32. Klagen is een keuze

Over de ongezellige maar bruikbare ideeën van het existentialisme

Er zijn van die theorieën die zo aansprekend zijn dat ze in korte tijd de wereld veroveren. Het existentialisme heeft duidelijke sporen nagelaten in de opvattingen van gewone mensen en … Kantoorbewoners. Maar dat weten de meesten niet. De opvatting over mensen als kiezende, vrije wezens is echter diep verankerd in onze allerdaagse opvattingen. Reclamemakers herinneren ons voortdurend hieraan: ‘wie wil jij morgen zijn?’ De vraag is echter of men zich wel zo vrij en kiezend voelt en gedraagt.

De mens is gedoemd tot vrijheid

Het existentialisme is een typische 20e eeuwse aangelegenheid. Maar de grondslagen voor deze filosofie zijn al in de 19e eeuw gelegd door denkers als Kierkegaard en Nietzsche. Zij inspireerden vervolgens Heidegger en natuurlijk Sartre die in de jaren vijftig en zestig het existentialisme bij het grote publiek bracht. In die periode kreeg de stroming het gezicht van het naoorlogse Parijs, erg studentikoos, met zwarte coltruien, intellectualistische debatten in benauwde zaaltjes en kelders (existentialisten rookten veel en vooral pijp) en een cultuur van opstandig pessimisme. Heel anders was het kleurige, bloemrijke verzet van de hippiegeneratie in de jaren zestig en zeventig, maar hun sombere voorgangers hebben welzeker de deur opengezet naar de typische tegencultuur van de jongeren van de Flower Power.

De invloed van het existentialisme was merkbaar in literatuur, film, politiek, in jongerenbewegingen en in theologie. Het werd mode, en is als zodanig weggeëbd. Maar belangrijke existentialistische ideeën zijn verder uitgewerkt in het postmodernisme. Wat ik vooral opmerkelijk vind, is te ontdekken dat de ‘filosofie van vandaag’ van alle kanten een existentialistische blijkt te zijn. Alleen kennen niet veel mensen de oorspronkelijke zienswijzen nog.

L’existence précède l’essence
Jean Paul Sartre was behalve filosoof ook toneelschrijver en links activist. Hij maakte de ideeën van het existentialisme bekend. Alhoewel beweerd wordt dat zijn levensvriendin Simone de Beauvoir hem in feite in alles overtrof, bleef hij de held en werd zij ‘slechts’ heldin van de opkomende emancipatiebeweging. Dat Sartre een held was werd nog eens bevestigd in 1964 toen hij de Nobelprijs voor de literatuur mocht ontvangen … maar deze weigerde. Hij ‘wenste zich niet tot instelling te laten transformeren.’ Dat komt toch niet vaak voor!

In een bondig en toegankelijk boekje uit 1946 vat Sartre zijn ideeën samen (L’existentialisme est un humanisme). Het boekje is in feite een verslag van enkele lezingen die hij gaf, waarin hij zich verdedigt tegen alle kritiek die het existentialisme te verduren kreeg. Centraal in Sartre’s filosofie staat de uitspraak ‘L’existence précède l’essence’: het bestaan gaat aan de wezensbepaling vooraf. De schepping volgt niet op de gedachte, zoals de gelovers van Genesis denken. Existentialisten trekken de gedachte dat God niet bestaat (‘Gott ist Tot’ van Friedrich Nietzsche) tot in de uiterste consequentie door. En dit houdt in dat er tenminste ‘één wezen is dat bestaat alvorens het door enigerlei begrip nader bepaald kan worden’. En dat is de menselijke werkelijkheid. Ofwel: niemand kon de mens verzinnen voordat-ie bestond. De mens was er eerst en niet God.

De mens is het enige dier voor wie het bestaan een probleem is dat moet worden opgelost (Erich Fromm).

De mens ís niets; hij kan alleen iets wórden. En hoewel dit paradoxaal klinkt, wordt hij alleen wat hij van zichzelf maakt. Het existentialisme is typisch een filosofie waarin een aantal thema’s liggen besloten. Ik noem er enkele.

Het leven zin geven. De mens krijgt niet alleen het leven: de mogelijkheid dit zelf in te vullen komt er gratis bij. Er is geen script, geen almacht, geen algemeen geldende moraal die voorschrijft wat we moeten zijn en hoe we moeten leven. Er is geen menselijke ‘natuur’ waar we op moeten lijken, geen ‘moraal’ waar we aan moeten voldoen. Het leven heeft geen zin; we moeten het zin geven. Dit wordt zelf-actualisatie genoemd, aan de hand van een ‘zelfontwerp’. Je bént niets, je wórdt iets.

Dit is een belangrijk thema in het licht van de zinloosheid die zoveel Kantoorbewoners ervaren. Managers en adviseurs doen erg hun best om medewerkers ervan te doordringen zelfsturend te zijn in de loopbaanplanning en in het eigen leerproces. In de praktijk is dit echter op veel Kantoren nauwelijks in te vullen. De vrijheid die men zegt te bieden, is vaak een wassen neus en de ‘sturing’ die iedereen ‘zelf’ ter hand kan nemen, moet binnen nauw omschreven grenzen plaatsvinden. Het werk is en blijft voor veel mensen zinloos en vervreemdend en hen ertoe aanzetten om er in existentialistische zin iets moois van te maken heeft veel weg van treiteren. Maar daarmee is de kous níet af.

Keuzes maken. Een mooi thema in het gedachtengoed van het existentialisme is zelfverloochening. Veel mensen lopen weg voor de vrijheid om keuzes te maken die het leven in essentie biedt. Erich Fromm noemde dat angst voor de vrijheid. Zij vertonen niet-authentiek, of onwaarachtig gedrag door zich te verschuilen achter beperkingen en onmogelijkheden. Ze nemen geen verantwoordelijkheid voor hun keuzes uit existentiële angst. Kunnen kiezen is confronterend, omdat je te maken krijgt met de gevolgen van je keuzes. Overigens is niet-kiezen in essentie ook een keuze.

Ik krijg vaak te maken met medewerkers die door hun managers naar een training ‘gestuurd’ zijn. Niet zelden leidt dit tot gemopper en geklaag. Vraag je echter door naar de werkelijke achtergronden dan blijkt dat maar weinigen er voor uitkomen dat ze gekomen zijn uit angst. De consequenties van het weigeren van de ‘uitnodiging’ zijn bijna nooit concreet en er zijn weinig serieuze pogingen ondernomen om de confrontatie met het management aan te gaan. Liever worden zulke pogingen bij voorbaat als vruchteloos afgedaan dan daadwerkelijk ondernomen. De sullige waarheid achter dit verschijnsel is echter dat al die klagende en onvrijwillig aanwezige medewerkers vergeten dat ze dus wel degelijk ervoor ‘gekozen’ hebben er te zijn. In vrijheid en bij vol verstand zijn ze allen present en nemen vervolgens níet de verantwoordelijkheid voor hun aanwezigheid. De existentialist noemt dat ontrouw zijn aan jezelf.

Atlas draagt de wereld

Atlas draagt de wereld

Verantwoordelijk voor jezelf. En dat is waar het in de Kantoorlog meermaals op stukloopt. In de verwrongen verhoudingen op Kantoor denken medewerkers dat ze afhankelijker zijn dan ze werkelijk zijn en denken managers dat ze invloedrijker zijn dan ze werkelijk zijn. De existentialistische opvatting hierover is dat het bestaan je de keuzevrijheid geeft om er iets van te maken, maar ook dat de mens daar ten volle voor verantwoordelijk is. In de eerste plaats voor jezelf maar – gelukkig – vervolgens ook voor de anderen. Want ‘als wij de vrijheid willen, ontdekken wij dat ze geheel afhankelijk is van de vrijheid van de anderen, en dat de vrijheid van de anderen afhankelijk is van de onze’ (Sartre, L’existentialisme est un humanisme, 1946). De mens staat níet alleen in de wereld en zal rekening houden met de anderen. Maar dat beneemt hem níet de vrijheid om zélf te kiezen, elke keer opnieuw. En de ontzagwekkende angst die dát oproept kan volgens Sartre oprechte ‘walging’ oproepen. De leegte van het bestaan, de nietsigheid van het zijn is voor velen een angstwekkend uitzicht.

Toch denk ik dat we daar nu, vijftig jaar later, anders over zijn gaan denken. We zijn vertrouwd geraakt met vérgaand individualisme en elke dag lijken de keuzemogelijkheden in het leven toe te nemen, daar zorgt het kapitalisme wel voor. In Kantoren heerst echter nog een groot en merkwaardig verschuilen. Er wordt met hete aardappels gegooid, er worden apen op elkaars schouder gezet en er wordt onder het maaiveld gedoken. De angst om ergens voor te gaan staan, af te wijken, keuzes te maken en de consequenties daarvan te aanvaarden is groot. Terwijl daar éigenlijk in onze goed beschermde arbeidsverhoudingen en in onze overdadige welvaart weinig reden toe is.

Een streng optimisme

Het existentialisme is vaak pessimisme en zelfs nihilisme verweten. Existentialisten zouden de mens van God beroofd hebben en hem ‘in de wereld hebben geworpen’ met niets meer dan een angstaanjagende vrijheid. Een vrijheid die zo groot is dat je je verlaten voelt. Sartre verwerpt deze kritiek stellig. Hij meent dat de leer die de mens als kiezend en verantwoordelijk wezen centraal stelt in feite optimistisch is.

Toch valt niet te ontkennen dat het existentialisme van de jaren vijftig, met name in uitingen zoals film en literatuur erg sombertjes is. Wanneer existentialisten het hebben over ‘in de wereld geworpen worden’ spreken ze over die wereld meestal in nare bewoordingen: ziekte, oorlog, hebzucht en frustratie. Maar zo kort na de Tweede Wereldoorlog is dat ook wel te begrijpen.

De Kantoorlog is onze eigen schepping
En dit brengt ons op het thema engagement. Waar existentialisten destijds voor stonden was actie! Werkloos toezien ontslaat je niet van verantwoordelijkheid: wie onrecht bekijkt maar zwijgt maakt toch vuile handen. In Sartre’s tijd werd op deze gedachte zwaar ingezet door links radicalen en neo-marxisten. Wie deze ideeën echter ontdoet van de rooie saus ontdekt een aantal verrassend actuele boodschappen.

Ook in het moderne Kantoor (en in de hele samenleving trouwens) hoor je ónder de klaagzang steeds het impliciete excuus van machteloosheid (zie hoofdstuk 16). Het heeft tóch geen zin. Het ís al geprobeerd. Wat haalt míjn gedrag nou uit?
Mét de existentialisten van toen voel ik soms zoveel verveling bij deze collectief verzonnen machteloosheid. Of de schepping nou Goddelijk is of niet, hij is welzeker schitterend. En als wij passief blijven toezien hoe we langzaam maar zeker deze planeet afbreken dan maken we allemaal vuile handen. En als wij de Kantoorlog laten voortwoeden dan dragen we uiteindelijk allemaal de mistroostigheid van de slachtoffers.

In de end we will remember not the words of our enemies, but the silence of our friends (Marten Luther King).

Het moderne verlangen naar zelfsturing en empowerment is een herhaling van thema’s. We zijn aan dat verlangen inmiddels een eindje tegemoet gekomen, maar we hebben dat niet altijd slim gedaan. We namen de vrijheid, maar ontliepen de verantwoordelijkheid. De obsessie met economische groei en de onbevredigbare verlangens van de consument maakt ons gemakzuchtig en gretig. Dag in dag uit worden ons wereldproblemen gepresenteerd maar we halen de schouders op. Heeft tóch geen zin.

Het zal niet meevallen om als individu een verschil te maken. Maar er is één omgeving waarop je dagelijks invloed kunt uitoefenen. Er is een kleine groep mensen, dícht bij jezelf die je elke dag ontmoet en waarmee je een bescheiden revolutie kunt ontketenen. Op Kantoor, met je collega’s kun je eenvoudigweg ophouden met de absurde Kantoorlog. Je kúnt uit de klaagzang stappen en stoppen met roddelen. Je kunt naar je manager stappen en zeggen dat hij een niksnut is. Je kunt je medewerkers toespreken en zeggen dat ze verwend zijn. Het is écht een mogelijkheid om het Kantoor vaarwel te zeggen als je er niet gelukkig wordt. Misschien is het angstig, misschien moet je een veer laten. Maar je hebt de keuze.

Maat en moraal
Protagoras leefde in de vijfde eeuw voor Christus. Hij was een sofist, een rondreizende denker die zijn kennis onderwees om ervan te leven. Van hem zijn drie belangrijke uitspraken bekend, die vijfentwintig eeuwen later zonder veel problemen met het existentialisme kunnen worden verenigd. Allereerst beweerde Protagoras dat het bestaan van God niet bewezen kon worden. Bovendien stelde hij dat de mens in staat is om een zwak argument sterk te doen lijken en omgekeerd. In het Athene van toen was retoriek, het kunnen spreken in het openbaar, één van de belangrijkste middelen om te onderwijzen en te beïnvloeden. Veel geschreven werd er immers niet. Waarheid en moraal waren voor Protagoras dus relatief en subjectief. Hij heeft zichzelf veel bewonderaars verworven, maar ook veel critici en vijanden.

Zijn meest bekende uitspraak is: de mens is de maat der dingen. Mensen – en dus geen God en ook geen algemeen geldende moraal – bepalen de waarde, de waarheid en de waarachtigheid van alles. Maat is geen werkelijkheid die onafhankelijk van mensen bestaat. Het voorbeeld dat hij daarbij gebruikt is dat eenzelfde kamer voor de ene persoon koud kan zijn en voor de andere persoon warm. Tot op zekere hoogte kunnen wij dat begrijpen en kunnen we verschillende oordelen over eenzelfde situatie met elkaar verenigen. Zou één van die personen echter een dwaas standpunt innemen, bijvoorbeeld dat het ‘steenkoud’ is in een normaal verwarmde kamer, dan weten we dat hij in zijn oordeel ‘mateloos’ is. En over dat oordeel beslissen wij uiteindelijk zelf.

In zijn boek Wholeness and the implicit order (1985) schrijft de natuurkundige David Bohm ook over maat. Hij laat zien dat ‘maat’ eigenlijk twee betekenissen heeft. Maat is een afgesproken eenheid, een hoeveelheid en kan als zodanig gebruikt worden om een heelheid te verdelen. Een lengte kan in afgemeten stukjes worden opgeknipt. Een tweede betekenis van maat legt hij uit als ‘de maat der dingen’. Een subjectief maatbegrip, afgeleid van het Latijnse ‘mediri’ dat genezen betekent. Maat is ook een verhouding, een ‘ratio’, die onder meer rede betekent. Bohm wijst erop dat de oude Grieken sterk leefden naar het principe van maat houden. Zelfbeheersing, redelijkheid en matiging werden als belangrijke deugden gezien. Maat is beslist niet alleen de vergelijking met een uitwendige standaard, maar evenzeer het aanvoelen van een innerlijke verhouding.

Protagoras en de maat der dingen

Protagoras en de maat der dingen

De conclusie die je kunt trekken is dat het bij het nemen van beslissingen altijd gaat om het in acht nemen van de maat der dingen. De maat houden en de natuurlijke verhoudingen respecteren is de verzekering dat de mens in vrijheid niet uit de bocht vliegt. Sartre stelt dat er geen algemene moraal is. Mensen zullen die steeds opnieuw moeten uitvinden. Zij zullen in zelfbeschikking altijd ‘de anderen’ tegenkomen en zich daarmee moeten verhouden – meten. Moraal – zo voeg ik toe – ontstaat aldus door in harmonie te leven met de maat der dingen.

In het moderne Kantoorleven is de menselijke maat verloren gegaan. Als God dood is, als er geen algemeen geldende moraal meer is en als de nadelen van onze welvaart zó groot worden, dan kunnen we niet passief toezien hoe het er op Kantoren aan toe gaat. Organisaties zijn de meesterwerken van onze cultuur, ze zijn allesbeheersend en bepalen in grote mate het welzijn van bijna alle mensen. Dat schept verplichtingen die helaas niet altijd worden nagekomen. Organisaties moeten zich vóór alles ten doel stellen de aarde mooi te laten en mensen gelukkig te maken. Hoe gecompliceerd en ondoorzichtig ze ook zijn; we hebben ze wel degelijk zélf gemaakt. En hoe machteloos we ons soms ook voelen; we hébben een keuze. Laten we organisaties gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld: wel-zijn.

Ik hoorde ooit dat op de Kalverstraat elke dag een schoonmaakploeg bezig duizenden plakjes kauwgum weg te krabben. En als ze aan het eind zijn beginnen ze weer opnieuw. Kleine beetjes maken er een puinhoop van. Maar kleine beetjes kunnen ook een paradijs maken. Sartre noemt het existentialisme geen pessimisme maar een ‘streng optimisme’. Misschien moeten we weer wat strenger worden voor elkaar en voor onszelf. Dat belooft wat voor deel V.

31. Angst voor het alternatief

Over het zoeken naar andere mogelijkheden … die er al zijn

Het woord alternatief komt van het Latijnse alter en betekent zoiets als ‘de andere mogelijkheid’. In ons dagelijks spraakgebruik wordt het ook wel gebruikt om te verwijzen naar het ‘minder gangbare’ of ‘de minderheid’. Managers proberen in peperdure workshops aan hun paradigma te ontsnappen om zich, gesterkt met nieuwe oplossingen weer op het strijdtoneel te begeven. Terwijl er op zoveel terreinen allang fantastische experimenten worden gedaan. Het onderwijs en de gezondheidszorg bijvoorbeeld.

Het alternatief: angst en aantrekking

Als er over ‘alternatief’ wordt gesproken, is dat niet zelden met een laatdunkende toon. Alternatievelingen zijn onaangepaste of dromerige idealisten, geitenwollensokkentypes en spinnewielfanaten die het liefst onbespoten en veganistisch dineren, veel mediteren en wars zijn van mode (want tóch blootlopers). De generalisaties zijn niet van de lucht … en niet geheel onbegrijpelijk. Het alternatieve wereldje (let op het verkleinwoord) komt voor ‘buitenstaanders’ (interessant om te zien hoe snel er wij-zij denken ontstaat) soms over als één pot nat. Een minikosmos (typisch alternatief woord) met eigen merken (Demeter, Akwarius, Ecover), eigen media (Bres, Koorddanser, Ode) en een geheel eigen taal. Maar wie zich even door de woordenmuur van spiritualiteit, innerlijk bewustzijn, healing en transcendente meditatie heen werkt ontdekt tot zijn verrassing dat de andere mogelijkheid, waar zo velen naar zoeken er al lang is.

Alternatieve gezondheidszorg
De successen van de geneeskunde zijn spectaculair. In pakweg een eeuw tijd lijkt de mens maakbaar geworden en kunnen we snijden, manipuleren en herstellen alsof het niets is. De zegetocht van wetenschap en techniek is grandioos, en toch … zijn er grenzen in zicht. Er ontstaan surrealistische debatten over de ‘kwaliteit van leven’ en over ‘kosten van gezondheid’. Leven en gezondheid zijn meetbaar geworden en daarmee uit te drukken in geld. En hoeveel ziekte en leed we ook kunnen wegtoveren, mensen gaan nog steeds dood. Het is dan ook niet voor niets dat er óndanks de medische triomfen een enorme wereld van alternatieve geneeskunde is. En ook in díe wereld worden successen geboekt. Ook dáár vinden mensen genezing.

Wat eigenlijk veel interessanter is, is niet de verschijning van een alternatief, maar de afwijzing daarvan door de heersende opvattingen.

Wat echter opvalt in de gezondheidszorg is dat er zo gemakkelijk gesproken wordt over ‘reguliere’ geneeskunde tegenóver alternatieve geneeskunde. Er is een enorm statusverschil tussen het gangbare en het niet gangbare. De kloof tussen deze werelden is gigantisch. De dominante, gangbare geneeskunde wil vaak niets weten van de alternatieven en ook omgekeerd wordt er geworsteld: aanhaken bij of afzetten tegen. Er is een systeem ontstaan waarbij het succes van de geneeskunde zichzelf versterkt. Voor een groot deel is dit een financieel systeem, waarbij gemeenschapsgeld en commerciële sponsoring het bestaande bestel in stand houden en in zichzelf doet keren. Slechts hier en daar lukt het een alternatief om tot de dominante structuur door te dringen. Met name via verzekeraars konden bijvoorbeeld acupunctuur en homeopathie zich een plek verwerven, domweg omdat er geld aan te verdienen valt. Het publiek wil er wel voor betalen en de inspecties redeneren vooral in de ‘als het maar niet schaadt’-modus. Het is duidelijk dat de alternatieve gezondheidszorg een gat vult dat de reguliere zorg laat vallen.

Toen onderwijs nog gewoon was

Toen onderwijs nog gewoon was

Een dominant verschil tussen de alternatieve gezondheidszorg en de reguliere geneeskunde is dat de mens meer wordt gezien als één geheel (zie hoofdstuk 35). Hij is geen machine waaraan gesleuteld moet worden, maar een systeem in (of uit) balans, waarin lichaam én geest in samenhang benaderd worden. Veel alternatieve geneeswijzen werken aan het herstellen van balans, waarbij het lichaam zélf als motor van genezing wordt gezien. Een zelforganiserend systeem dus. Daarbij moet er échte en subtiele aandacht aan elk individu afzonderlijk worden gegeven. En als er íets is waar de reguliere gezondheidszorg tekort aan heeft dan is het wel echte aandacht voor mensen.

Alternatieve geneeswijzen trekken door hun soms exotische vorm veel aandacht. Niet zelden leidt dat tot schamper en spot. Maar wat eigenlijk veel interessanter is, is niet de verschijning van het alternatief, maar de afwijzing daarvan door de heersende opvattingen. Die gaat verder dan de angst voor het onbekende. Daarachter schuilt een werkelijke afkeer voor alles wat de eigen opvattingen aan het wankelen zou kunnen brengen. Bovendien wordt er in de alternatieve circuits veelal minder streng wetenschappelijk gedacht in bewijsbare oorzaak-gevolgrelaties. Iets werkt omdat het werkt en omdat het al eeuwen zo werkt of omdat het filosofisch en spiritueel nou eenmaal zo is uitgedacht. En dat is een pragmatisch optimisme waar veel wetenschappers niet goed van worden.

Alternatief onderwijs

Een vergelijkbare situatie doet zich voor in het onderwijs. Ook hier is er een dominante zienswijze ontstaan die in de loop der jaren sterk veranderd is maar nog steeds op dezelfde principes gebaseerd is. Er is een vooraf bepaald programma, er zijn leerdoelen, er is een sterke nadruk op kennis en cognitie, voortgang wordt getoetst en het lesaanbod is voor alle leerlingen grotendeels gelijk. Enkele alternatieve vormen hebben inmiddels een geaccepteerde status gekregen, zoals Montessori, Dalton en sommige vrije scholen. Kenmerkend voor deze onderwijsvormen is dat er meer wordt afgestemd op de talenten, mogelijkheden en omstandigheden van de individuele leerling. Deze scholen heten officieel het ‘traditionele vernieuwingsonderwijs’. Ze worden gewoon gesubsidieerd en zijn daarmee dus ook gebonden aan de regels van de overheid en onderwijsinspectie.

Ook in de hervorming van het basisonderwijs is er de mogelijkheid om te experimenteren met meer leerlinggericht onderwijs. In de plannen is er bijvoorbeeld geen sprake meer van vakken maar van ‘leergebieden’ en wordt leerlingen veel ruimte geboden om een eigen leerroute te kiezen. Slechts een minderheid van de scholen lijkt echter voor dit scenario te kiezen.

Zouden we iets kunnen bedenken om op die kantoren de menselijke maat weer te hervinden?

Op hogescholen en in het volwassenenonderwijs, zeker in commerciële cursussen en op management gerichte leergangen, wordt al veel meer gewerkt met vraaggestuurd leren. De Hogeschool van Amsterdam heeft ‘leren-te-leren’ de kern van haar onderwijsfilosofie gemaakt en de Universiteit van Maastricht werkt al jaren met ‘probleemgestuurd’ onderwijs: niet gecentreerd rond kennis maar gericht op praktische vraagstukken.

Heel anders is het met Iederwijs: een in Nederland uitgedokterde schoolvorm die radicaal breekt met de heersende normen. Iederwijs is gebaseerd op de gedachte dat kinderen de vrijheid moeten krijgen om te leren wanneer ze er zelf aan toe zijn. Centraal staat de motivatie van het kind, omdat pas dán het echte leren plaats vindt. Kinderen leren immers ook uit zichzelf lopen en praten, dus waarom kunnen ze niet uit zichzelf leren schrijven en rekenen? Als zíj er aan toe zijn. Iederwijs-scholen hebben geen leerkrachten maar ‘begeleiders’, die ondersteunen en in actie komen als de kinderen dat zelf aangeven. Op dit moment wordt het groeiend aantal Iederwijs scholen gedoogd, maar de overheid heeft aangekondigd zich er mee te gaan bemoeien. Er zijn anno 2005 nog maar zeventien Iederwijs scholen, maar er zijn er ongeveer dertig in oprichting. De kamer kan er nu weinig tegen doen, maar VVD en CDA voelen voor een onmiddellijk verbod. Aangezien dat niet kan, wordt er nu gewerkt aan nieuwe wetgeving die privé-scholen verplicht een ‘overheidserkenning’ aan te vragen. Wie de berichtgeving in kranten hierover volgt zal vooral rationele discussie en argumenten tegenkomen. Wat daarin steeds ongezegd blijft is dit: de gevangenen van een dominante denkwijze (zie hoofdstuk 18) zijn doodsbang voor mensen die écht iets anders vinden en die zich daadwerkelijk bevrijden van hun vooroordelen. En dat is altijd al zo geweest.

Een treffend voorbeeld geeft Piet Gerbrandy in zijn essay in De Groene Amsterdammer (Met het nieuwe leren naar het stenen tijdperk, 2005). Hij hekelt de opvattingen, de ‘ideologietjes’ van het Nieuwe Leren. Na de uitgangspunten hiervan ontleedt te hebben noemt hij ze allemaal ‘fantastische flauwekul’. Je kunt zijn hartstocht voor goed onderwijs óók in het essay lezen, maar waarom die ironie en die harteloosheid? Leerlingen scheert hij over één kam, die ‘willen geamuseerd worden en daar een diploma voor krijgen’. De vaderlandse jeugd is ‘algeheel lamlendig’. Hij geeft een overtuigend pleidooi voor degelijk, systematisch, haast klassiek onderwijs, maar ik vraag me af waarom hij zich daarmee zo moet áfzetten tegen de alternatieve zienswijzen. Zou integratie van opvattingen en overbruggen van tegenstellingen niet interessanter zijn?

Lessen van het alternatief

Wie iets weet, kan zijn kennis gebruiken om meer te weten te komen. En wie iets heeft, kan zijn bezit gebruiken om meer te verwerven. Met geld kun je geld maken en macht heeft de neiging zich uit te breiden. Culturen blijken robuust en bestand tegen afwijkingen omdat ze regulatiemechanismen in zich bergen. Een heersende klasse of een dominante opvatting kan in een zichzelf versterkend proces terecht komen. Als dit proces van positieve bekrachtiging sterk genoeg is en lang genoeg duurt is het erg moeilijk om er aan te ontsnappen, zélfs als het systeem negatieve effecten heeft. De gezondheidszorg en het onderwijs zijn van dit soort dominante systemen. Ze houden zichzelf in stand en het merendeel van de vertegenwoordigers ín het systeem kunnen niet voldoende profiteren van de lessen van het Alternatief.

Zo is het ook met Kantoren. Hoewel er uitgebreid geflirt wordt met leuke, nieuwige organisatievormen, en hoewel iedereen elkaar napraat dat er échte verandering nodig is, is er nog steeds een dominante werkelijkheid waaraan geen ontkomen mogelijk lijkt. In de dominante werkelijkheid van de Kantoorlog draait het om de volgende vijf hardnekkige Waarheden.

  1. De organisatie is een afgegrensd geheel: de buitenwereld is in principe vijandig.
  2. Het streven is uiteindelijk gericht op maximalisatie: zelden wordt bewust gericht op optimalisatie.
  3. Taakverdeling is nodig om tot efficiency te komen: een scheiding van denken en doen is daarbij onontkoombaar.
  4. Hiërarchie is de meest effectieve vorm van coördinatie: er moet altijd een machtsverschil blijven bestaan.
  5. Standaardisatie van gedrag en opvattingen is nodig: uniek menselijke verschillen komen hoe dan ook in het gedrang.

Ik zou het mooi vinden als we de huidige malaise in het dominante Kantoorleven zouden gebruiken om opnieuw radicaal te experimenteren. Níet terug naar een herstel van ouderwetse deugden zoals de Duitse Judith Mair voorstelt. En ook niet in de sabotagestand waar de Franse Corinne Maier toe oproept. Maar creatief gebruik maken van de lessen van het alternatief, om te zoeken naar echt Nieuwe Kantoren.

Alternatief for sale

Alternatief for sale

Mens centraal. Waar alternatieve gezondheidszorg en onderwijs laten zien dat het echt kan, daag ik de organisatiekunde uit om ook werkelijk de werknemer centraal te stellen. Dat is makkelijk in kleine, innovatieve, professionele organisaties. Maar hoe kunnen we dat in grote Kantoren voor elkaar krijgen? De halfbakken teamconcepten die je nu veelal ziet voldoen bij lange na nog niet aan deze uitdaging. We kunnen veel leren van de hechte interactie tussen genezer/begeleider en klant in alternatieve geneeskunde en alternatief onderwijs.

Klein en subtiel. Oprechte aandacht, zorgvuldigheid en kleinschaligheid zijn toch wel kenmerken die je meer ziet in de alternatieve gezondheidszorg en onderwijs dan in het gemiddeld Kantoor aan de snelweg. Zouden we iets kunnen verzinnen om, zónder teveel verlies aan efficiency, ook in grote organisaties de menselijke maat te hervinden (zie hoofdstuk 32)? Volgens mij spreken we dan van kwaliteit op een héél ander niveau dan in officiële kwaliteitsmodellen en –systemen zoals INK en ISO. Dat is een kwaliteit waarin zowel klanten als medewerkers weer individuen worden.

In samenhang. Waar de alternatieve gezondheidszorg veel waardering voor verdient, is dat de eenheid van lichaam en geest geen uitzondering maar regel is. En in het alternatieve onderwijs worden talenten veel minder ééndimensionaal opgevat dan uitsluitend verbale en cijfermatige intelligentie. Mensen zijn completer, meer dan een verzameling competenties of een aantal kengetallen. Zou het Kantoren bijvoorbeeld lukken om ‘welbevinden’ op de kaart te zetten? En wat zou er gebeuren als grote organisaties de ontwikkeling van het personeel niet als randvoorwaarde maar als één van de primaire doelstellingen zouden opnemen?

Echte bezieling. Het is makkelijk om lacherig te doen over idealisten die maar wat aanklooien. En hoe hoog het mafkezengehalte in de alternatieve wereld ook mag zijn, je kunt ze zelden verwijten dat ze geen bezielde visie hebben. Mensen in de zogenaamde alternatieve circuits geloven vaak ergens in. Iets waar in Kantoren vaak een ontluisterend gebrek aan is. Ik kom gelukkig steeds meer Kantoorbewoners tegen die het nu hardop zeggen: ‘Het is hier een dooie boel, zonder ziel’. En ja, er wórdt in de meeste organisaties wel met ‘visies’ en met ‘missies’ gewerkt, maar dan bijna altijd vanuit het waanidee dat een handjevol managers voor een paar duizend medewerkers kan verzinnen wat ‘hun’ visie zou moeten zijn. Zo’n opvatting is niet alleen onuitvoerbaar; het is nog gevaarlijk ook.

Als we gezondheid en onderwijs overlaten aan fabrieken dan worden mensen daarin vaak niet beter en vaak ook niet slimmer. Als we werken overlaten aan Kantoren dan worden mensen daarin vaak niet gelukkiger. Er zijn alternatieven die wél werken en dat is goed nieuws. De gezondheidszorg en het onderwijs gingen al een lange weg. Nu arbeidsorganisaties nog. We moeten niet zo bang zijn iets anders te proberen. Wat hebben we in de huidige Kantoorlog nou helemaal te verliezen?

30. Ruim baan voor vrije geesten

Over de deserteurs en de dissidenten van de Kantoorlog

Na jaren van bezuinigen en uitknijpen gaat het er op Kantoor eigenlijk behoorlijk grimmig aan toe. In Nederland hebben we een arbeidsproductiviteit die behoort tot de hoogste ter wereld, en nóg is het niet genoeg. De druk op Kantoorbewoners is enorm en wie zich overgeeft aan luieren loopt het risico aangegeven te worden. De prikklok is vervangen door sociale controle en prestatiecontracten. Op Kantoor is het heel gewoon dat mensen elkaar op resultaten ‘afrekenen’. Maar gelukkig zijn er vrije geesten die zich hier van niets aantrekken. Zij doen er niet aan mee.

Vrijdenkers zonder beroep

Maakten we vroeger nog wel eens grappen over ambtenaren die de hele dag de krant zitten te lezen: niksdoen is er sinds de over elkaar buitelende bezuinigingsrondes niet meer bij. ‘Logisch’, zou je zeggen, ‘voor niksdoen word je immers niet betaald’. Toch schijnt er een groot verlangen te zijn naar niksdoen. Keer op keer hoor ik in workshops en ‘retraites’ Kantoorbewoners verzuchten dat het zo heerlijk is om eens te mogen nádenken. Om te kunnen uitwisselen ‘met de benen op tafel’. En hoe komt het dat we in de modernste kantoorontwerpen ineens ‘huiskamers’ en ‘cafés’ tegenkomen? Er is een enorme behoefte aan informele ruimte op Kantoor waar mensen ‘niets hoeven’.

In dure brainstormsessies en denktanks met creatieve werkvormen wordt geprobeerd Kantoorbewoners tot ‘vrij denken’ te bewegen. De ideeën worden snel genoteerd op flipover, want stel je voor dat zo’n idee teloor zou gaan. Het vrije denken is schaars op Kantoor, en daar kan geen huiskamer of café iets aan doen. Omdat de gedachten niet vrij zijn. Kantoren zijn repressief. De angst om er je mond open te doen is er echt en het is verbazingwekkend om te zien hoeveel managers daar totaal geen weet van hebben. Zij kunnen zich niet indenken wat hun medewerkers allemaal inslikken … en wat er dús afgeroddeld en geklaagd wordt.

Je hoeft niet mee te doen
Er zijn van die mensen voor wie al dat werken voor een baas niet zo hoeft. Die doen liever wat ze zélf willen. Vroeger werd dat ‘langharig werkschuw tuig’ genoemd, een uitvinding van de burgerlijke naoorlogse generatie om hippies en provo’s te typeren die in hun ogen liever blowend op de Dam rondhingen. Het is een oubollige term, maar nog altijd actueel: er is een website werkschuw.nl waarin iedereen kan lezen hoe je zo lang mogelijk zónder werk kunt blijven, hoe je sollicitaties kunt saboteren (vetvlek op je jas) en vlug weer ontslagen kunt worden. Het is humoristisch, maar het zal ook veel mensen ergeren. Want de heersende moraal is dat je dient te werken en je best moet doen om betaalde arbeid te krijgen (zie hoofdstuk 11). In een onderzoek van TNO Arbeid (Trends in arbeid, 2004) zeggen Nederlanders aan ‘werk’ meer belang te hechten dan aan ‘vrije tijd’ of aan ‘maatschappij’.

‘Ik ben toch een zigeuner!’. Het meisje deinst achteruit, spert haar mond open, kan eerst van schrik geen geluid uitbrengen (Uit: Arpad, de zigeuner).

Maar er is dus een deel van de bevolking dat geen deel uitmaakt van het benauwde Kantoorleven. Er zijn van die archetypische buitenbeentjes voor wie al die Kantoorellende niet opgaat. Zij hebben een leven waarin werken en leren volledig natuurlijk zijn geïntegreerd. Voor hen dus geen problemen met de balans werk-privé. Ik denk met name aan zwervers. Niet aan de door de samenleving uitgestoten daklozen van nu, maar aan de geromantiseerde versie: de landloper uit overtuiging. Ik denk ook aan kunstenaars. Niet de halfbakken wannabe’s van de hedendaagse hogescholen maar aan de ‘kunstenaar zijn is een roeping’-figuren. En ik denk aan monniken, niet omdat ze buitenbeentjes zijn (nu misschien wel) maar omdat ze zich in hun kloosters ook terugtrekken uit de maatschappij. Vér weg van Kantoren.

Van zwerver tot avant-garde
De eerste mensen waren zwervers, jagers en verzamelaars, totdat er steeds meer vaste nederzettingen ontstonden. Goed te verdedigen en handig om af te wachten of je ook kunt oogsten wat je gezaaid hebt. Jagers werden boeren, en boeren werden stedelingen. Het is interessant te zien hoe in het moderne extreem van de nederzetting, de grote stad, weer een nieuwe klasse van nomaden lijkt te zijn ontstaan. Steden zitten vól zwervers.

Uit het mechanisme stappen

Uit het mechanisme stappen

Een vaste verblijfplaats is nu de norm, maar er blijven altijd mensen en volkeren die er voor kiezen om níet mee te gaan in het harnas van de moderne maatschappij. Zigeuners trekken bijvoorbeeld al eeuwen door de wereld, hoewel hun vrijheid steeds meer is ingeperkt. Oorspronkelijk kwamen ze uit het noorden van India en Pakistan richting de Balkan. Sommigen beweren dat ze vanuit Egypte (vergelijk ‘gypsies’) naar het zuiden van Spanje trokken. De gevestigde orde kan niet goed omgaan met zwervende mensen. Ze worden sinds mensenheugenis weggemoffeld en onderdrukt. Tegelijkertijd wordt het zwerversbestaan ook geromantiseerd. In verhalen (Alleen op de wereld), op televisie (Swiebertje) en in opera’s (Il Trovatore). In de jaren zestig waren het de hippies die koketteerden met het zigeunerleven, als een manier om zich af te zetten tegen, of te bevrijden van de heersende orde. Blijkbaar wordt het zwerversleven geassocieerd met vrijheid, met vernieuwing, met spontaniteit en met leven bij de dag. Wie denkt aan een ‘bohémien’ denkt aan een levensgenieter, vaak niet wetend dat dit woord oorspronkelijk ‘hij uit Bohemen’ betekent. Zigeunerland dus. Ontstaan doordat een grote groep zigeuners in de 15e eeuw vanuit Tsjechië naar Frankrijk vluchtte. Veel later werd de term bohémien daar geassocieerd met een vrije, artistieke levensstijl, met avant-garde.

Kantoren hebben meer zwervers nodig. Ik denk letterlijk aan mensen met een ‘lege’ arbeidsovereenkomst, die niet zo gebonden zijn aan regels en structuren, die kansen kunnen grijpen, kunnen jagen en van afdeling naar afdeling trekken. Zij kunnen, net als de zigeuners, verhalen meebrengen, smeerolie worden in de organisatiecultuur en hun blik tot over de grens laten reiken. Er zou in veel organisaties meer vrijheid en meer chaos moeten zijn; meer lef ook.

De scheppende kracht van kunstenaars
Kunst is typisch iets van mensen. Ja, er zijn diersoorten die hun omgeving en zichzelf verfraaien. De prieelvogel versiert zijn nest met kleurige frutsels en poezen verzorgen hun snor. Maar het scheppen van objecten en beelden die niet primair in de eerste levensbehoefte voorzien, dat doen mensen. Kunstvormen zijn soms uit het leven gegrepen, zoals de jachttaferelen in grottekeningen, de vruchtbaarheidsbeeldjes van Afrikaanse stammen en de schilderijen van de oude Grieken. Naar verluid konden zij het dagelijkse leven zó natuurgetrouw schilderen, dat toeschouwers per ongeluk probeerden de druiven van het doek te plukken.

Maar kunst heeft zich ontwikkeld (zie hoofdstuk 26) en wat wel of geen kunst is, daar raken we tegenwoordig niet over uitgepraat. In het Guggenheim Museum zag ik ooit een dame per ongeluk een kunstwerk vernietigen. Zij trapte op een tl-buis die onderdeel was van een ‘kunstwerk’ dat bestond uit vier van die buizen. Een enorme plof en vervolgens doodse stilte. Ik lachte binnensmonds en wilde haar troosten. Zo’n stomme neonbuis is toch écht geen kunst, dacht ik, maar er moet een vrije geest geweest zijn die dat wél vond.

Ik denk bij ‘vrije geesten’ aan dat klassieke beeld van de kunstenaar die, tégen de armoede in, en tégen de gevestigde orde de héle dag bezig is met kunst maken. Vincent Van Gogh dus, en Karel Appel, om maar eens twee Nederlanders te noemen. Allebei naar het buitenland verdwenen, trouwens. Die gingen en gaan maar door. De ene bleef arm, de ander is schatrijk geworden.

De ‘echte’ kunstenaar laat zich niet imponeren door de heersende norm. Integendeel. Die gehoorzaamt liever een innerlijke kracht en ontwikkelt zich een leven lang. Kijk naar de levensloop van Pieter Mondriaan, die begon met een levensechte boom en eindigde in vierkantjes en primaire kleuren. Dat is pas ontwikkelen.

Daar kunnen ze in Kantoren wat van leren. Als je managers mag geloven, dan zouden ze graag willen dat al hun medewerkers nét zo’n roeping zouden hebben als Van Gogh, en zich net zo zouden ontwikkelen als Mondriaan. Zodat zij nét zo rijk zouden worden als Appel, denk ik dan. Kantoren hebben er geen geld voor, maar ze zouden meer kunstenaars moeten hebben. Die creativiteit brengen, die werken vanuit het hart. Die ongewone resultaten maken, met onverwachte combinaties, spannend en kleurig en ontroerend. Kunstenaars brengen esthetiek, verrassing en emotie. Van dat alles is er vaak veel te weinig in organisaties.

Monniken en het gewijde leven
Hoe groot de verschillen tussen de wereldgodsdiensten ook mogen zijn, ze kennen allemaal het kloosterleven. Monniken en nonnen over de hele wereld delen de roeping om zich volledig te wijden aan geloof of levensopvatting. Een belangrijke voorwaarde is daarbij dat zij zich als het ware terugtrekken uit het gewone leven. Het woord ‘klooster’ komt van het Latijnse claudere (sluiten). De extreme vorm hiervan verkoos de kluizenaar, die zich letterlijk levenslang liet opsluiten in een cel, vaak in of bij een kerk of klooster. Of ze trokken zich terug in een hutje in het bos of in een grot. Deze zonderlingen worden ook wel heremiet genoemd (eremia ís Grieks voor woestijn en eenzaamheid). In Ethiopië leven nog steeds kluizenaars in grotten in de woestijn. De heremiet wordt als tarotkaart vaak afgebeeld met een lantaarn in de hand. Hij is – door contemplatie wijs geworden – de brenger van het licht. Kluizenaars werden vaak als raadgevers gezien.

Voor de kloosterling is het leven iets minder eenzaam, maar hij deelt met de kluizenaar het zich terugtrekken uit de wereld. Soberheid, eenvoud, regelmaat, en meditatie moeten de broeder (of zuster) vrij maken van aardse beslommeringen. Hoe minder aandacht de buitenwereld vraagt, hoe beter de weg naar binnen kan worden gevonden.

In Kantoren gebeurt precies het tegenovergestelde. De druk van buiten is groot en lijkt steeds groter te worden. Kantoorbewoners worden om de oren geslagen met prestatiedwang en productiviteit. Het is ‘grow-or-go’. Voor reflectie is steeds minder tijd, dat wordt algauw meesmuilend afgedaan als ‘navelstaren’. Soms wordt geprobeerd in een conferentieoord in twee dagen tot ‘doorbraken’ in het denken te komen, maar daar zou de kluizenaar van vroeger natuurlijk om hebben geglimlacht. Die had daar een heel leven voor.

In de meeste organisatieculturen worden nu juist de zwervers weggepest en de monniken wegbezuinigd. En kunstenaars mogen alleen op het personeelsfeest komen. Ingehuurd. Het past absoluut niet in een tijd van kostenbewustzijn en afslanking, maar organisaties kunnen beslist meer monniken gebruiken. Rustige denkers, puzzelaars, op zoek naar een verfijnd begrip van de organisatiewerkelijkheid, in contact met de missie en de strategie.

Het zou wel eens verbazingwekkend veel kunnen ‘opleveren’ wanneer er veel meer tijd wordt vrijgemaakt in Kantoren voor ‘nietsdoen’ (zie hoofdstuk 38). Tijd waarin Kantoorbewoners mogen nadenken, naar buiten staren, mediteren of gedachtespelletjes doen. De ironie is dat veel Kantoorbewoners al veel bezig zijn met nietsdoen, met werkzaamheden die dusdanig ingeperkt of zinloos zijn dat ze als nietsdoen worden ervaren. Hoe kunnen al die bureaucratieën anders al jarenlang hetzelfde (of meer) werk blijven doen met minder mensen? Dat komt echt niet alleen door slimmer werken of door de computer. Dat komt óók omdat Kantoorbewoners vaak hebben geleerd op te houden met denken. Die zijn druk met bezig zijn.

Meer dissidenken op Kantoor

Het zou een stuk schelen in kantoren wanneer er meer ruimte komt voor vrije geesten. Mensen die de waarheid durven te spreken. Die niet alsmaar meegaan in de collectieve verzinsels en mooipraterij. Maar in Kantoren zijn we lief voor elkaar en tonen we respect voor verschillende standpunten, desnoods veinzen we het. Iedereen kletst over elkaar en niet mét elkaar. Er worden makkelijker afspraken gemaakt dan nagekomen en op disfunctioneren wordt men zelden rechtstreeks aangesproken. En áls er dan ’ns iemand écht iets zegt, hardop, dan wordt er collectief geschrokken. De durfal wordt dan óf langzaam als vreemd lichaam uitgedreven of tot held verklaard, maar in ieder geval buiten de orde geplaatst. En iedereen ziet en weet dat, dus de angst blijft.

Een gemeenschappelijk kenmerk van utopieën (zie hoofdstuk 24) is dat er een buitenstaander is of zelfs een ‘rebel’ die zich van de werkelijkheid losmaakt. Hij neemt een beschouwende of kritische positie in en stapt uit de vanzelfsprekendheid van de beschreven cultuur. Dit soort mensen heeft de kracht om zelfstandig te denken en nieuwe ideeën te vormen.

Soms wordt geprobeerd in een conferentieoord in twee dagen tot ‘doorbraken’ te komen, maar daar zou de kluizenaar van vroeger natuurlijk om hebben geglimlacht.

Ricardo Semler, bekend van zijn boek Maverick (In Nederland uitgegeven als Semco stijl, 1993) beschrijft hoe hij in zijn Braziliaans bedrijf Semco revolutionaire veranderingen doorvoerde. Zo schafte hij kledingvoorschriften af, introduceerde hij flexibele werktijden (toen erg bijzonder), ging actief samenwerken met de bonden, liet medewerkers hun eigen salaris bepalen en hun eigen baas kiezen en beoordelen. Maverick betekent zoveel als ‘dwarsligger’. Blijkbaar heeft het hem geen windeieren gelegd. Twintig jaar later publiceert hij The seven-day weekend (2003), waarin de balans privé-werk een centrale rol speelt. Het gaat goed met de dissident: voor hem is het altijd weekend.

Dat afwijkende meningen in de meeste Kantoren geen ruimte krijgen hoeft natuurlijk geen betoog. We kennen de Nederlandse uitdrukking ‘Je kop boven het maaiveld uitsteken’. Je moet van goeden huize komen wil je als dwarsligger tóch erkenning krijgen. Allereerst moet je iets te melden hebben want dwarsliggen zonder inhoud daar zit niemand op te wachten. Vervolgens moet je maling hebben aan de meerderheid en een sterk geloof in je eigen visie. En tenslotte moet je een kans krijgen. Ricardo Semler kreeg zo’n kans toen hij een zieltogend bedrijf in de schoot geworpen kreeg van zijn vader die met pensioen ging.

Het gevaar van socialisering
Organisaties doen er alles aan om ‘de neuzen dezelfde kant op’ te krijgen. Nieuwkomers worden ‘ingewerkt’, wat bij nadere beschouwing een vrij onprettige klank heeft. Socialisering is een krachtig mechanisme in organisaties. Nieuwelingen zijn bij uitstek onzeker en zoeken daarom actief naar ‘cues’ om betekenis te geven aan de nieuwe omgeving (een term van Karl Weick uit Sensemaking, 1995). Vriendelijke collega’s zullen hem of haar wel even snel uitleggen hoe het werkt, wat te doen en wat vooral níet te doen. Het is altijd weer leuk om te zien hoe nieuwe medewerkers zich de eerste weken nog dagelijks stijf in pak melden. Een collega van mij, zelfde jaargang als ik (nu weg), kreeg bij binnenkomst van onze directeur (ook weg) te verstaan zijn oorring liever uit te laten. Oorringen kun je zien en afdoen, maar afwijkende ideeën, da’s anders. Ik denk dat organisaties zouden moeten experimenteren met een actief dissidentenbeleid. Hoe dat er precies uit moet zien weet ik ook niet, want het klinkt net zo potsierlijk als het creëren van ‘broedplaatsen’ in de stad in de hoop dat er een avant-garde ‘groeit’. Maar alle medewerkers binnen de lijnen laten lopen werkt uiteindelijk ook niet.

Of we nu letterlijk zwervers, monikken en kunstenaars in huis halen of het als metafoor zien: er is in ieder geval een lastige vraag die moet worden beantwoord. Wat al deze figuren met elkaar gemeen hebben is dat ze zich niet laten betalen door een baas. Wie zichzelf verkoopt is niet vrij, en dat is nou juist waar het om is te doen.

29. Geheim(zinnig)e organisaties

Over het succes van geheime netwerken met grote bindingskracht

In zijn klassieke werk Structure in fives (1983) schrijft Henry Mintzberg in het laatste hoofdstuk dat er misschien nog wel een ‘zesde’ type organisatie te beschrijven is. De ‘missionaire’ organisatie met socialisatie en indoctrinatie als coördinatiemechanisme, met standaardisatie van normen en met een belangrijke plaats voor ideologie. Is het niet opvallend dat veel van zulke – succesvolle – organisaties in het verborgene bestaan? Dat nodigt uit tot een verkenning.

Organisaties die sterk kunnen binden

Informatie over geheime organisaties is er gek genoeg volop. Wat opvalt is echter dat bijna al deze informatie enorm tegenstrijdig is. De wereld van spionage, misdaad, broederschappen en sektes is er één van veel speculaties. En dat is natuurlijk geen wonder als je probeert onzichtbaar te blijven. Op zoek naar lessen van ondergrondse en duistere organisaties valt verder op dat de schaduwzijde van georganiseerde verbanden zich erg sterk opdringt. Toch zijn niet alle voorbeelden die ik hieronder noem zo naargeestig. Laat ik beginnen met een keurig en voor de hand liggend type ‘geheime’ organisatie.

De geheime dienst
Spionage heeft altijd al tot de verbeelding gesproken. Niet gehinderd door enige kennis dacht ik altijd dat er tóch iets waar moest zijn van de avonturen van James Bond. Maar romantisch zien de websites van MI5, de CIA en de Mossad er allerminst uit. Het is bijna lachwekkend om te zien hoeveel moeite deze organisaties doen om zich juist wél zichtbaar te maken. Er wordt netjes verteld over doelen (CIA: ‘We are the eyes and the ears of the nation, and at times its hidden hand’). Ook is er aandacht voor ‘vision and values’ (Mossad: ‘based on recognition of service to the nation’) en zijn ze zelfs niet te beroerd om in te gaan op veelgestelde vragen (MI5: “I think M15 is spying on me,  how do I complain?”). Blijkbaar hangt het bestaansrecht van de met belastinggeld betaalde inlichtingendienst toch ook af van publieke acceptatie. En toch, de openheid die betracht wordt is maar schijn. Door de websites heenkijkend word je namelijk geen steek duidelijk van wat er wérkelijk speelt. Openheid lijkt hier een dekmantel. Overigens laat een speurtocht naar de officiële doelen van al die inlichtingendiensten zien dat onze gemeenschappelijke vijand van het Oosten naar het Midden-Oosten is verplaatst.

Sinistere broederschap

Sinistere broederschap

Effectiviteit in de onderwereld
De maffia is al vele jaren een zeer succesvolle, multinationale organisatie, actief in vele takken van dienstverlening zoals gokken, drugshandel, wapensmokkel en afpersing. Ik denk dat weinig organisaties zoveel winst maken. De maffia kent een duidelijke structuur die al jaren min of meer ongewijzigd is. In de Verenigde Staten, waar de families zich verenigd hebben in La Cosa Nostra, staat landelijk de zogenaamde Commissie aan het hoofd. Dit is een soort ‘board of directors’, waarin alle kopstukken zitting hebben. De meeste maffiafamilies (maar niet alle) zijn hierin vertegenwoordigd. Daaronder opereren per regio als een soort werkmaatschappijen. Elke familie kent een duidelijke, min of meer gelijksoortige hiërarchie, met een opperbaas (Don), tussenbazen (Sotto Capi en Capi), adviseurs (Consiglieri) en werkvolk (Soldati). De maffiaheeft in haar geschiedenis roerige tijden meegemaakt met de nodige veranderingen. Eén belangrijke wijziging is dat in de jaren tachtig, na een grote interne oorlog, ‘familieleden’ ervoor kozen de ‘code of silence’ (Omertà) te doorbreken en te getuigen in processen tégen de maffia . Wetgeving die zulke ‘ratten’ en hun gezinnen bescherming garandeerden, heeft dit mede mogelijk gemaakt.

Helaas kunnen we terreurorganisaties op een bepaalde manier zeer effectief noemen. Met weinig middelen houden ze landen langdurig in emotionele gijzeling en bepalen ze doeltreffend de politieke agenda.

Tegenwoordig staat al-Qaida erg in de schijnwerpers. Hoe duivels ook, de terreurdaden van 11 september zijn wel ontzagwekkend. Om zó goed voorbereid, zó diep in het hart van de machtigste natie ter wereld zo’n aanslag te plegen: daar moet wel een effectieve organisatie achter zitten. Met visie en gedrevenheid en zoveel bindingskracht dat mensen er hun leven voor geven. Kenmerkend is voor deze organisatie het sterke, bezielde leiderschap en de gemeenschappelijke vijand. Een vijand die er alles aan doet (zo heet het) om de organisatie te elimineren. Het blijft wonderbaarlijk dat dat tot op heden geenszins gelukt is. Geheim blijft geheim.

Zachte kracht van de sekte
Misschien minder ondergronds, maar tóch geheimzinnig zijn de vele sektes die bestaan. Variërend van goedmoedige geloofsnetwerken tot fanatieke zelfmoordlustigen. Het volgende voorbeeld is interessant omdat deze ‘beweging’ juist uit de anonimiteit is getreden en heel zichtbaar werd … tot aan haar ondergang.

Alleen hij die de mening van een ander aanhangt, heeft de steun van een ander nodig (Bhagwan).

Wie herinnert zich niet die mysterieuze Indiase goeroe die in korte tijd een organisatie van wereldformaat creëerde? Bhagwan Shree Rajneesh werd eind jaren zeventig voor duizenden een way-of-life en in korte tijd werd het zelfs normaal dat publiek bekende figuren zich in roze gewaad op televisie laten interviewen. Bhagwan, zeer mediageniek en communicatief, wilde liefst geen goeroe genoemd worden, maar gedroeg zich wel steeds meer zo. We zagen reportages over zijn 93 Rolls Royces, het stichten van een reusachtige ‘community’ in de woestijn van Oregon en ‘sessies’ waarin hij ‘sannyasins’ toespreekt. Ook hier is de macht en de bindingskracht van de leider evident. Wat mensen in groten getale tot deze community doet komen, is vooral de zoektocht naar zingeving. Als Bhagwan in 1984 letterlijk en figuurlijk plotseling de geest geeft is het met de massaliteit van de ‘beweging’ overigens snel gedaan.

Broederschappen van eeuwen her
Kenmerkend voor een broederschap als organisatievorm is dat deze vaak prominent leunt op een levensopvatting, dat er veel symboliek en ritueel is en dat er veel aandacht is voor ‘intreding’. In de oorspronkelijke vorm was ook de Ku Klux Klan als broederschap opgericht (deels analoog aan de ‘clan’ als organisatievorm gebaseerd op familieverbanden) en nóg presenteren veel lokale KKK’s zich als zodanig. Van verbazingwekkend formaat – en van geheel andere signatuur – is het al eeuwenoude netwerk van de Vrijmetselaars. Tot op de dag van vandaag is dit een gigantisch, wereldwijd vertakte ‘organisatie’, die zichzelf op één van haar websites zelfs ‘the worlds largest secret society’ noemt. Met ontelbare afsplitsingen en lokale ‘loges’, met als de kern een coherente visie, gedeelde ‘ritualen’ en zeer veel symboliek. In Nederland zijn naar schatting 6000 Vrijmetselaars betrokken in tientallen loges. Hoewel in principe vreedzaam en gericht op persoonlijke groei en een betere wereld duiken voortdurend verhalen op over satanisme, occulte praktijken en geheime politieke machtsstructuren. Het schandaal in Italië waarbij de P2 loge verdacht werd van corruptie, moord en terreur stelde de Vrijmetselaars in een kwaad daglicht. In Engeland is enkele jaren geleden een meldingsplicht ingevoerd voor onder meer Vrijmetselaars in de rechterlijke macht.

Lessen uit de onderstroom

Het is verbazingwekkend te zien hoe zulke grote organisaties zó effectief kunnen zijn, vaak al behoorlijk lang en op wereldschaal. Ik trek daaruit vier lessen over achtereenvolgens leiderschap, leefregels, netwerkorganisatie en lidmaatschap.

Sterk leiderschap en duidelijke gezagsverhoudingen
Leiderschap is in veel van deze netwerken een kritische factor voor succes. Bij de maffia is het letterlijk de Vader, bij al-Qaida eerder de martelaar-held en Bhagwan (in India betekent dat ‘God’) was de Wijze. Wat bij leiderschap hoort is een heldere, welbegrepen hiërarchie, van hoog tot laag. Iedereen weet precies wat-ie wel en niet kan maken. De maffia is hier een goed voorbeeld van, en ook de broederschappen maken gebruik van transparante gezagsverhoudingen: meester, gezel en leerling. Zeer recent nog pleitte Mathieu Weggeman (Provocatief adviseren, 2003) voor organisaties op basis van een gildesysteem.

Met name bij de Baghwan kun je ook goed zien hoe almachtig leiderschap kan verworden tot het tegenovergestelde van wat ooit bedoeld was. Misschien is dat een voorbeeld van het gelijk van Jim Collins (Good to great, 2001) die stelt dat grote leiders bescheiden en teruggetrokken zijn, maar wel met een zeer sterke gedrevenheid en glasheldere visie.

In een kenniseconomie met professionals, met veel aandacht voor zelfsturing en empowerment, is duidelijk leiderschap vaak ver te zoeken. Deze treurige paradox zie ik té vaak: managers geven uit overtuiging of uit onvermogen alle ruimte, medewerkers zoeken verward naar spelregels, zingeving en een vaste hand. In Kantoren is de roep om helder leiderschap luid te horen, en trouwens ook in de Nederlandse politiek van vandaag. Het was en is een hot issue en thema van veel boeken en artikelen. Opleidingen en seminars over leiderschap doen het onverminderd goed. Ik denk soms wel eens dat die roep om leiderschap wel erg klinkt naar een roep om verlossing.

Kristalhelder normen- en waardensysteem
Geheime organisaties zijn in staat de leden te voorzien van volstrekt heldere leefregels. De zwijgplicht van de maffia is er een voorbeeld van. En op internet zijn trainingshandboeken van al-Qaida te vinden waarin richtlijnen staan als ‘hoe een geheime ontmoeting te arrangeren en hoe je elkaar dan in het openbaar kunt herkennen’ en ‘of je gijzelaars mag ruilen tegen geld en informatie en of dat volgens de schriftgeleerden niet in tegenspraak met het Geloof is’. De geheime diensten hebben strikte regels en een duidelijke missie en de broederschappen zijn doorspekt met rituelen en symboliek. Zo werken de Vrijmetselaars met wachtwoorden en talloze ongeschreven rituelen en steekt de Ku Klux Klan jaarlijks een kruis in de brand om het licht van Christus te symboliseren. Ook de Sannyasins werden in de leer van Bhagwan gehouden aan strikte voorschriften. Sommigen daarvan waren, vooral in het eindstadium van de gemeenschap, zeer totalitair. Het feit dat deze regels konden bestaan is des te meer een bewijs is voor de kracht van een gedeeld normen- en waarden systeem.

Moderne organisaties werken natuurlijk ook met leefregels en gedragsvoorschriften. Maar veel ervan zijn niet zo ‘waardegeladen’ (zie hoofdstuk 34). En als er al ‘corporate values’ op schrift staan dan zijn het vaak van die fraai klinkende leuzen als ‘Personeel is ons belangrijkste bezit’ en – echt gezien – ‘Voor klanten doen wij alles; zonder klanten bestaan wij niet’. Dergelijke motto’s zijn vaak holle frasen. Ze betekenen voor Kantoorbewoners zo goed als niets, terwijl er een grote behoefte is aan meer ‘waarde’ in organisaties. Ergens voor (of achter) gaan staan, is wat enorm gemist wordt.

Netwerk gebaseerd op cellen

Netwerk gebaseerd op cellen

Een netwerkorganisatie gebaseerd op cellen
Wat mij verder opvalt aan de geheime organisaties is de reikwijdte ervan. Ze zijn bijna allemaal operationeel op wereldschaal. Ook de geheime diensten winden er geen doekjes om dat het verdedigen van de nationale integriteit júist vraagt om ‘operaties wereldwijd’. Precies daarmee verklappen ze volgens mij, in weerwil van hun geveinsde openheid, de wérkelijke bedoelingen. Want wat je buiten je eigen land uitspookt, móet wel geheim zijn, en niet open. Van terreurorganisaties is bekend dat ze opereren in ‘cellen’ om ervoor te zorgen dat uitgelekte vitale informatie het hele netwerk kan bedreigen, mocht een lid in handen vallen van de vijand. De maffia kent families, de Vrijmetselaars werken met loges en de kkk met lokale Klans. Ook de Bhagwan beweging had landenorganisaties, waarvan de Nederlandse trouwens één van de grootste ter wereld was (en is).

De organisatie als netwerk is zeker geen nieuw thema in de organisatiekunde. Met enige regelmaat duikt het als onderwerp weer op en er zijn veel grote bedrijven die wereldwijde netwerken vormen. Alliantievorming, overnames en fusies zijn daarbij de belangrijkste instrumenten. Maar daarmee is nog lang niet gezegd dat deze netwerken dezelfde op overtuiging gegronde binding hebben. Bovendien ben ik benieuwd wat reguliere organisaties die aan het netwerken zijn, zouden kunnen doen met de simpele, eenduidige besturingsprincipes van geheime organisaties (zie hoofdstuk 36).

Aansprekend en aantoonbaar voordeel bij lidmaatschap
De toetredingsrituelen bij de broederschappen zijn bijzonder belangrijk. Bij de Vrijmetselaars moet deze inwijding een speciaal gevoel geven van ‘erbij horen’. Deze rituelen zijn eeuwenoud en doen nog steeds dienst. Ook andere geheime en besloten organisaties lijken veel aandacht te besteden aan de symboliek van lidmaatschap. De inlichtingendiensten vertellen op hun websites dat je kunt solliciteren, maar óók dat alleen de allerbeste kandidaten worden opgenomen. De drempel is hoog. Van de maffia is bekend dat je in veel gevallen alleen erbij hoort als je familie of Italiaans bent, en dan het liefst nog van Sicilië. En er uitstappen is er niet bij; dat is te gevaarlijk. In ons eigen land is er niet lang geleden geschokt gereageerd op het nieuws dat al-Qaida ook híer jonge moslims aan het ronselen is. Zóver reikt blijkbaar de aantrekkelijkheid van lidmaatschap, als een wereldwijde magneet.

Toen in de tweede helft van de jaren arbeid schaars werd, gingen organisaties zich bezig houden met ‘binden en boeien’ van werknemers. Maurits Bruel en Clemens Colsen schreven er een bestseller over (De geluksfabriek, 1998). Ik heb meermalen organisaties mogen helpen met het optuigen van nieuwe hrm-systemen die ten doel hadden de kleefkracht van de organisatie te vergroten. Maar het tij is alweer gekeerd, de arbeidsmarkt is weer een werkgeversmarkt geworden. Inkrimpingen zijn weer aan de orde van dag. Ik denk echter dat dit alwéér een korte termijn reactie is en dat de bindingskracht van Kantoren één van de belangrijkste vraagstukken van het komende decennium zal worden. De les van geheime organisaties is overduidelijk: binding op overtuiging overtreft elk formeel contract.

De aantrekkingskracht van ondergrondse organisaties is intrigerend en de effectiviteit is, zeker ten opzicht van de eenvoud van de organisatie, opmerkelijk. Het succes ervan kan níet uitsluitend liggen in rationele en structurele kenmerken. De kracht moeten we zoeken in iets wat mensen echt raakt, namelijk emotie. Bij de maffia, al-Qaida of de Vrijmetselaars zit je niet vanwege het contract, maar met hart en ziel. Van zo’n organisatie ben je geen werknemer maar lid. Omdat het voor jou niet geheim, maar zinnig is.

28. Unidentified Flying Office

Over de scheppende kracht van het verlangen naar een andere wereld

Het woord paranormaal verraadt een machtsstrijd in ons denken. Para betekent ‘naast’. Er is blijkbaar in onze taal een woord om een denkwereld aan te duiden die niet normaal is, die er naast zit. Toch zijn er heel veel mensen overtuigd van het bestaan van verschijnselen die we niet kunnen zien en die we niet kunnen bewijzen. Daarbij wordt er vaak naar de Hemel gekeken. Christenen, astrologen en ufologen: ze kijken allen verlangend naar boven.

Verlangen naar een andere wereld

De fascinatie voor het paranormale is enorm en dat wordt keer op keer in onderzoek aangetoond. Messer en Griggs (1989) ondervroegen studenten en vonden dat 99 procent van hen gelooft in minimaal één van de volgende verschijnselen: channeling, helderziendheid, telepathie, psychische operaties, healing, psychokinese, uittredingen, levitaties, de Bermuda Driehoek, ufo’s, bewustzijn van planten, aura’s en geesten. Een onderzoek uit 1968 van Michel Gauquelin is beroemd: een groep mensen kreeg dezelfde horoscoop aangeboden. De onderzoeker vroeg in hoeverre men zich erin herkende. Ongeveer 90 procent gaf aan dat de hororscoop erg raak was, zonder uiteraard te weten dat deze horoscoop was opgesteld op basis van de gegevens van een seriemoordenaar (Rudolf Smit, Geloof in astrologie, 1991).

Ik wil hier stilstaan bij het gegeven dat er door zoveel mensen betekenis wordt gehecht aan werelden, verschijnselen, ervaringen en gevoelens waar in de dagelijkse praktijk op Kantoor nauwelijks iets mee gedaan wordt. De inspiratie, de spiritualiteit, het geloof of het bijgeloof dat in het eigen leven zoveel zin geeft wordt onder het mom van ‘zakelijkheid’ uit de wereld van organisaties gelaten. Het moet Kantoorbewoners in een vreemde spagaat brengen. Toch kan ook de ‘zakelijke’ wereld geheel opgaan in iets wat later als volstrekte flauwekul te boek komt te staan. Ik zal ingaan op één van de meest opmerkelijke verschijnselen die ooit serieus de voorpagina’s haalden: vliegende schotels.

Ufo’s in Roswell en Area 51
Vandaag hoor je er niet veel meer over, maar er is een tijd geweest dat ufo’s (Unidentified Flying Objects) een geliefd onderwerp waren in de media. De meest recente opleving van het geloof in bezoek van buitenaardse wezens is het – inmiddels grotendeels opgeloste – raadsel van de graancirkels. De media-aandacht voor dit fenomeen maakt evenwel duidelijk dat de fascinatie voor het buitenaardse onverminderd groot blijft.

Het gaat niet allene om de vraag of ufo’s werkelijk bestaan. Het gaat  ook om de ervaring dat we ze werkelijk kunnen bedenken.

De eerste golf van ufo-waarnemingen dateert van kort na de Tweede Wereldoorlog. In de tijd daarna waren er regelmatig mensen die beweerden een vliegende schotel te hebben gezien. Een van de merkwaardigste geschiedenissen in z’n soort is het zogenaamde Roswell incident. In juli 1947 worden in dit plaatsje in Nieuw Mexico – zo wil het verhaal – de wrakstukken geborgen van een neergestort ruimteschip, compleet met inzittenden. Er zou zelfs één overlevende zijn. Al gauw ontstaan er wilde geruchten en blijken er vele ‘getuigen’ te zijn. Ook majoor Marcel van de plaatselijke luchtmachtbasis, blijkt een ‘gelover’. ufo-onderzoeker Stanton Friedman zal bijna 30 jaar later, na een toevallige ontmoeting met majoor Marcel de hele boel weer oprakelen en schrijft er met Bill Moore een boek over (The Roswell incident, 1980). In de ufo-wereld blijkt de mythe over Roswell onuitroeibaar, ondanks het feit dat geen enkel hard bewijs bij nadere beschouwing overeind blijft staan. Vooral niet na het onderzoek van Kal Korff (The Roswell UFO crash, 1997). Hij ontrafelt elk zogenaamd bewijs en kraakt alle getuigenissen om aan te tonen dat het ‘mysterie’ niet meer is dan een opgeblazen verhaal van een neergestorte weerballon. Maar wel een verhaal dat in de enthousiaste geesten van ufo-gelovers decennia lang als proeve van buitenaards bezoek mocht gelden.

Geregeld waargenomen

Geregeld waargenomen

Grimmig aan het verhaal is de samenzweringstheorie die eraan is ontsproten. Juist omdat zóveel onzeker en onduidelijk bleef, ontstond er een voedingsbodem voor speculaties. Zo zou de Amerikaanse overheid de boel in de doofpot gestopt hebben, en zouden ze zich allang de superieure ufo-technologie eigen hebben gemaakt. Er zou zelfs een wereldwijde geheime regering zijn met de naam MJ-12, die contact heeft met ruimtewezens, zowel goede (blonde Nordics) als kwade (langneuzige Greys). Er zouden mensen worden uitgeleverd voor experimenten en geheime scenario’s zijn om de overbevolking op te lossen. En het ‘Star Wars’ project van Ronald Reagan was natuurlijk níet bedoeld om bommen van de Sovjets uit te schakelen, maar om aanvallen van ruimteschepen af te weren. Marcel Hulspas noemt deze fantasten de ufo-fascisten, en wijst op het antisemitische karakter van hun complottheorieën (De UFO-fascisten, 1995). Hij rapporteert in hetzelfde blad (Skepter) in 1998 over Area 51, de supergeheime (dus legendarische) Amerikaanse militaire basis in Nevada, waar niet alleen restanten van ufo’s zouden liggen, maar waar bovendien geëxperimenteerd wordt met een zwaartekrachtbrandstof Element 115. De geheime basis wordt thans omringd door ufo-watchers, die af en toe samenkomen in het café Little A-Le-Inn.

Of het nou fictie of feit is; er zal nog veel over geschreven worden. Wat ik fascinerend vind, is dat deze voorbeelden weer duidelijk maken dat je als enthousiast mens vaak gaat zien wat je wilt geloven. Medewerkers in Kantoren fantaseren er, aangevoerd door managers en geholpen door adviseurs, ook wat op los. Ze willen geloven dat efficiency het hoogste goed is en dat het nodig is dat belangrijke mensen in een pak lopen. Ze willen geloven in ‘groter is beter’ en ‘meten is weten’. Ze willen ook geloven in de ‘urgentie’ van veranderen en de ‘noodzaak’ tot continuïteit van het Kantoor. In veel trainingen, workshops en intervisiesessies heb ik moeiteloos kunnen aantonen dat de meeste van deze vanzelfsprekendheden nergens op berusten. Het zijn eigen werkelijkscreaties en gedachtespinsels die niet méér of minder geloofwaardig zijn dan het bestaan van ufo’s.

Waren de Goden Kosmonauten?
In 1969 publiceert Erich von Däniken zijn Erinnerungen an die Zukunft. Bij ons bekend onder de veelzeggende titel Waren de goden kosmonauten? Een bestseller van een Zwitser die met talloze voorbeelden aantoont dat er in de geschiedenis van de aarde absoluut intensief contact moet zijn geweest met buitenaardse wezens. In een stortvloed aan voorbeelden en argumenten neemt Von Däniken je mee in zijn semi-wetenschappelijke betoog en inderdaad: het klinkt bijzonder overtuigend. Hij vertelt over mysterieuze lijnpatronen van duizenden kilometers omvang op de vlakten in Peru. Over zeer oude landkaarten die alleen getekend konden zijn vanuit hoog boven de aarde. Over kalenders van de Inca’s, zichtlijnen in de piramide van Cheops en grottekeningen in Tibet van mensen met helmen. Zonder moeite herinterpreteert hij oude verhalen en geschiedschrijving tot lezingen over interstellaire contacten. Wie kritisch naar zijn verhaal kijkt valt op dat zijn krachtigste argument steeds weer is: er zijn té veel raadsels die we met gangbare kennis niet kunnen verklaren! Wat je ook van zijn ideeën kunt vinden, ze zijn in ieder geval bijzonder innovatief (zie hoofdstuk 39) en gedurfd, en dat is iets wat op Kantoren welkom zou zijn.

Waarom komen de kosmonauten niet terug – mag men zich met recht afvragen – om ook in onze tijd een duidelijk getuigenis af te leggen van hun bestaan? (Coll)

Uiteraard bleef zijn visie niet onopgemerkt bij de critici. Een voorbeeld is Pieter Coll die al in 1971 komt met zijn Geschäfte mit der Phantasie (Hebben zij gelijk? Aanval op Von Däniken e.a.). Wie eerst verbluft was over de nauwkeurigheid van het bewijs voor ruimtevaarders, staat nu wederom paf over de precieze ontleding van de redenaties van Von Däniken (en imitatoren). Stap voor stap laat Coll zien dat de ‘raadsels’ van Von Däniken vaak eenvoudige en logische verklaringen hebben en dat veel van het zogenaamde bewijs in feite bestaat uit onwetenschappelijke interpretaties, speculaties en zelfs vervalsingen. Coll schept er duidelijk genoegen in om Von Däniken te torpederen. Zijn schrijfstijl is een mengsel van ergernis en triomf. Hij laat geen spaan van hem heel. Einde van een illusie? Nee hoor! Von Däniken publiceert onverdroten verder. Er zijn tientallen miljoenen exemplaren van zijn boeken in bijna 30 talen verkocht. Hij hield duizenden lezingen, ontving onderscheidingen, eredoctoraten en werkte mee aan televisieseries. In 2003 opende hij een amusementspark in Interlaken met de naam Mystery Park, gebouwd rondom ‘de raadselen van de aarde’. Wie het laatst lacht, lacht het best moet hij wel denken.

Feit of fictie maakt geen verschil

Het is té gemakkelijk om deze geschiedenissen als kinderachtige anekdotes terzijde te schuiven. Aan de mogelijkheid van buitenaards leven wordt door bijna geen wetenschapper meer getwijfeld. Wat ik interessant vind is dat Von Däniken actief op zoek is gegaan naar het verklaren van allerlei verschijnselen búiten de gevestigde orde om. Ik ken zijn motieven verder niet – hij schijnt in zijn jonge jaren tot gevangenisstraf veroordeeld geweest te zijn wegens fraude  – maar hij deed in ieder geval niet ‘meer van hetzelfde’. En zijn onderzoek appelleert aan het gevoel van miljoenen mensen die vagelijk menen dat er ‘ergens’ nog meer is. Precies zo’n gevoel als de vele medewerkers hebben die dagelijks naar hun Kantoor sjokken om daar meer van hetzelfde te gaan doen.

Hebben zij gelijk?
Veel mensen geloven in horoscopen, ondanks het feit dat wetenschappelijk onderzoek steeds aantoont dat horoscopen niet veel méér voorspellen dan kansberekening (zie vooral het werk van Geoffrey Dean). De verhalen over vliegende schotels zijn opwindend, maar zijn niet met zekerheid te ‘bevestigen’. We kennen de verhalen van de oude, versleten oma die blij is te mogen sterven. Omdat zij er van overtuigd is naar de Hemel te gaan. Wat ons letterlijk en figuurlijk boven het hoofd hangt, is soms angstaanjagend en soms inspirerend. We kunnen ons daarin met wetenschap verdiepen, maar dat is volgens mij niet zo interessant. Daarom vind ik de titel van het werk van Pieter Coll veelzeggend: Hebben zij gelijk? Het is typisch een vraag die past bij de westerse wetenschappelijke methode. Een vraag die volledig voorbij gaat aan de mogelijkheid van een andere wereld. Door alles wat niet ‘keihard’ is, als onzin af te doen gaat er veel inspiratie, creativiteit en ‘mogelijkheid’ verloren.

Snelweg bij Area-51

Snelweg bij Area-51

In 1995 publiceert Rupert Sheldrake Seven experiments that could change the world. Hierin schetst hij in detail een aantal mogelijke onderzoeken die makkelijk en goedkoop zouden kunnen worden uitgevoerd om zijn theorieën te ‘bewijzen’ (zie hoofdstuk 20). Uiteraard is er erg veel kritiek op deze voorstellen gekomen. De experimenten zouden onwetenschappelijk zijn en niets kunnen bewijzen. Sheldrake begaat omgekeerd dezelfde fout als Coll. Hij probeert in de taal van de gevestigde orde iets hard te maken wat per definitie een ‘para-normale’ theorie is. Het heeft geen zin om een opvatting, die radicaal afwijkt van de gevestigde orde, te willen bewijzen met instrumenten ván die gevestigde orde. Dat is hetzelfde als de schoonheid van een schilderij van Vermeer gaan uitdrukken binnen de iso-systematiek.

Terreur van het normale denken
Zolang mensen van het paranormale slag zich vredig in huiskamers en op privé-congresjes met hun buitenzintuigelijke belevenissen bezig houden, is er niks aan de hand. We vinden het zelfs vermakelijk in namiddagse theeleut-televisie. Maar als zij zich gaan mengen in het echte leven van ‘normale’ mensen, dan komt er strijd. Als ze hun ‘idiote’ theorieën willen ‘bewijzen’ kunnen deze ‘zwevers’ de aanval verwachten, tot de rechter aan toe als het moet, zoals de Jomanda-Millecam affaire aantoont.

Om hun ideeën tóch met de ‘normale’ wereld te kunnen delen, maken ze gebruik van de taal van de wetenschap, voeren ze bewijzen aan en stellen logische redenaties op. Eén van de meest door hen gebruikte trucs is daarbij het ongelijk of het tekort van de huidige wetenschap aantonen. Ze stellen dus vragen waarop de gevestigde wetenschap nu géén antwoord weet, of ze vallen verklaringen aan die eigenlijk niet bevredigend zijn. Zij blijven echter een makkelijke prooi voor de kracht van de wetenschappelijke bewijsvoering. Het is voorspelbaar dat zij door sceptici overtuigend onderuit gehaald worden, maar dat is niet het punt. Het punt is dat zij in staat zijn geweest om met denkkracht en gevoel uit de huidige werkelijkheid te stappen en serieus de mogelijkheid te onderzoeken van een volstrekt ándere werkelijkheid. Ze vertrekken vanuit de overtuiging dát er UFO’s bestaan, dát planeten de levensloop beïnvloeden en zijn misschien naïef of romantisch maar zéér zeker óók in staat ‘uit-de-box’ te denken. En dat is nodig, want méér van hetzelfde werkt niet meer. In Kantoren zien we dat elke dag opnieuw. Daar wordt alweer veranderd en nóg een nieuwe structuur uitgedokterd. Maar medewerkers raken gewoon méér vervreemd en inspiratie is steeds verder te zoeken, ondanks de pogingen om Kantoren opnieuw te ‘bezielen’.

Intuïtief Management en Emotionele Intelligentie zijn hypes, maar zeer zeker ook indicaties voor de behoefte aan een echt andere manier van organiseren. Managers gebruiken tegenwoordig woorden als visie en bezieling, waarschijnlijk zonder te beseffen hoe dicht deze begrippen semantisch én inhoudelijk aanliggen tegen meer esoterische begrippen als visioen en ziel. We kennen legendarische verhalen van leiders die tot grote daden zijn gekomen door een visioen of bezieling. Mozes kreeg adviezen op de berg Sinaï en Marten Luther King had een droom. Volkeren hebben zich door de eeuwen heen op dit soort inspiratie gericht (let op ‘spirit’ in dit woord). Maar niks van dit alles op Kantoor. In de organisatie van nu is het een dooie, ontzielde boel. Computers zoemen er hun digitale preken en beleidsnotities zijn er de moderne Schriften. Maar er is een kracht die niet valt weg te organiseren, en dat is het buikgevoel van mensen. Dat zegt dat er iets niet klopt in al die gebouwen. Dat we mensen teveel behandelen als machines en dat organisaties het leven in de weg staan. Dit buikgevoel moet aangesproken worden, door emoties en intuïtie toe te staan, door over aspiraties en inspiratie te praten en door eerlijke confrontaties aan te gaan. Dat is geen overbodige luxe en ook geen navelstaarderij. Dat is broodnodig.

Stop de Kantoorlog!
Tegenwoordig hebben onderzoek en ruimtevaart de speculaties over buitenaards leven getemperd. Meldingen over ufo’s zijn er nauwelijks nog en cnn heeft de ‘War of the worlds’. Dat incident liet zien hoe realistisch fantasie kan worden. Het volgende bericht stond op 31 oktober 1938 op de voorpagina van de New York Times:

‘Radio Listeners in Panic, Taking War Drama as Fact: A wave of mass hysteria seized thousands of radio listeners throughout the nation between 3:15 and 9:30 o’clock last night when a broadcast of a dramatization of H.G. Well’s fantasy “The War of the Worlds” led thousands to believe that an interplanetary conflict had started with invading Martians spreading wide death and destruction in New Jersey and New York. The broadcast, which disrupted households, interrupted religeous services, created traffic jams and clogged communication systems was made by Orson Welles.’

Het oorlogsdrama wordt als ‘feit’ aangenomen, en creëert aldus échte paniek en écht gedrag. We kunnen werkelijkheden scheppen die méér dan fictieve gevolgen hebben. Wat Kantoren betreft, is mijn vraag deze: naar welk radiohoorspel luisteren de bestuurders van grote organisaties, waardoor we nu met al die échte gevolgen zitten op onze mooie kleine aarde? Het is tijd voor een radicale verandering. Het Kantoor moet tegen de vlakte. Werken vanuit een écht andere werkelijkheid.

27. De kracht van verhalen

Over het kijken naar organisaties met behulp van metaforen en mythen

De overeenkomst tussen metaforen (beelden) en mythen (verhalen) is dat ze beide gebruikt kunnen worden om in vergelijking met de ‘werkelijkheid’ tot nieuwe inzichten en betekenissen te komen. Ze helpen ons om van de geijkte interpretaties los te komen en open te staan voor andere zienswijzen. Een metafoor of mythe kent een eigen compleetheid, een verhaal of een beeld is op een bepaalde manier ‘af.  Je kunt ermee dingen gaan zien in het Kantoor die anders verborgen blijven.

Het gebruiken van metaforen en beelden

De organisatiekunde is, net als alle andere disciplines, een denkwereld met een eigen taal. Edu Feltmann (Poëtica: De vierde dimensie van adviseren, 2001) wijst in ons vakgebied op de ‘geheimtaal van woorden’, waarmee organisatiekundigen en Kantoorbewoners eigen werkelijkheden creëren. Gibson en Burrel (Sociological Paradigms and Organisational Analysis, 1979) suggereren zelfs dat je de organisatie als niets anders dan een ‘tekstverschijnsel’ zou kunnen opvatten. Organisaties hebben taal en tekst nodig om zichzelf te produceren maar maken zichzelf in die taal ook onbegrijpelijk. Niet alleen omdat die taal (vooral) voor buitenstaanders nog niet bekend is (jargon bijvoorbeeld), maar ook omdat de taal een werkelijkheid schept die andere werkelijkheden wegduwt. Organisaties maken zichzelf met hun taal vaak ééndimensionaal. Als iedereen voortdurend over klanten en klantgerichtheid spreekt, en daar dus taal voor gebruikt, dan verdwijnt de taal die nodig is om aandacht te hebben voor medewerkers. En als de organisatietaal slechts rept over resultaat, winst en groei, dan raken woorden die nodig zijn om gevoel, emotie en welzijn te begrijpen in de verdrukking.

Uit de eigen taal stappen
Soms is het beter om in een geheel ándere taal te spreken. Een metafoor, of beeldspraak, is een vergelijking met een ongelijksoortige werkelijkheid. Een vergelijking met een gelijksoortige werkelijkheid is een analogie. Met behulp van een beeldende vergelijking kun je op krachtige en eenvoudige manier iets over die werkelijkheid uitdrukken: ‘Een slaaf zijn van je werk’, of ‘een papieren tijger’, of ‘een draak van een manager’. Met metaforen zijn onzegbare dingen zegbaar, worden harde boodschappen zacht, kan het té directe vermeden worden en kan hij die hem past de schoen aantrekken. Metaforen zijn de bouwstenen van elegant en subtiel taalgebruik. Het is niet voor niets dat wijsheden vaak verpakt worden in beelden, de Bijbel staat er vol mee. Metaforen kunnen eye-openers zijn en zetten je aan het denken. In die zin zijn metaforen veel opener en generatiever dan normale, directe en logische analyses. Daarmee kun je het ‘eens’ of ‘oneens’ zijn, maar ze doen niet zoveel met je creativiteit.

Er zijn veel metaforische benaderingen van organisaties. Bekend is het werk van Charles Handy, die een typologie van organisatieculturen maakt op basis van Griekse goden. Peter Camp en Funs Erens gebruiken dierenmetaforen (De gekookte kikker, 2003) en Manfred Kets de Vries vergelijkt organisaties met psychische patiënten (De neurotische organisatie, 1986). Maar het bekendst is toch wel het werk van Gareth Morgan (Images of organization, 1986). Hij gebruikt acht verschillende beelden, of brillen, waarmee hij de organisatie bekijkt. Zo kun je een organisatie bekijken alsof het een levend organisme is, of als een machine, of zelfs als hersenen. De grote waarde van zijn werk is dat hij het idee dat organisaties op verschillende manieren kunnen worden ‘verteld’ (en dus beleefd) voor het grote publiek toegankelijk maakt. Bovendien is zijn verhaal zo compleet gedocumenteerd dat het meteen als een organisatiekundig handboek gebruikt kan worden.

Wanneer mensen hun eigen leven in verhalen vertellen, leggen ze een formele samenhang aan in wat anders losse soep is (Weick, Sensemaking in Organisations).

Metaforen kunnen concreet zijn of heel abstract. Eén van Morgans metaforen is ‘de organisatie als psychische gevangenis’ (zie hoofdstuk 18). Hij legt uit hoe je een organisatie kunt zien als – eenvoudig gezegd – een verzinsel van mensen, dat zó levensecht is, dat ze de fantasie als werkelijkheid gaan zien. In dat opzicht is deze metafoor eigenlijk een meta-metafoor: een metafoor óver metaforen.

De organisatie begrijpen met metaforen
Bij het gebruik van metaforen zie ik een onderscheid tussen impliciete en expliciete metaforen. Impliciet wanneer de gebruikers zich er niet bewust van zijn en expliciet wanneer ze doelbewust worden ingezet om iets duidelijk te maken.

1. Het werken met impliciete metaforen vraagt vooral om alert luisteren naar de taal van de organisatie en de organisatieleden. Kijk naar presentaties, lees de stukken en hoor de voordrachten. Zoek naar de impliciete vergelijkingen die steeds gemaakt worden: ze zijn er altijd. Worden er bijvoorbeeld oorlogsmetaforen gebruikt (met woorden als vijand, strategie, wapens, verkenners, spionage, onderhandelingen, overwinning, loopgraven, slachtoffers en coalities)? Of hoor je een bouwmetafoor (met woorden als architectuur, fundament, onderdak, bouwrijp, bouwstenen, infrastructuur, de eerste steen leggen, opzichters en metselaars)? De impliciete metaforen in de organisatie vertellen veel over de werkelijkheid waar Kantoorbewoners in verkeren.

2. Het werken met expliciete metaforen vraagt om het creëren van een setting hiervoor. Bijvoorbeeld in een workshop. Maar ook in het schrijven van een plan kun je vertrekken vanuit een beeld. De reis bijvoorbeeld. Je kunt in deze vergelijking in beeldentaal praten over reisdoel, reisgenoten, bagage, pleisterplaatsen, koersbepaling, vreemde talen en culturen. Vaak wordt het onderscheid gemaakt tussen trekkers (‘De weg is de herberg’) en reizigers (‘Alleen het einddoel telt’). Of gebruik het beeld van een tuin, zoals in Jerry Kozinsky’s Being there. Laat het Kantoor denken in beelden van seizoenen, zaaien, oogsten en vruchtbaarheid. Van Aken en Germans (1993) noemen in M&O het expliciet gebruik maken van metaforen bij organisatieverandering ‘metaforie’.

Werken met mythen en verhalen

In zijn boek De kracht van verhalen (Ondertitel: Vertellen als levenskunst 2000) vertelt Jac Vroemen half autobiografisch hoe hij in zijn jeugd omgeven werd met tal van legendes, verhalen en metaforische lessen. Hij verbaast zich er over dat één generatie verder de kracht van verhalen sterk tanende is. De Bijbel als verhalenbron raakt vergeten (géén van mijn vrienden kan nog de betekenis van Pasen en Pinksteren uit elkaar halen) en sprookjes zijn voor kinderen. Gelukkig is er een nieuwe belangstelling te bespeuren voor de kracht van verhalen.

De eerste aanzet daartoe kwam met de ontwikkeling van het begrip ‘organisatiecultuur’, begin jaren tachtig. Misschien niet toevallig als je bedenkt dat ‘cultuur’ door antropologen de organisatiekunde werd ingebracht en dat storytelling juist in niet-westerse culturen nog een belangrijke plaats inneemt.

Sprookjes op kantoor

Sprookjes op kantoor

Verhalen op Kantoor
Denk bij een kostenreductie eens aan de ouders van Hans en Grietje. Die hadden het óók niet makkelijk. Ze besloten zelfs hun hongerige veelvraten van kinderen in het bos achter te laten. Wat levert deze vergelijking ons verder op? Wie is de heks en wat is het huisje van snoepgoed? Misschien doet het beeld van Hansje die vetgemest wordt door de Heks ons ineens inzien dat het uitbesteden van een organisatieonderdeel elders behoorlijk wat winst kan opleveren. En het stokje dat Hansje aan de kippige Heks als zijn vingertje laat voelen, om haar te doen denken dat ie nog steeds broodmager is. Wie houdt wie voor de gek? En wat doen afdelingen om hun tragische lot af te wenden? De rijkdom van verhalen is groot. Wanneer je alle elementen van een verhaal met de organisatie vergelijkt kom je makkelijk op nieuwe inzichten. Grappig is het boek van Spencer Johnson (Who moved my cheese?, 1998), een raamvertelling over veranderen. Een dialoog van een aantal schoolvrienden, waarin er eentje het absurdistische verhaal vertelt over hoe twee muizen en twee dwergjes met veranderingen omgaan. Het populaire boekje heeft inmiddels een gelijknamige website en flink wat merchandise veroorzaakt.

Ik zou bij het gebruik van verhalen in organisaties een onderscheid willen maken tussen de verhaalgerichte methode, waarbij je vertrekt vanuit een traditioneel, bestaand verhaal, en de ervaringsgerichte methode, waarbij je Kantoorbewoners hun werkelijkheid in een eigen bedacht verhaal  laat vertellen.

Een verhaal als vertrekpunt
Kenwyn Smith en Valery Simmons vertellen een verhaal van een organisatie die zichzelf met het sprookje van Repelsteeltje vergelijkt om de eigen cultuur beter te begrijpen (1983). Daarbij kun je zowel de rollen (vader, dochter, dwerg, koning), de gebeurtenissen (belofte aan dwerg, goud uit stro spinnen, wanhoop van dochter, beetnemen van de dwerg), als de onderliggende moraal (maak geen misbruik van iemands zwakte, de onschuld zal overwinnen) stuk voor stuk vergelijken met de organisatie.

Het kenmerk van een sprookje, zoals dat van Repelsteeltje, is dat er universele, archetypische elementen en thema’s in zitten. Meestal gaat het over de strijd tussen goed en kwaad, over helden en underdogs. Er zit altijd een les of een moraal in en niet onbelangrijk: er gebeuren vaak wonderen. Dingen die eigenlijk niet kunnen of mogen. En juist dat is in ons te rationele Kantoorleven misschien wel het meest bevrijdende.

Mythen in de klassieke betekenis van het woord zijn heldenverhalen, die – in tegenstelling tot sprookjes – de geur hebben van ‘waar gebeurd’, maar altijd met een flinke portie twijfel: je weet niet helemaal zeker of het precies zo gegaan is. En dat doet er ook niet toe. Mythen kunnen heel oud zijn (het scheppingsverhaal bijvoorbeeld, of de Trojaanse oorlog) maar ook heel actueel. De moderne ‘urban legends’, bij ons bekend als broodje-aapverhalen, zijn daar voorbeelden van.

Het kan helpen om mensen net even boven hun portie dagelijks zeuren te verheffen door ze op gestructureerde en geïnspireerde manier ‘hun verhaal’ te laten vertellen.

Ook organisaties hebben hun eigen mythes: verhalen over hoe het zo gekomen is, of over de oprichters of over spannende episodes in de geschiedenis. Het is opvallend dat Amerikaanse managementboeken altijd vol staan met dergelijke corporate legends. Mythen en legenden zijn onmisbaar als verbindende factor in een cultuur. Ze geven normen en waarden door, bevestigen identiteit en vertellen geschiedenis. Leiders van volkeren en óók van organisaties kunnen burgers en medewerkers inspireren en vóórgaan met verhalen. De CEO als sprookjesverteller.

De ervaring als vertrekpunt
Elke Kantoorbewoner kan eigen verhalen vertellen over zijn of haar persoonlijke ervaringen. Te vaak krijgt dit de vorm van roddelen of klagen, minder hoor je sterke verhalen of succesverhalen. Het kan helpen om mensen nét even boven hun dagelijkse dosis zeuren te verheffen door ze op gestructureerde en geïnspireerde manier ‘hun verhaal’ te laten vertellen. Dat kan ‘voor de vuist weg’, dus gewoon goed in de luisterstand gaan en de juiste dóórvragen stellen. Maar het kan ook zeer methodisch, waarbij de verhaalelementen gescoord worden op thema’s, motieven en onderliggende waarden (zie bijvoorbeeld Rens van Loon en Joep Wijsbek, De organisatie als verhaal, 2003). Wanneer je er op die manier een natuurgetrouwe ‘spiegel’ wilt maken, die je vervolgens aan de vertellers terug kunt geven zul je zo min mogelijk moeten beïnvloeden. Je kunt echter ook juist bepaalde sturing geven bij het laten vertellen van verhalen. Bijvoorbeeld: ‘blijf bij de feiten’ (om uit de vooroordelen weg te blijven), of ‘zorg dat het verhaal een goed einde krijgt’ (om wensen en verlangens aan te boren).

Sprookjes vertellen

Sprookjes vertellen

Een onderzoek van Yiannis Gabriel gaat over verhalen die ontstaan úit de ervaring in organisaties (Het niet gemanagede gebied noemt hij dat, 1995). Hij laat zien hoe bepaalde gebeurtenissen in organisaties tot eindeloos heraalde en zeer betekenisvolle verhalen kunnen leiden, waarin soms helden voorkomen, soms slachtoffers en – vaak – jammerklachten. Zijn stelling is dat deze verhalen zo krachtig en veelvuldig zijn omdat ze als één van de weinige domeinen in de organisatie níet goed kunnen worden gemanaged. Zelfs niet door ‘internal branding’ en ‘officiële’ verhalen die de organisatie ingepompt worden. De wereld van verhalen is met andere woorden een vrijplaats voor Kantoorbewoners, waar ze hun eigen gevoelens en ideeën kunnen vormgeven en doorgeven, dwars tegen alle officiële communicatie (vaak indoctrinatie) in.

Verhalen ontstaan dus op basis van een bestaand verhaal of op basis van eigen ervaring. Hoewel deze ‘methoden’ een verschillende vertrekpunt hebben zijn de overeenkomsten belangrijker:

  • De beeldkracht van het verhaal roept associaties op die we normaliter niet zo makkelijk bereiken wanneer we over zulke serieuze en saaie onderwerpen praten als Kantoren, Organisatieverandering en Management. Er schijnt licht op de verborgen kanten van het Kantoor en op ons eigen gevoelsleven. Verhalend helpen om uit versteende denkpatronen te stappen. Dit maakt leren op een hoger plan mogelijk.
  • Het is een taal die voor iedereen te begrijpen is. Dus de geijkte verhoudingen in de organisatie vallen bij het vertellen weg. Het is een democratische vorm van betekenisgeving waarbij machtsverhoudingen minder belangrijk zijn.
  • Het proces van betekenisgeving (zie hoofdstuk 18) vindt altijd plaats op het moment van vertellen zelf. Of het nou een bestaand sprookje of een ervaringsverhaal is, het wordt híer en nú gemaakt. Ook bestaande verhalen worden in duizenden varianten verteld en de betekenisgeving is elke keer weer uniek en fris.
  • Een verhaal geeft samenhang en kan een ingewikkelde historie ineens eenvoudig en transparant maken.
  • En tenslotte, niet onbelangrijk: verhalen en beelden maken het praten over de organisatie leuker en speelser. Het is een creatieve en aansprekende manier van communiceren die een beroep doet op méér dan onze rationele vermogens.

Zouden we niet een ander verhaal kunnen verzinnen? Ik zie een organisatie voor me als reizend circus. Het is een mooie voorstelling, zeer professioneel. Je kunt er lachen en je verbazen, mensen houden soms de adem in. Verschillen zijn belangrijk, maar ook familiebanden en broederschap. Het publiek wordt er hooggeëerd. En niemand van al die bijzondere artiesten kan een voorstelling in z’n eentje maken.

26. Ceci n’est pas une overname

Over lessen uit de schilderkunst en de expressionistische organisatie

Hoe visualiseer je een organisatie? Is dat een organigram? Of het gebouw, een logo of een brochure? Shell is toch méér dan een schelp en de ING méér dan een handjevol gebouwen? Zou je de organisatie kunnen afzien aan het product? Is Ahold dan een supermarkt en is de KLM een vliegtuig? Wie zich het eigen Kantoor voorstelt, heeft vaak beelden, maar zal al snel ontdekken dat géén beeld alles wat een organisatie is kan vatten. Ik roep in dit hoofdstuk de beeldentaal van schilders te hulp. Misschien kunnen zij ons helpen op een anderen manier naar Kantoren te kijken.

Jaargenoten: het onmogelijke is er tóch!

Escher en Magritte, twee van mijn lievelingskunstenaars. Beiden in het jaar 1898 geboren en beiden meesters in het vertonen van wat eígenlijk niet kan. Ze laten zien wat in organisaties dagelijkse praktijk is: paradoxen en absurditeit.

Maurits Cornelis Escher (1898 – 1972)
Op zijn honderdste geboortedag was er een grote overzichtstentoonstelling in Rotterdam. Daar zag ik voor het eerst in het echt de zeven meter lange Metamorphose die altijd in mijn kinderkamer hing. Escher had een aantal specialiteiten, waarvan ik er twee wil noemen. Eén zo’n specialiteit van Escher is het werken met metamorfoses. Hij laat vogels in vissen veranderen, dag in nacht en een schaakbord in een stad. Bijzonder aan zijn metamorfoses is dat het ‘vlakvullingen’ zijn: het hele oppervlakte van de prent verandert mee, er is geen ‘loze’ ruimte. En zo zou het met organisatieverandering ook moeten zijn. Alles verandert tegelijkertijd mee, een uitstulping links geeft een deuk rechts. In de praktijk wordt verandering volgens mij te vaak opgevat als mechanisch onderhoud. Je haalt de motor uit elkaar en reinigt of vervangt elk onderdeel apart. Ondertussen loopt de motor níet. Organisaties zijn anders, meer ‘organisch’. De tekeningen van Escher laten je zien hoe zo’n verandering enerzijds radicaal transformerend kan zijn, maar tegelijkertijd hoe geleidelijkheid de weg daar naartoe is. In de praktijk wordt té vaak gedacht dat een radicale verandering ook een radicaal veranderproces vraagt. Escher toont mij dat dat níet zo is (zie hoofdstuk 37).

Ook in het verbeelden van paradoxen was Escher een meester. Zijn werk Klimmen en dalen (1960) laat twee rijen monniken zien die in een oneindige cirkel een trap oplopen en tegelijkertijd aflopen. Het kán niet en toch kan het. Een klant vertelde mij eens dat ze met een nieuw talentsysteem in de organisatie poogden het hrm-beleid te verbeteren: de juiste mens op de juiste plaats. Tegelijkertijd werd elke verplaatsing van mensen direct gevangen in het systeem van ontslagbescherming en het Sociaal Statuut. Ik moest denken aan de prent van Escher waarin twee handen elkaar aan het tekenen zijn (Tekenen, 1948). We zijn geneigd te denken dat logische tegenstellingen er niet kunnen of mogen zijn. Escher laat ons zien dat we met een klein beetje optische illusie juist heel goed een paradoxale situatie kunnen laten bestaan. Organisaties zitten er vol mee (zie hoofdstuk 22).

René Magritte (1898 – 1967)
Ook de honderdste geboortedag van René Magritte was dat reden voor een overzichtstentoonstelling, ditmaal in Brussel. De meester van het surrealisme schreef doodleuk onder een keurige tekening van een pijp: ‘Ceci n’est pas une pipe’. Hoe vaak zien we dit niet in organisaties? Zo staat er op de deur van de Kantoortuin waar een groep éénlingen zit te werken ‘Back Office Team A3’. Van teamwerk geen sprake. Of in het Jaarverslag staat dat het jaar positief is afgesloten, terwijl iedereen de rand van de afgrond kon zien. Ik moet dan denken aan het grote bedrijf waar ik werkte, dat zich na jarenlange financiële krapte liet overnemen door een grote buitenlandse concurrent. Júist in dit bedrijf, waar de medewerkers erg trots waren, was deze overname een gevoelige slag. Zoals zo vaak gebeurt werd van begin af aan de overname als een ‘gelijkwaardige fusie’ gepresenteerd. Iedereen binnen én buiten de organisatie wist dat het een collectieve leugen was (zie hoofdstuk 12), en toch wordt er zonder blikken of blozen beweerd: ceci n’est pas une overname.

Iedereen binnen en buiten de organisatie wist dat het geen gelijkwaardige fusie, maar een overname was en toch werd er zonder blikken of blozen beweerd: dit is geen overname.

Hoe surrealistisch is ook het afbeelden van lachende varkens in het logo van een Vleesfabriek, of foto’s van knappe, vrolijke en jonge mensen in personeelsadvertenties. Alsof het Kantoor een modellenbureau zou zijn. Magritte beeldde met bittere ernst en – naar ik aanneem – droge humor dit soort ‘onmogelijkheden’ af. Om te laten zien dat het onmogelijke er toch gewoon kan zijn. Vaak worden voorgrond en achtergrond verwisseld: een boot van water, een vogel van wolken, een ruiter wordt het bos. Ik zie dan Kantoorbewoners die op hun Kantoor gaan lijken: ze nemen de kleur, de smaak, de stemming en de textuur van hun omgeving aan. Een regen van mannetjes met bolhoed (Gorkonda, 1953) is net zo absurd als forenzen die met strakke monden van de trein naar het Kantoor benen. Een serie van Magritte heet La condition humaine, waarin hij een schilderij in een schilderij toont. Het schilderij valt precies weg in de achtergrond. Soms denk ik dat Kantoren ook een werkelijkheid schilderen die precies op zichzelf lijkt.

De term ‘reïficatie’ duidt op een situatie waarin het intellectuele construct tot werkelijkheid wordt verheven (zie hoofdstuk 18). Organisaties lijken door dit proces écht te bestaan en zo vergeten we dat we die Kantoren toch echt zelf bedacht hebben. Zouden Kantoorbewoners zich maar wat meer schépper dan slachtoffer kunnen voelen!

Magritte schilderde zijn illusies zo gepolijst en realistisch dat ze vervreemdend werken. Het onmogelijke wordt té echt … en zo is het in Kantoren ook wel eens. De overname van het kleinere bedrijf wordt zó overtuigend gepositioneerd als een gelijkwaardige fusie dat we er allemaal in gaan geloven. Dergelijke illusies worden bewust gecreëerd, net zoals de vele verhalen die Kantoren over zichzelf aan de buitenwereld vertellen. Public Relations en Corporate Communications zijn de geaccepteerde termen voor het creëren van surrealistische werkelijkheden. In de schilderijen van Magritte is er vaak een klein element dat verraadt hoe het wérkelijk zit, bijvoorbeeld de zijkant van het schilderdoek laat zien wat voor- en achtergrond is. De illusies van Kantoren zijn soms te knap. Ze geven ons een onbehaaglijk gevoel, maar we krijgen er niet goed de vinger achter.

Van impressie, via expressie, naar depressie

Ik vroeg laatst in een workshop aan een groep managers ‘Wat is moderne kunst’? Het antwoord was: ‘Als je niet meer kunt zien wat het is’. Zo’n antwoord beschouw ik niet als goed of fout, dat laat ik liever aan de hoogleraren kunsthistorie over. Maar ik vind de vergelijking met de organisatiekunde interessant. Wat is een moderne organisatie? Als je niet meer kunt zien wat het is.

Impressionisme: de waarneming is subjectief
Kunst werd ‘modern’ toen deze zich begon los te maken van de gevestigde orde. Vaak wordt daarvoor het ontstaan van het impressionisme als beginpunt genomen, in de laatste decennia van de 19e eeuw. Wat wij nu als normale en mooie schilderijen zien, soms zelfs bijna belegen, was in die tijd baanbrekend. De impressionisten van het eerste uur vonden bepaald niet altijd begrip voor hun stijlontwikkeling. Zij wilden niet zozeer de werkelijkheid schilderen, maar een indruk van de werkelijkheid. Zij maakten de schilderkunst principieel subjectief, en dat was fundamenteel vernieuwend. De waarneming van bomen, mensen en Kantoren is uniek en kan bovendien per moment wisselen. Afhankelijk van stemming, lichtval en omstandigheden. Net als de indruk die Claude Monet had van de opgaande zon in zijn Impression soleil levant uit 1873. Het schilderij (dat de naamgever is van deze kunststroming) is niet meer dan een vage momentopname van zonnerood in water, maar zo écht. De impressionisten leerden ons dat onze waarneming steeds verandert, dat de werkelijkheid er eigenlijk minder toe doet (zie hoofdstuk 18). Een ander dagdeel of een ander jaargetijde maakt wat we zien steeds weer anders. Wat in hun tijd revolutionair was vinden we nu gewoon. Maar het wordt in Kantoren, waar de ratio regeert, té vaak vergeten dat we het Kantoorleven anders kunnen zien en beleven, wanneer we het vanuit een ander perspectief bekijken.

Kantoorlog Martijn Vroemen Kunst op straat

Kunst op kantoor

Van Gogh, post-impressionist, sloeg met zijn oeuvre de brug van impressionisme naar expressionisme. De kleuren worden wilder, onderwerpen persoonlijker en vormen grilliger. Vincent’s werken zijn niet voor niets zo populair: zijn kleuren, de indringendheid. Hij kon eenvoudige mensen letterlijk op het doek ‘toveren’ en simpele landschappen tot leven brengen met grove streken. Hij is geen realist, maar zijn doeken komen als puur en echt over. Het geeft je te denken over gekunstelde Kantoren die weer simpel en echt zouden kunnen worden. Met meer gevoel en emotie.

Expressionisme: het gevoel telt mee
Wie de ontwikkeling van kunststijlen bekijkt zal zien dat vernieuwing vrijwel steeds ontstond als reactie op het voorgaande. Kunstenaars wilden zich steeds opnieuw losmaken van het bekende pad. Zo riep het impressionisme zelf weer tegenbewegingen op en ontstonden er nieuwe stromingen zoals het Kubisme, Fauvisme, Art Nouveau (de naamgeving alleen al) en – eigenlijk een verzamelnaam voor vele stromingen – het expressionisme. Wat de expressionisten gemeenschappelijk hebben is dat de innerlijke wereld van de kunstenaar mocht doorklinken in de uiterlijkheid van het schilderij. De artiest gaat de zintuiglijke waarneming van de impressionisten voorbij in een weg naar bínnen toe. Gevoel en emotie vinden hun weg in kleur en vorm. In slechts enkele decennia transformeerde de schilderkunst zich van gezapige werkelijkheidsreproductie naar eigenlijk alles wat we vandaag de dag onder kunst verstaan. Eind 19e eeuw schilderde Van Gogh landschappen in oorverdovende kleuren met woeste penseelstreek, in 1893, tien jaar later, zien we Munch’s aangrijpende De schreeuw in kinderlijke stijl en in 1915 presenteert Malevitsj enkele geometrische vormen als ‘zelfportret’. Niet veel later in 1919 stelt de dadaïst Marcel Duchamp ons de nieuwe Mona Lisa voor met snor en sik, met de obscene titel L.H.O.O.Q (in het Frans uitgesproken als ‘Elle a chaud au cul’).

Who’s afraid of red, yellow and blue?
In de loop van de twintigste eeuw wordt moderne kunst hypermodern. Wat eerst nog absurd was is nu gewoon geestig, grappig, wegwerpkunst. Andy Warholl schildert in 1968 een soepblik. Kunst verlaat de lijst, zegt Ruud Kaulingfreks (De lijst van organisaties: Een verkenning van organisaties vanuit de kunstfilosofie, 1991). Kunst wordt een idee, een gedachte. In het Stedelijk Museum te Amsterdam wordt in 1986 een zogenaamd ‘abstract’ kunstwerk van Barnett Newman door een ‘gestoorde’ in repen gesneden. Het werk heet Who’s afraid of red, yellow and blue?. Er ontstaat een discussie of het gerestaureerd moet worden. Het wordt gerestaureerd, voor een vermogen, door iemand die er later van beschuldigd wordt een ordinaire verfroller te hebben gebruikt. Barnett’s kunstwerk stelde een vraag, en kreeg een antwoord. De restauratie was niet nodig, het idee was immers niet beschadigd.

Esthetiek is voor kunstenaars wat ornithologie is voor vogels (Barnett Newman).

Postmodernisme brengt de kunst in een pas op de plaats. De materialisering is al verdwenen; nu wordt zelfs het idee opzij geschoven. Werkelijkheid is volstrekt betrekkelijk, uitgebeeld of bedacht, het maakt niet uit. Dit gaat zo ver dat er een einde lijkt te komen aan creativiteit (Fredric Jameson, Postmodernism and consumer society, 1983). Postmoderne kunst begint zichzelf te herhalen, zichzelf te citeren, thema’s ongeordend met elkaar te combineren. Alles kan, alles is geoorloofd, esthetiek wordt zéér betrekkelijk. Kitsch wordt kunst en verwijst voortdurend naar bekende stromingen en ook naar zichzelf. Kunst wordt een bijna nostalgische verwijzing naar wat er ooit was en wat ooit belangrijk was.

Kunst verlaat de lijst

Kunst verlaat de lijst

Kaulingfreks vraagt zich af of het met organisaties niet nét zo is. Zijn ze nog wel nodig, of zijn ze inmiddels een achterhaald concept van hoe de werkelijkheid zou moeten zijn? Organisaties houden misschien wel net zo’n illusie in stand als de klassieke schilderkunst. De grootste illusie is daarbij de noodzaak van het eigen voortbestaan. Waar organisaties ooit nodig waren om continuïteit te garanderen in de productie van welvaart zijn ze zich nu steeds meer op zichzelf gaan richten. Ze worden ‘zelfverwijzend’ (zie hoofdstuk 17) en zijn doel op zich geworden (zie hoofdstuk 33), niet meer een middel. De schilderkunst ging zichzelf produceren, en zo is het met organisaties ook. Volgens Kaulingfreks is een probleem met de legitimiteit van organisaties. Hun betekenis raakt uitgehold.

Inspiratie voor organiseren
Ik stel mij voor dat we de ontwikkeling van organisaties precies een eeuw later zouden kunnen spiegelen aan de ontwikkelingen in de schilderkunst. Het was eind vorige eeuw dat we de absolute werkelijkheid van de organisatie begonnen te betwijfelen. We gingen het nét als de impressionisten hebben over het betrekkelijke van de waarneming in organisaties. Waren de jaren tachtig niet de tijd dat In Search of excellence (Peters & Waterman, 1982), Corporate cultures (Deal & Kennedy, 1982) en Images of organisation (Gareth Morgan, 1986) geschreven werden? Zijn die metaforen niet net als de versies van Monet’s kathedralen bij een andere lichtval? En in die tijd kwam het postmodernisme in de organisatiekunde op, en vonden schrijvers als Karl Weick hun weg (Sensemaking in organizations, 1995). Als mijn – inderdaad grove – vergelijking nog even mag: zouden we nu dan niet inderdáád de anti-organisatie moeten oproepen zoals de Dadaïsten de anti-kunst maakten (Weggeman koketteert hier al enige tijd mee). En is het dan niet nú de tijd voor een echt abstracte vorm van organiseren? Dan zou Mondriaan ons kunnen helpen de organisatie weer tot enkele essenties terug te brengen. En Picasso zou ons helpen kubistische structuren te ontwerpen van verschillende, maar in elkaar passende blokjes. Misschien een eenvoudig netwerk van strakke lijnen dat bestaat bij de gratie van slechts drie primaire principes. Dan zou ik me laten inspireren door Magritte en een Kantoorbrochure uitbrengen met de titel ‘Ceci N’est Pas Un Bureau’. De surrealisten van toen zouden de organisaties van nu moeten schilderen en ons laten zien hoe fataal en onwerkelijk ze soms zijn.

Ik zou wel een expressionistische organisatie willen zien, waar de eerlijkheid en de woestheid van echte emoties toegestaan zijn. Het mag er kleurrijk zijn zoals Matisse, en vrolijk zoals Chagall. Individuen zijn er weer uniek en scheppen samen geen structuur maar een compositie zoals Kandinski dat deed, of Miró. En dan doen we er een flinke scheut surrealisme bij, met de

onderkoelde reflectie van Magritte en de intelligente humor van Dalí. Zo’n Kantoor zou een feestje kunnen zijn.

Kunst was ooit bedoeld om de zinnen te strelen, om te verpozen en als een venster naar de realiteit. De postmoderne ‘pas op de plaats’ voelt als een ontgoocheling, als een depressie. Kunst is overbodig geworden. Toch is er optimisme mogelijk, aldus Kaulingfreks, wanneer we afscheid durven nemen van het verouderde organisatieconstruct. Er ontstaat ruimte om ‘met een nieuwe wereld te spelen’.

25. Van nature goed

Over sociaal-darwinisme en morele armoede op de werkvloer

Om te kunnen ontsnappen aan de Kantoorlog is een andere opvatting over werk en organisatie nodig. Veranderende wereldbeelden zijn in het verleden soms behoorlijk radicaal geweest. De evolutietheorie heeft onze denkbeelden over het ontstaan van leven totaal gewijzigd. Maar niet alleen als illustratie van een paradigmaverschuiving is deze theorie interessant. Zij is ook bruikbaar als verklaring voor het ontstaan van Kantoorleed.

Van Darwin tot Dawkin

Voordat de evolutietheorie bestond ging men ervan uit dat de schepping er altijd was zoals hij geweest was. Aanwijzingen voor verdwenen soorten – door de vonds van fossielen –  kon men verklaren met  ‘catastrofes’, zoals de zondvloed. En voor het ontstaan van geheel nieuwe soorten had men ook logische verklaringen. Muizen konden bijvoorbeeld ontstaan uit een mengsel van graankorrels met vuil wasgoed.

Het recht van de sterkste
Pas met het werk van Charles Darwin (1809-1882) brak het idee door dat levensvormen zich stap voor stap ontwikkelen, alleen zo langzaam dat deze ontwikkeling in een mensenleven niet waar te nemen valt. Darwin’s evolutietheorie was baanbrekend en is nog steeds van invloed op onze opvattingen over het leven op aarde. Minder bekend is dat de wetenschapper Alfred Russel Wallace, een man uit een lagere sociale klasse dan Darwin, al jaren eerder eveneens een evolutietheorie had ontwikkeld. Darwin heeft diens werk wel een speciale vermelding gegeven, maar gunde liever zichzelf de eer als uitvinder van de evolutietheorie de geschiedenis in te gaan. En zo geschiedde.

Een Amerikaanse aap, een ateles, die dronken was geworden van de jenever, raakte het nooit meer aan, en was dus wijzer dan vele mensen (Darwin).

In zijn beroemde On the origin of species (1859) presenteert hij zijn belangrijkste ideeën. Pikant is dat Darwin, fervent gelovige en kind van de Victoriaanse tijd, daarin nog zwijgt over de afstamming van de mens. Pas in later werk (The descent of man, 1871) introduceert hij de aap als voorouder van mensen, tot grote woede van kerkvorsten.

De evolutietheorie wordt wel de meeste invloedrijke theorie genoemd ná de bijbel. En inderdaad, in het licht van Darwins ideeën wordt het scheppingsverhaal vooral een filosofische metafoor, en het paradijs een sprookjesachtige utopie (zie hoofdstuk 24). Het algemene beeld over het ontstaan van leven ging in ieder geval even drastisch op de schop als het beeld van het heelal in de tijd van Galileï en Copernicus.

De invloed van Darwin’s ontdekkingen dringt ook diep door in de wereld van Kantoorbewoners. In organisaties lijkt het soms veel op een Darwinistische ‘struggle for life’. Een strijd op leven en dood om schaarse bronnen, om macht en invloed, om de gunsten van de klant en om de weg naar de top. Keer op keer laten Kantoorstrategen ons geloven dat het in de huidige economie om ‘overleven’ gaat (zie hoofdstuk 33) en dat alleen ‘de sterksten zullen winnen’.  De evolutiemetafoor wordt gretig gebruikt, en dan vooral in haar oorlogszuchtige betekenis: in het gesprek op Kantoor zijn uitstervende rassen, mutaties en selectie aan de orde van dag. Het is meestal ieder voor zich en het recht van de sterkste.

De biologische berg
Is de oorsprong van de mens een vraag die voor velen met de evolutietheorie min of meer lijkt opgelost, over de bedoeling van de mens woedt als altijd nog een levendig debat. Stephen Jay Gould, één van de beroemdste biologen van deze tijd, stelt nuchtertjes dat de evolutie van het leven op aarde in feite geen enkele bedoeling heeft. Een belangwekkend interview met hem staat in Een schitterend ongeluk (naar de gelijknamige vpro-serie door Wim Kayzer, 1993). Hij zegt dat de loop der geschiedenis eigenlijk contingent is en dus afhangt van allerlei toevallige gebeurtenissen. Als de dinosaurussen niet waren uitgestorven, zouden zij nog steeds heersen over de aarde en zou er geen intelligent leven zijn ontstaan. In de tijd van de dino’s waren de zoogdieren klein en ze kwamen evolutionair gezien niet zoveel vooruit in concurrentie met de grote reptielen. En aangezien dinosaurussen in de 150 miljoen jaar dat ze bestonden geen indrukwekkende intelligentie hebben ontwikkeld, is het onwaarschijnlijk dat ze dat in dit millennium wél zouden hebben gedaan.

Kantoorlog sociaal darwinismeGould vindt dat Darwin meestal geheel verkeerd begrepen wordt. Diens theorie gaat met name over aanpassing van soorten aan de omgeving en natuurlijk selectie. Dat daar tegenwoordig vooral de principes van ‘het recht van de sterkste’ uit gehaald wordt past in een deterministisch wereldbeeld waarin mensen zichzelf als het topje van de biologische berg beschouwen. Niet alleen superieur maar ook nog het eindpunt.

En hoe briljant dat eindpunt is geeft te denken als je beschouwt dat evolutionair gezien de mens nog pas een oogwenk bestaat (er is al drie en een half miljard jaar leven op aarde), maar wél als enige soort het vermogen heeft ontwikkeld om zich niet alleen aan de omgeving aan te passen (zoals alle andere soorten), maar deze omgeving ook volstrekt te domineren. De mens heeft de even unieke als bedenkelijke gave zichzelf te kunnen uitroeien, en de hele schepping erbij. En we zijn al aardig op weg (zie hoofdstuk 33).

Egoïstische genen
In 1976 schreef Richard Dawkins zijn bestseller over een genetische uitleg van Darwin, The selfish gene. Het misleidende effect van deze titel is dat vaak gedacht wordt dat Dawkins wil beweren dat de mens in wezen egoïstisch is. Maar dat is niet wat hij bedoelt. In een reductionistische visie op het darwinisme veronderstelt hij dat de motor van de evolutie het voortplanten van genen is, niet van organismen. Zonder het gen een bewustzijn te willen toedichten, noemt hij het toch ‘zelfzuchtig’ omdat het uitsluitend gericht zou zijn op het zo succesvol mogelijk overdragen van zichzelf. Het ontstaan van variaties en eigenschappen in organismen is in wezen bijzaak. Dieren en mensen zijn een soort voortplantingsmachines: zij zijn er voor de genen en niet andersom. Wie over Dawkins leest komt vaak de oude biologengrap tegen: ‘Een kip is slechts de manier waarop een ei meer eieren maakt’.

Dawkins visie is nogal mistroostig als je op zoek bent naar de bedoeling van het leven. In vele interviews toont hij zich overigens een maatschappelijk geëngageerd en optimistisch mens. Zo fulmineert hij tegen het opdringen van religie door ouders aan kinderen, waarschuwt hij tegen genetische manipulatie en schreef hij een open brief aan Prins Charles die zich in zijn ogen onterecht afzette tegen de verdiensten van de wetenschap. Hij betreurt ook zeer het feit dat moderne sociaal-darwinisten zijn theorieën gebruiken als argument voor hun verdorven opvattingen.

Sociaal-darwinisme
Hoe de gedachten van Darwin door mensen kunnen worden misbruikt laat bij uitstek het sociaal-darwinisme zien: een stroming die eind 19e eeuw ontstond en die zich éénzijdig richtte op het principe van ‘survival of the fittest’. Met dit principe werden sociale (wan)toestanden op wetenschappelijke manier recht gepraat. Het bestaan van klassenverschillen, oorlogen en het domineren van volkeren was een onvermijdelijk – en daarmee te rechtvaardigen – evolutionair oerprincipe. En zo zouden ook verschillen tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ volken kunnen worden verklaard (en gebillijkt), wat gezien de minieme genetische verschillen tussen mensenrassen volkomen onzin is.

Ook deze gedachte is diep doorgedrongen in de organisatierealiteit. Verschillen tussen hogere en lagere klassen zijn er nog heel normaal, ondanks de illusie van gelijkheid (zie hoofdstuk 23) die er gecreëerd wordt. Ik voorzie echter dat er organisaties zullen ontstaan die daadwerkelijk op de principes van gelijkheid en gelijkwaardigheid zijn gebaseerd (zie hoofdstuk 36). Daartoe is het nodig om minder in termen van ‘hoger’ en ‘beter’ te denken. De mens ís niet het eindpunt van de evolutie. Hoewel Darwin betrapt is op racistische uitspraken, was het in zijn tijd vrij normaal om de blanke mens als kroon op de schepping te zien. Ironisch is dat Darwin niets wist van het bestaan van chromosomen, Mendels erfelijkheidswetten en het door mensen ingrijpen in het natuurlijke selectieproces. Maar tegenwoordig weten we beter.

De vooraanstaande plaats van rivaliteit in het evolutiedenken kenmerkt ook het leven op kantoor: er is te weinig plaats voor zorg, mededogen en troost.

De neef van Darwin, Sir Francis Galton, was de grondlegger van de Eugenics Movement. De doelstelling van deze wetenschap is het verbeteren van de menselijke soort, zeg maar zoals wij in het Westland onze tomaten tot ongekende proporties hebben opgeblazen. Dat dit niet zo’n lollige gedachte is, bewijzen overigens gruwelijke experimenten hiermee in communistisch Rusland en nazi-Duitsland. De ontwikkeling van een Arisch ras werd in eugenics als een biologische noodzaak gezien. De vergelijking is misschien ongepast, maar de ‘verbeterslagen’ die we in veel organisaties zien en de golven van onnatuurlijke selectie (‘preventief ruimen’ volgens Jaap Peters en Judith Pouw, 2005) hebben wel eens verdacht veel weg van rassenverbetering. De monocultuur die in Kantoren nagestreefd wordt (zie hoofdstuk 14) brengt echter dezelfde smakeloosheid met zich mee die de Nederlandse tomaat tegenwoordig heeft. Daarom zal er in de toekomst echt werk gemaakt moeten worden van diversiteit in organisaties.

Van nature goed?

De ontwikkelingsgeschiedenis van dieren en mensen kan ook van een hele andere kant worden belicht. Frans de Waal ging op zoek naar de evolutionaire wortels van moraal, geweten en altruïsme, en de betekenis hiervan voor het overleven van de soort.

Het schuldgevoel van apen
Frans de Waal, Nederlander van geboorte, is professor aan de Emory University in Atlanta. In zijn bekende Van nature goed (1997) onderzoekt hij onder meer sociale intelligentie bij primaten en komt met schitterende voorbeelden over verzoeningsgedrag bij apen, troost en hulp bij walvissen, rouwverwerking bij olifanten, schuldgevoel bij honden en een moreel geweten bij onze meest directe voorouders: de primaten. Ontroerend zijn voorbeelden van gehandicapte dieren die ondanks hun ongeschiktheid tot overleven tóch volwassen konden worden. Het sociaal systeem bij verschillende diersoorten toont zich tolerant en hulpvaardig ten opzichte van zwakkeren, in weerwil van de strikt darwinistische opvattingen.

Overigens hoeven we de dierenwereld heus niet te disneyficeren: zó romantisch is de keiharde afstraffing die je te beurt valt wanneer je als aap of wolf de regels overtreedt nou ook weer niet. Maar duidelijk is het wél, en dát is iets dat in de meeste Kantoren ontbreekt. Duidelijkheid. De Waal vindt het tijd worden om de ethiek uit handen te nemen van de filosofen en haar te biologiseren. Ook hij vindt dat Darwins principe van ‘survival of the fittest’ te vaak wordt gebruikt als rechtvaardiging voor ongemeen harde competitie tussen mensen.

Het zoeken naar moraal bij mensen en dieren is een ethisch mijnenveld. In zekere zin kan De Waal als een vertegenwoordiger van de sociobiologie worden gezien, de wetenschap die zoekt naar evolutionaire verklaringen voor gedrag van dieren en dus ook mensen. De sociobiologie, zo genoemd door Edward Osborne Wilson in 1975, heeft zich vaak moeten verdedigen tegen verdachtmakingen als zou zij in feite een nieuw soort sociaal-darwinisme zijn. Vandaar dat deze wetenschappers zich ook graag ‘gedragsecologen’ noemen. Hoe het ook zij, over de relatie tussen evolutie en moraal zijn de meningen sterk verdeeld. De Waal zet zich af tegen mensen als Dawkins en Gould. Deze laatste huldigt de opvatting dat de natuur in principe géén moraal heeft. Dat mensen toch moraal hebben ontwikkeld komt omdat we anders elkaar simpelweg zouden uitmoorden. Bovendien is de ontwikkeling van moraal nu eenmaal een onontkoombaar bijproduct van ons bewustzijn.

Na lezing van Van nature goed ben je er aardig van overtuigd dat typisch ‘menselijke’ eigenschappen misschien niet zo uniek zijn. Het maakt enerzijds bescheiden, maar nodigt ook uit om ons vernuft in te zetten voor wat ‘goed’ is voor de schepping.

Morele armoede op de werkvloer
De Waal bepleit respect voor de natuur in al haar wreedheid én goedheid. Hij toont zich bezorgd over een mensheid die zichzelf boven alles verheft. Hij ziet de overeenkomsten in morele ontwikkeling tussen mensen en apen, maar níet in het nemen van verantwoordelijkheid! Dat doet denken aan de ideeën van Stephen Jay Gould, die stelt dat intelligentie misschien dan wel toeval is, maar nu mensen het tóch hebben kunnen ze maar beter verantwoordelijkheid nemen voor de schepping. Dat is wel het minste wat we kunnen doen sinds Darwin deze schepping voorgoed uit handen van Onze Lieve Heer heeft genomen.

Met weinig fantasie kunnen we de schaduwzijden van de menselijke soort voor de geest halen. En wie verbeeldingskracht mist, kijkt in de krant of zet de televisie aan. De Kantoorlog echter, woedt vaak in stilte, is verstopt onder hrm-procedures en wordt gemaskeerd door economische praatjes. Wantoestanden kwamen in de vorige eeuw nog voor, en anders in ‘sweatshops’ in lagelonenlanden. Hier zogezegd niet.

Maar de slachtoffers weten anders. Zij hebben meegemaakt dat er op Kantoor wel degelijk een vorm van sociaal-darwinisme heerst en dat het er heus survival of the fittest is. En ja, er was na de jaren zestig in veel organisaties een gezapigheid en luiheid ontstaan die niet meer kon worden meegenomen naar de jaren tachtig. En tot aan vandaag worden er grote bedrijven, instellingen en organisaties verbaasd wakker in een wereld die veel harder en dreigender is dan vroeger. Dus opschudden, doorkammen en bezuinigen is vaak nodig en goed geweest. Maar we zijn de maat een beetje kwijt. In veel Kantoren is er geen enkele ruimte meer voor mededogen, zorgzaamheid, troost en luieren. De strijd om het bestaan is té hard geworden en de verschraling van de ‘habitat’ heeft nu ook de vitaliteit van de overlevers aangetast. De Waal toont aan dat de noodzaak van opoffering, toewijding en barmhartigheid in sociale systemen even wezenlijk is als hiërarchie, regelhandhaving en competitie. Door Kantoren steeds meer te modelleren naar het beeld van de ‘selfish gene’ maken we er inderdaad een ‘warzone’ van die vele slachtoffers eist. Ik denk daarom dat er meer ethisch bewustzijn in organisaties nodig is (zie hoofdstuk 34).

Wat ons menselijk maakt is wellicht dat we kaal zijn en op twee benen lopen, zoals Plato beweerde: maar wel ‘met brede nagels’, nadat Diogenes hem spottend een kaalgeplukte kip presenteerde als Plato’s Mens. Verder is de scheidslijn tussen mens en dier soms akelig dun. Niet alleen hebben dieren moreel besef, gevoelens van affectie, afkeer en angst, het vermogen tot het afstemmen van gedrag op verwachtingen, sociale status en schuldgevoel. Omgekeerd kunnen mensen maar wát makkelijk hun menselijkheid vergeten en zich als ‘beesten’ gaan gedragen.