17. De zekerheidstragedies

Over postmodernisme en de grote verhalen die er nog steeds zijn

In 1789 wordt de Bastille bestormd, waarmee de Franse Revolutie begint. Dit moment wordt vaak ook gezien als de kroon op een nieuwe tijd, de Verlichting. Het moderne leven is begonnen. Twee eeuwen later valt de Berlijnse Muur, in 1989. En er lijkt weer een nieuwe tijd aangebroken, een tweede Verlichting, of moeten we zeggen een ‘new age’. Erg helder is het in deze nieuwe tijd voor veel mensen niet. Van moderne zekerheid naar postmoderne onzekerheid.

Het Cartesiaanse theater

We zijn in een tijd gekomen waarin het moeilijk kiezen is. Normen en waarden staan onder druk, gevestigde sociale structuren brokkelen af en nieuwe ontwikkelingen voltrekken zich sneller dan we kunnen bevatten. Bovendien zijn er de laatste vijftig jaar twee grote zekerheidstragedies te verwerken geweest.

De eerste zekerheidstragedie: God bestaat niet
Er zijn steeds minder mensen die het zelf hebben meegemaakt, maar denk je eens in hoe het geweest moet zijn kort na de Tweede Wereldoorlog. Midden in de puinhopen en de verwarring van de wederopbouw beginnen er grote groepen mensen te vertellen dat het Christendom niet deugt. Aan de andere kant van het inmiddels opgetrokken IJzeren Gordijn zweren de revolutionairen alles wat met God te maken heeft af. En in West Europa laat begin jaren vijftig het existentialisme van zich horen. Sartre brengt de uitspraak van Nietzsche (‘God is Dood’) naar het grote publiek, zet de mens centraal en zegt daar doodleuk bij: ‘We zijn gedoemd tot vrijheid’ en ‘Ontwerp je eigen leven maar’ (zie ook hoofdstuk 32). Dat was even slikken voor mensen die vertrouwden op een sturende hand.

De tweede zekerheidstragedie: alles is betrekkelijk
Gelukkig ging het economisch goed, in Duitsland zelfs ‘wonderbaarlijk’ goed (Wirtschaftswunder) en er ontstond vrolijke jeugdcultuur. Begin jaren zestig breekt het nieuwe positieve élan door met een beweging die we nu kennen als Flower Power en de Hippiegeneratie. Na het gezag van God is nu de beurt aan het gezag van de Ouders en de Staat en alles wat maar ouderwets en burgerlijk is. Seksuele vrijheid gaat hand in hand met vrijheid van gedachten. Uit die tijd stammen ook zeer kritische werken over de invloeden van het Kantoorleven en de macht van organisaties. En in dat vrije denken ontstaat een voedingsbodem voor een nieuwe generatie filosofen die rond de jaren tachtig van zich laat horen (Derrida, Lyotard, Foucault). En zij nemen ons die andere zekerheid af: namelijk de ‘moderne’ opvatting dat wetenschap objectief en kennis waar zou zijn. Daarom worden zij postmodern genoemd

De eerste Verlichting
Van een afstand ziet alles er kleiner uit, en zo is het ook met tijd. Daarom kunnen wij met gemak over een periode van eeuwen praten alsof het één tijdperk was. Het begin van de Verlichting is moeilijk aan te geven. Sommigen zeggen dat deze direct na de Renaissance aanving, begin 17e eeuw, of zelfs al in de Italiaanse Renaissance van de 15e eeuw. Anderen zeggen dat we pas eind 17e eeuw werkelijk over Verlichting mogen praten. De term ‘verlichting’ duidt erop dat de mens ‘ontwaakte’ uit eeuwen van vooral Christelijke denkterreur en middeleeuwse ‘domheid’. Vanaf dat moment is er een lange lijn door te trekken naar wat we nu ‘modern’ denken zouden kunnen noemen. In dat moderne denken is er een belangrijke plaats voor objectieve kennis, wetenschap, vooruitgangsdenken, logica, rationaliteit en een centrale plaats voor de mens als heerser over aarde.

Descartes moet het vaak ontgelden als de uitvinder van een reductionistisch wereldbeeld. de wereld is een machine die in onderdelen uit elkaar te halen is.

Eén van de grondleggers was René Descartes (1596-1650). Hij is beroemd vanwege zijn uitspraak Cogito Ergo Sum: ik denk dus ik besta. Descartes vroeg zich af wat waar en werkelijk was. Hij concludeerde dat het denkvermogen de enige betrouwbare bron was van inzicht over waarheid. In de filosofie wordt dit wel dualisme genoemd: materie en geest zijn van elkaar gescheiden. De mens is een denkend wezen en heeft bewustzijn. Met dit bewustzijn is hij in staat de materiële werkelijkheid afstandelijk te bekijken, er iets van te vinden en er kennis aan te onttrekken. Maar dit bewustzijn is een afspiegeling van de werkelijkheid, dus niet de werkelijkheid zelf. Daarom spreekt men wel eens van een Cartesiaans Theater: een voorstelling óver de werkelijkheid die zich in het bewustzijn afspeelt.

Mechanisch universum

Mechanisch universum

De grote machine
De Verlichting wordt vaak gezien als het begin van de ‘wetenschappelijke methode’. Isaac Newton (1642-1727) bouwt als natuurkundige voort op de ideeën van Descartes. Met zijn beroemde wetten over beweging en zwaartekracht heeft hij de basis gelegd voot de moderne fysica. Inmiddels wordt deze natuurkunde ‘klassiek’ genoemd, vooral door vertegenwoordigers van de kwantumtheorieën. Zo’n dertig jaar geleden ontstond er een stroom publicaties van fysici die de nieuwste opvattingen hierover graag voor het grote publiek toegankelijk wilden maken. Fritjof Capra (The tao of physics, 1975 en The Turning Point, 1982), Gary Zukav (The dancing Wu-Li masters, 1979) en David Bohm (Wholeness and the implicit order, 1980) zijn bekende voorbeelden. Door sommigen makkelijk afgedaan als New Age (dus zweverig), door anderen dankbaar aangegrepen als vertrekpunt voor (inderdaad) nieuwe opvattingen, óók over organisatie en management. Wie deze boeken leest kan zich bijna niet aan de indruk onttrekken dat er als het ware moet worden ‘afgerekend’ met de erfenis van de Verlichting. Descartes moet het daarbij vaak ontgelden als de uitvinder van een reductionistisch wereldbeeld. Daarmee wordt bedoeld dat sinds zijn tijd de wetenschap en de filosofie alleen nog naar de werkelijkheid konden kijken alsof het een Grote Machine was. Het universum als uurwerk. Kennis moet in die opvatting aan de wereld worden ontfutseld (dualisme) door haar in steeds kleinere brokstukjes op te delen. Dus chemici zoeken naar de allerkleinste deeltjes, biologen hakken de natuur aan mootjes en zelfs psychologen kijken naar zoiets ‘heels’ en prachtigs als de mens als een zak vol emoties, motieven en gedragingen.

De tweede Verlichting
Sinds enkele decennia echter lijkt er haast een nieuwe Verlichting te zijn aangebroken. En de zon schijnt ook nu in het Oosten op te komen. In de organisatiekunde is dit de tijd waarin er aandacht komt voor de managementsuccessen uit Japan. Amerikaanse ideeën (van Deming en Juran) over kwaliteit blijken daar bijzonder goed aan te slaan en worden teruggeëxporteerd naar het Westen. Japan, ooit nog een plagiaat plegende tweederangs economie, leert ons een lesje met MANS, Kaizen en kwaliteitscirkels (hoofdstuk 15). Wat we nu ‘operational excellence’ noemen is dáár uitgevonden. En met deze import van nieuwe organisatiekunde komt ook de aandacht voor organisatiecultuur. Ineens gaat het over normen en waarden, over symbolen en rituelen, over helden en mythen. In 1982 geven Peters en Waterman (In search of excellence) en Deal en Kennedy (Corporate cultures) het startsein.

De boodschap van de nieuwe Verlichting is in veel vormen vaak dezelfde: we moeten áf van de problemen waarvoor het Cartesiaanse Theater ons stelt. In de nieuwe tijd (inderdaad, New Age) is er geen plek meer voor de mechanistische benadering van het universum. Daar zijn inmiddels talloze publicaties aan gewijd. De mens is géén machine, de organisatie evenmin. Deze nieuwe inzichten zijn vernieuwend, inspirerend en uitdagend. En een belangrijk effect is dat wat ooit als onwrikbare zekerheid gold ineens aan het wankelen is geslagen. Wetenschap levert onzekere kennis, waarheid is betrekkelijk en de werkelijkheid is dus tóch niet zo wetmatig als de ‘logisch-positivistische’ academici ons wilden doen geloven. Wie hierover de mening wil vanuit zes verschillende invalshoeken, leze de verslagen van de interviews met kritische wetenschappers-filosofen die Wim Kayzer in 1993 onder de naam Een schitterend ongeluk maakte.

Er zijn veel zekerheden losgelaten, ook op Kantoor, maar er zijn niet zoveel andere zekerheden voor teruggekomen. Kantoorbewoners krijgen te maken met nieuwe opvattingen over samenwerken, en moeten ineens gaan ‘teamwerken’ na een training van twee dagen. Managers moeten coachend gaan leidinggeven en hebben eigenlijk geen idee hoe dat moet. Zelfsturing en empowerment moeten de afbrokkelende hiërarchie vervangen. Dat in de praktijk brengen is echter niet zo eenvoudig voor gewone mensen die jarenlang op de vingers getikt zijn. Prestatiecontracten en ontwikkelafspraken moeten de naar de vuilhoop verwezen bureaucratie compenseren. Maar niemand houdt zich aan de afspraken en sancties zijn er niet meer. Die zijn namelijk strijdig – zo wordt gedacht – met empowerment. Er is grote verwarring op Kantoor. De machine loopt niet soepel en de veranderaars zitten met de handen in het haar.

Na modern en postmodern komt … neomodern?

Het heeft er dus alle schijn van dat we nu een paar eeuwen van ‘moderne tijd’ moeten afsluiten. Voor dit gevoel is zelfs een naam uitgevonden: postmodernisme. Het valt niet mee om helder vast te stellen wat dat precies is, al was het maar omdat postmodernisme in verschillende denkrichtingen een heel verschillend gezicht heeft.

Organisatie is een projectie
Het postmodernisme is waarschijnlijk ontstaan in de kunst (zie hoofdstuk 26) en architectuur. We zien gebouwen waarin klassieke elementen (zuilen en tympanen) op een speelse, en soms goedkope, manier worden toegevoegd aan hyperstrakke glasconstructies. Ze lijken modern en klassiek tot een irrelevant onderscheid te willen maken, het ‘moderne’ zelfs te bespotten. In de wetenschapsfilosofie wordt het postmodernisme onder woorden gebracht als ‘het einde van de grote verhalen’ (Grandes Histoires). Postmoderne denkers stellen dat er geen grote waarheden meer bestaan. Er is een einde gekomen aan de tijd waarin er nog allesomvattende zekerheden zijn. De moderne tijd heeft in hoog tempo alles uitgevonden en alles mogelijk gemaakt wat de verbeelding kon produceren.

In plaats van dan dingen eerst de geschiedenis doorlopen voordat ze deel worden van onze erfenis, lopen ze nu direct de erfenis binnen (Baudrillard, De Vitale Illusie, 2000)

Jean Baudrillard stelt dat we in een tijd van obsceniteit leven (verwijzing….).  Omdat alles is uitgevonden rest ons niets dan smakeloos herhalen en combineren van bestaande thema’s. Er is geen creativiteit meer, alles is te zien, alles is meteen openbaar, alles is beschikbaar voor de massa. Reality-tv programma’s brengen het echte leven direct de huiskamer in. Het wachten is op een programma met de naam ‘de laatste snik’: kijken naar het sterven van mensen. Dát is pas obsceen. Echt en fictie zijn niet meer te onderscheiden, en het maakt ook niet meer uit. Media brengen ons in een staat van hyperrealiteit en uiteindelijk verveling. De media worden dan zélf nieuws, herhalen zichzelf, verwijzen naar zichzelf.

Obscene tegenstellingen

Obscene tegenstellingen

In de postmoderne organisatiekunde is ‘zelfverwijzing’ een belangrijk begrip. Wie immers zegt dat er geen waarheden meer bestaan zegt dat óók over diezelfde uitspraak. De bewering refereert dus aan zichzelf. In de organisatiekunde is het artikel ‘Modernism, postmodernism and organizational analysis’ van Gibson Burrell en Robert Cooper uit 1988 een mijlpaal. Het inzicht dat organisaties geen vanzelfsprekende betekenissen en doelen hebben, dat zij alleen projecties van mensen zijn, wordt daarmee geïntroduceerd. Organisaties zijn niet goed of slecht; ze existeren gewoon. Het postmodernisme noemt de mens die denkt alles te kunnen uitvinden en beheersen een narcistische rationalist.

In de postmoderne tijd wint betrekkelijkheid het van absolute waarheid. De zekerheidstragedie is dat de grootste tegenstellingen zij aan zij kunnen bestaan. Hoe verder we reizen, hoe kleiner de wereld. Hoe meer aandacht voor mensen op Kantoor, hoe eenzamer ze zich voelen. Meer beloning, minder tevredenheid. Zelfsturing leidt tot stuurloosheid, individualisme moet zich verenigen met de noodzaak tot synergie. Kantoren zitten zo vol tegenstellingen dat er moedeloosheid ontstaat. De nieuwe Verlichting roept dat we én-én moeten denken. Maar de gewone medewerker denkt nog steeds en-of. Het is een verwarrende tijd, met enorme ontwikkelingen. De schaalgrootte, de snelheid van communiceren en de afhankelijkheid van de computer. En in die verwarring vallen we van de ene veranderpoging in de andere. In de postmoderne organisatie gaan we onszelf inderdaad herhalen. Er zijn té weinig fundamentele doorbraken en uitzichten. Mijn vermoeden is dat medewerkers dit langzamerhand beginnen te doorzien. De kritiek op ‘moderne’ organisaties is niet van de laatste tijd, die klonk al luidkeels in de jaren vijftig en zestig. Maar er zijn thema’s aan toegevoegd, zoals verveling, apathie en zinloosheid.

Meer van hetzelfde werkt niet meer
Hoe kunnen we ontsnappen aan het nabootsen van al uitgeprobeerde organisatiekundige ideeën? Moeten we niet eerder naar een andere orde van organiseren? Descartes is natuurlijk niet de boosdoener. Maar ik ben het met veel van de nieuwe denkers wel eens dat we moeten ophouden met organisaties te bekijken alsof het machines zijn, waarin mensen als technische onderdeeltjes worden behandeld. Waar problemen kunnen worden opgelost door maar flink te ‘sleutelen’ in verandertrajecten die hun beloftes niet waarmaken. We weten al een halve eeuw, sinds de onderzoeken van Hawthorne van rond 1930, dat de zachte kant van organiseren (lees: mens, gevoel, intuïtie, eenheid, aandacht) ondergeschikt wordt gemaakt aan de harde kant van organiseren (lees: taak, verstand, besluitvorming, structuur, afrekenen). En ondanks vele verbeteringen zijn de meeste Kantoren nog steeds de bureaucratieën van toen. Ondanks de inzichten die in de loop van de tijd zijn veranderd, zijn medewerkers nog té veel productiemiddelen. De flexibele arbeidsmarkt maakt ze vervangbaar. Het coachend management laat ze aanmodderen in onbegrepen ‘zelfsturing’. Cultuurprogramma’s communiceren ‘company values’ waar niemand een boodschap aan heeft en tenslotte zijn er nog de zekerheidstragedies, die adviseurs hebben voortgebracht die álles betrekkelijk maken. Er is grote verwarring op Kantoor, maar één ding is wel duidelijk: meer van hetzelfde helpt niet meer.

De postmoderne mens zou geen ‘grote verhalen’ meer hebben, maar ervaart voortdurend dat die verhalen er volop zijn. Dat Nederland tolerant is, dat er een ‘war on terror’ gevoerd moet worden, dat globalisering goed is voor de welvaart, dat privatisering goed is voor kwakkelende overheidsbedrijven, en – onveranderlijk sinds de Verlichting – dat vooruitgang goed is. Dat er een scheiding nodig is van lichaam en geest, van denken en doen, van staf en lijn, van klant en medewerker, van werk en privé. Dat grote verhaal is nog springlevend.

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie