel reden tot klagen is. Kan het zo zijn dat het mopperen ook de weg van de minste weerstand is? De klaagzang klinkt soms vals en dat maakt lastig om er alsmaar ‘begrip’ voor te hebben.

Strategieën tegen de onvrede

Er zijn verschillende manieren om met onvrede om te gaan (zie hoofdstuk 1) en Klagen is er één van. Er zijn ook mensen die er voor kiezen om níet aan het organisatieleven mee te doen (zie hoofdstuk 30). Maar voor hen die dat wel doen, zijn er twee niet-productieve strategieën: mentale afwezigheid en verongelijkt klagen. Ik ga nog één keer op beide in.

Je hersens bij de poort
Sinds een tijdje is er een nieuwe term ‘in de markt gezet’: mentale afwezigheid. Hans Visser introduceert deze term in 2004 in een interview met Trouw om het gedrag van mensen te typeren die ‘wel op de zaak zijn, maar niet met de zaak bezig’. Volgens hem ontstaat deze houding vooral wanneer mensen zich in omstandigheden bevinden waar ze geen macht over hebben: ze plegen dan ‘stil verzet’, of zoals een inmiddels zelfstandige collega-adviseur zei: ze nemen mentaal ontslag.

Op zich is dit verschijnsel al zo oud als er werknemers bestaan. De term sabotage ontstond in de eerste fabrieken van de Industriële Revolutie. Als het de werknemers niet zinde werd er een klomp (in het Frans ‘sabot’) tussen de tandwielen van de machines gegooid zodat de boel even op adem kon komen. Effectief en minder link dan openlijk staken. Een moderne variant is het zogenaamde pocket veto. Deze term stamt van het recht van de Amerikaanse president om een wetsvoorstel tegen te houden binnen tien dagen nadat het is ingediend. Als hij dat recht niet gebruikt, en dus in zijn zak houdt, wordt het voorstel automatisch wet. Nu gebruiken organisatiekundigen deze term vaak voor de stille macht die medewerkers hebben om ‘ja’ te zeggen maar ‘nee’ te doen. Dat ‘veto’ heb je als moderne werknemer in je zak omdat in moderne organisaties mensen elkaar maar heel zelden aanspreken op het niet nakomen van afspraken. Managers en veranderkundigen worden er wanhopig van omdat de weerstand tegen veranderen ermee ondergronds gaat.

Mentale afwezigheid is mij ooit al eens door operators van een grote raffinaderij beschreven. Zij waren zich er ten volle van bewust dat zij ’s ochtends bij het aanvangen van de dienst ‘hun hersens bij de poort’ lieten liggen. En die managers en adviseurs maar proberen om al deze medewerkers te ‘empoweren’. En daar zit ‘m voor mij precies de angel. Ik heb meer dan eens het gevoel gehad dat veel Kantoorbewoners helemáál niet zo zielig zijn. Dat ze misschien wel gék worden van slechte managers en betweterige adviseurs, maar dat ze écht wel weten dat ze de kantjes er van aflopen, het er een beetje flauw bij laten zitten en dus hun hersens bij de poort laten liggen.

Het is maar goed dat de mens geen staart heeft, anders werd je moe van al dat geklaag dat er geen reden tot kwispelen is (Jan Blokker).

In zekere zin laat de klagende Kantoorbewoner zich infantiliseren en kiest de weg van de minste weerstand. Maar ik zie óók wel dat het Kantoorbewoners soms onmógelijk wordt gemaakt en dat de verleiding ontzettend groot is om het bijltje erbij neer te gooien. ‘Ze zoeken het maar uit’ is soms een volstrekt begrijpelijke en menselijke reactie.Corinne Maier roept in 2004 in haar bestseller Bonjour Paresse (in ons land uitgebracht als: Liever lui) de uitgebuite werknemers op tot luiheid. Een moderne vorm van sabotage en een bewuste vorm van mentaal absenteïsme. Medewerkers moeten nét genoeg doen om het loonstrookje te verdienen.

Verzet bevalt mij wel. Stil verzet niet. Met álle begrip voor de machtsverschillen, de kennisachterstanden en de voor mijn part minder ontwikkelde debatteervaardigheden van de werkvloer kan ik de stiekeme, klagerige lijdzaamheid van veel Kantoorbewoners niet waarderen.

Ziektewinst en aangeleerde afhankelijkheid
De tweede niet-productieve strategie is niet doen alsof je neus bloedt en op halve kracht verder, maar dat is mopperen. Ik ga ervan uit dat klagers aan het klagen éigenlijk geen plezier beleven. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom ze het dan toch doen: machteloosheid, masochisme of ziektewinst.

MachteloosheidIn de sociale psychologie is een bekend begrip ‘geleerde afhankelijkheid’. Een onderzoek met dieren toont aan hoe dat werkt. Honden worden in een kooi gezet waarin ze elektrische schokken krijgen. Wat ze ook doen, niets kan dat voorkomen. Uiteindelijk liggen ze alleen nog stil op de grond te kermen. Daarna worden deze honden in een kooi geplaatst waarin het maken van een eenvoudig sprongetje de elektrische schok kon voorkomen. De honden zijn níet in staat deze truc te leren, in tegenstelling tot ‘verse’ honden. Met mensen werkt het soms net zo. Laat ze lang genoeg ervaren dat hun gedrag geen effect heeft op hun welzijn en ze worden passief en afhankelijk. In de Kantoorlog hebben veel Kantoorbewoners geleerd dat het ‘tóch niets uitmaakt’: hun gedrag is niet merkbaar van invloed op het leven op Kantoor. Je hoort vaak verhalen over wat er allemaal al geprobeerd is en hoe dat tot niets heeft geleid: ‘Ze luisteren toch niet’. Het spreekt voor zich dat je deze klacht veel vaker hoort bij werknemers die al erg lang op Kantoor verblijven. Ze liggen op de grond te kermen. Deze geleerde afhankelijkheid is bijzonder moeilijk te doorbreken. Maar we hebben hier niet te maken met honden, maar met mensen. Hoe treurig hun geschiedenis soms ook is, het heeft geen enkele zin om in het verongelijkte klagen te blijven hangen. Tenzij er nog iets anders in het spel is. Misschien levert het klagen ook iets op.

Masochisme – Niet onvernoemd mag blijven Erich Fromm, die in 1941 zijn Escape from freedom publiceerde. Hij stelde dat de moderne mens zich weliswaar allerlei vrijheden heeft toegeëigend, maar in feite voor deze vrijheid op de vlucht slaa. De overweldigende leegte die het verdwijnen van Kerk en Staat als hoeders der natie achterlaat (zie hoofdstuk 17) verleidt de vereenzaamde mens tot vluchten. Eén van de vluchtstrategieën noemt Fromm het zoeken naar autoriteit. De psychologie onder deze strategie is onder meer het masochisme. De angst voor de vrijheid wordt bezworen met het vernietigen van de eigen persoonlijkheid. Liever zich willoos en ondergeschikt maken dan verantwoordelijkheid te moeten nemen voor de vrijheid. De pijn die dat veroorzaakt is niet het gewenste doel, maar de prijs die wordt betaald. Het klagen en vingerwijzen van Kantoorbewoners zouden we kunnen zien als een vorm van masochisme. Niemand schept er echt genoegen in, maar het ongemak ervan is eenvoudigweg de prijs die wordt betaald voor het niet hoeven kiezen.

ZiektewinstGerelateerd aan het vorige is dit begrip dat uit medische hoek komt. Want hoewel we in eerste instantie ziekte als onwenselijk ervaren, zijn er veel gevallen bekend waarin ziek zijn de patiënt eigenlijk veel oplevert. Aandacht en zorg bijvoorbeeld, of geen verantwoordelijkheid hoeven te dragen. En dit gaat veel verder dan domweg simuleren. We hebben het hier ook over mensen die zichzelf in zo’n briljant verhaal hebben gemanoeuvreerd dat ze zich écht ziek voelen. In de tijden van Freud, begin vorige eeuw kenden we de hysterische vrouwen, die zonder medische oorzaak blind of verlamd werden. Het was hun ontsnappingsroute uit gekmakende burgerlijkheid en vrouwenonderdrukking. Ziekte met winst, het klinkt dwaas maar ook zo logisch. Zielig doen, jezelf zwak maken, het strijdtoneel afhinkelen … het levert ook iets op. En dat is wat misschien zoveel van die Kantoorbewoners eens zouden moeten nagaan. Wat is voor hen de kick van het klagen? Waarom zitten ze al jaren lijdzaam toe te zien hoe om hen heen (!) er zo geblunderd wordt. Is het niet ook een beetje sensatiezucht? En leedvermaak? Is het grote klagen niet ook op een dieper niveau een enorme klacht over zichzelf?

Is er reden tot klagen?

Nederland is een verwenmaatschappij. Alles wordt steeds mooier en luxer. We kunnen het hele jaar door verse aardbeien kopen en we vliegen de hele wereld over om ergens op een warm strand te kunnen liggen. Kantoren waren van binnen nog nooit zo fraai, werktijden nog nooit zo goed geregeld en randvoorwaarden zijn er in overvloed: kinderopvang, scholingsmogelijkheden, vertrouwenspersonen, cafétariabeloning, reiskostenvergoedingen, medezeggenschapsorganen, vrijdagmiddagborrels, stoelmassages, personeelskrantjes, boodschappendiensten, geldautomaten, thuiswerkmogelijkheden, ontwikkelgesprekken, bedrijfsrestaurants, geventileerde rookkamers en acht soorten cappuccino op elke gang. Al deze verworven ‘rechten’ lijken me soms te overvloedig bij de steeds grotere afkeer van ‘plichten’ die ik zie. Bovendien, zo valt in Positive psychology (2004) van Lundin te lezen, zal het wegnemen van onaangename omstandigheden iemand niet persé gelukkig maken. De mooi aangeklede Kantoren kunnen dus blijkbaar niet voorkomen dat mensen er ongelukkig worden.

Decadentie en hedonisme
Twee begrippen die vaak in één adem worden genoemd, en dan meestal in afkeurende zin. Zoals steevast door critici van de jaarlijkse Gay Pride in Amsterdam. Zij noemen telkens weer de feestvierende en verklede vrolijkheid op een botenparade ‘decadent’ en ‘hedonistisch’. Makkelijk gezegd door deze hetero’s die zich al hun hele leven kunnen wentelen in de luxe van ‘gewoon’ en ‘zichtbaar’ zijn.

Decadentie wordt vaak gebruikt om het verval van een samenleving te beschrijven, zoals het Romeinse rijk in de nadagen. Ik moet denken aan het stripalbum van Asterix genaamd De Helvetiërs. Op de eerste pagina’s wordt het decadente en verdorven Zwitserse gewest geschetst, waar de Romeinen zich schransend op orgies tegoed doen aan bizarre gerechten en waar normverval ze brengt tot wrede straffen voor hen die een spelletje verliezen. ‘Met een steen om de nek het meer in’ roept de meute gierend van het lachen. Decadentie was echter een stroming in de kunst en de literatuur aan het eind van de 19e eeuw waarin verheerlijking van het schone werd gezocht, inderdaad, gemêleerd met een zeker cultuurpessimisme. Vooral ingegeven door het besef dat de maakbaarheidsidealen niet altijd opgingen. Wij associëren decadentie meestal met perversie, overvloed en einde-der-tijden. Niet toevallig dat in de jaren negentig ook de Nederlandse beschaving niet zelden decadentie verweten werd.

Hedonisme of optimisme?

Hedonisme of optimisme

De Socialistische Partij hekelt zelfs vierkant het hedonisme in de samenleving. Gemakzuchtig individualisme heeft volgens Jan Marijnissen de collectieve solidariteit verdrongen (Volkskrant van 16 september 2000). Het neoliberalisme van de Paarse kabinetten is daar de hoofdschuldige van. Hedonisme is van oorsprong een filosofische stroming die genieten van het leven als hoogste doel propageert. De Griekse wijsgeer Epicurus beschreef het hedonisme meer als de kunst van het genieten en als hanteren van verlangens dan als het egoïstisch najagen van zoveel mogelijk plezier. Die laatste betekenis heeft het tegenwoordig namelijk en in de enorme welvaart die ons land de laatste decennia ten deel valt noemen cultuurcritici het gedrag van de gemiddelde, verwende burger dan ook afkeurend ‘hedonistisch’.

In de uitwassen van een decadente en hedonistische (lees: egoïstische) samenleving zonder gevoel voor maat en beheersing kan ik me niet verheugen. Maar in de zeurderige Nederlandse cultuur van genieten-moet-je-eerst-verdienen vind ik ook niet veel troost. Gaat het ons een keer behoorlijk goed, worden we weer decadent en hedonistisch bevonden. Laten we eerlijk zijn: boven de rivieren wordt nog stééds meewarig over het Carnaval van beneden de rivieren gedaan. En hoe gemakkelijk verlok je al die tolerante Nederlanders niet tot uitspraken over de ‘luiheid’ van alles wat rond of beneden de Mediterranee woont! De Noord-Nederlandse zuurgraad is onveranderd hoog; welvaart of niet. Je moet hier eerst een bijna-dood ervaring hebben om van elke dag te kunnen genieten. En in die cultuur is klagen tot kunst verheven. Nederlanders klagen veel en graag en de Kantoorlog voorziet ze hiervoor ruimschoots van munitie.

Optimisme is de opdracht
Nederland behoort niet alleen tot de welvarendste landen ter wereld, we scoren in internationale geluksonderzoeken steevast in de hoogste regionen (zie bijvoorbeeld de World Database of Happines van Ruut Veenhoven op het internet).

Het Sociaal Cultureel Rapport 2004 van het CPB weet echter te melden dat Nederlanders tevreden zijn over hun privé-situatie maar erg somber over de ontwikkelingen in de samenleving. Lang niet al dat pessimisme is gebaseerd op feiten; de welvaart zal in ons land nog steeds toenemen, zo is de voorspelling. Maar het vertrouwen in de samenleving is laag en het geweeklaag klinkt luid door in de gangen op Kantoor. Het NIVEL in Utrecht onderzocht dat 23 procent van de Nederlanders een slechte geestelijke gezondheid heeft, meer dan enkele jaren daarvoor. Werkdruk is daarvan een belangrijke oorzaak.

Toch is er geen reden om het bijltje erbij neer te gooien. Yvonne Zonderop schrijft in de Volkskrant van 18 januari 2005: ‘Optimisme is een opdracht’, naar een uitspraak van de wetenschapsfilosoof Karl Popper. Als dat zo zou zijn, dan hebben mensen dus iets te willen en iets te kiezen. En dat klopt volgens mij. De achterkant van de medaille is dat de meeste van die ongelukkige Kantoorbewoners veel meer keuzes hebben dan ze denken. Bijna iedereen heeft de vrijheid het onfortuinlijke Kantoor te verlaten. Of om de leuke dingen belangrijker te maken. In zijn overzichtsartikel ‘Subjective well-being’ (2004) schrijft Ed Diener, één van de bekendste geluksonderzoekers, met nadruk: ‘It appears that the way people perceive the world is much more important to happiness than objective circumstances’. Het zal wel even fors aanpoten zijn, maar er is dus hoop. Kantoorbewoners kúnnen zich bevrijden uit hun psychische gevangenis (zie hoofdstuk 18). De belangrijkste voorwaarde daarbij is dat zij ophouden met vingerwijzen en de hand in eigen boezem durven te steken.

Er is nog een reden voor optimisme. Juist door alle welvaart zijn we misschien in staat om daar een beetje afstand van te nemen. Geld maakt niet gelukkig, dat is lang en breed onderzocht. Mensen zijn op zoek naar meer, en het is de materiële welvaart die ons in staat stelt om deze zoektocht zonder al te veel offers te kunnen doen. We hebben de luxe er iets van te maken!

Er is veel reden tot Klagen op Kantoor, en dat gebeurt dan ook volop. Het verdient alle aandacht om te kijken hoe we dat ongeluk kunnen wegnemen. Maar ik stel ook vast dat het klagen tot kunst is verheven. De oplossing voor de onvrede ligt daarom natuurlijk in de eerste plaats bij de Klagers zelf. En daarnaast is het de morele plicht van beslissers, eigenaren en machthebbers om de organisaties waarmee ze werken ook te gebruiken voor dat waar iedereen uiteindelijk naar op zoek is: geluk.

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie