24. Dystopia

Over totalitarisme en disciplinering op Kantoor

Sinds het verschijnen van het boek van Thomas More in 1516 is Utopia hét woord voor een denkbeeldige, paradijselijke samenleving. Mensen zijn er gelukkig, alles is er goed georganiseerd en voor alle problemen is een oplossing. Hoewel in het gewone spraakgebruik het woord utopie bijna synoniem is geworden voor ‘fictie’ zijn er in de geschiedenis wel degelijk voorbeelden van in de praktijk toegepaste utopieën. Het communisme in Rusland  bijvoorbeeld. Maar ook organisaties vertonen veel utopische trekken.

Utopieën en dystopieën

Thomas More fantaseerde een eiland Utopia. Ontdekt door de hoofdpersoon Raphael Hythloday die een keertje meeging op één van de ontdekkingsreizen van Amerigo Vespucci naar de Nieuwe Wereld. Utopia is een beschrijving van een goed georganiseerde samenleving, met hoogstaande waarden als gelijke verdeling van welvaart en een groot aanpassingsvermogen van de burgers. Utopia een verpakte, maar hevige kritiek op de toen heersende politieke en religieuze orde. De romanvorm die More gebruikt maakte het mogelijk deze kritiek zonder al te veel risico’s te uiten. Hoewel Utopia zeker niet het eerste verhaal in deze stijl is, is het wel één van de meest bekende. Maar nog bekender dan het verhaal zélf, is inmiddels de door More gekozen naam voor dit denkbeeldige eiland. Iedereen kent ‘utopie’ als iets dat zowel prachtig is áls niet bestaand.

Angstwekkende perfectie
Sinds het verhaal van More is het utopisch denken wijdverbreid geraakt, niet alleen in de literatuur, maar ook in de politiek, de filosofie en de kunst (de filmtrilogie The Matrix is een utopie te noemen). Utopisch denken past geheel  in de filosofie van maakbaarheid van de samenleving (zie hoofdstuk 15) en past wat mij betreft naadloos op de meeste opvattingen over organiseren.

Hans Achterhuis rekt de definitie van een utopie ver op (De erfenis van de utopie, 1998), door bijvoorbeeld ook sommige terreurorganisaties als utopisch te betitelen (zie hoofdstuk 29). Toch is dit niet zo gek. Want hoewel utopieën meestal ontstaan vanuit positieve (volgens Achterhuis ‘romantische’) idealen, kunnen ze makkelijk ontaarden in hun tegendeel. Ze worden totalitair en dogmatisch. Het doel gaat de middelen heiligen, hetgeen vaak gepaard gaat met geweld. Modern religieus fundamentalisme kan in dat licht bezien worden als een utopie. Het gevaar van de utopie schuilt er vooral in dat enkelen gaan bedenken wat ‘goed’ is voor de rest, aldus Achterhuis. Een bekend voorbeeld is het utopisch ‘experiment’ zoals we dat in communistisch Rusland hebben gezien. De utopie eindigt catastrofaal in een dystopie.

Literaire utopieën hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Zo gaat het vaak om reisverhalen (bijvoorbeeld Guliver’s travels van Jonathan Swift uit 1726), spelen er meestal buitenstaanders een rol die de denkbeeldige samenleving kunnen observeren en beoordelen, wordt het verhaal vaak gebruikt als kritiek op de eigen samenleving en wordt het bedenksel meestal zó beschreven dat het allemaal niet eens héél onmogelijk lijkt.

De utopieën en dystopieën van onze geschiedenis zijn krachtige ‘verhalen’ (zie hoofdstuk 27) die vertellen hoe de wereld zou kunnen zijn of hoe deze níet zou moeten zijn. Wanneer ze voorspellende waarde hebben, vormen ze jaren later een langgerekte spiegel van toen naar nu, en ontdekken we met schrik dat het verhaal werkelijkheid is geworden. Ik wil een tweetal voorbeelden gebruiken van de beroemdste literaire dystopieën van onze tijd.

Misschien is deze wereld wel de hel van een andere planeet (Aldous Huxley).

Aldous Huxley, Brave new world. Verschenen in 1932, maar inmiddels akelig actueel. Huxley schetst een wereld waarin alles wat vies en rauw is zoveel mogelijk is weggewerkt. Er is geen pijn, er zijn geen emoties, alles verloopt er gladjes. In Brave new world is de techniek van het buitenbaarmoederlijk creëren van mensen volstrekt normaal. Het past geheel in een samenleving waar alles wat echt en natuurlijk is als smerig en verontrustend wordt beschouwd. Mensen gebruiken er voortdurend soma, een door de staat verstrekte drug die we vandaag de dag het meest met xtc zouden kunnen vergelijken. Echte emoties en gevoelens vormen in deze perfect geordende samenleving een gevaar en dus zijn individualiteit en creativiteit volledig uitgebannen. Ook in de meeste Kantoren vind ik verrassend weinig emoties terug. Men werkt er vooral ‘zakelijk’.

Efficiency en maximaal geluk zijn de doelen van deze totalitaire maatschappij. Belangrijke pijlers zijn een ongebreidelde consumptie en het conditioneren van opvattingen door middel van verfijnde (propaganda)technieken. Hoe realistisch dat laatste in onze eigen samenleving is wordt overtuigend beschreven door Naomi Klein in No-Logo (2000).

George Orwell, 1984. In 1948 geschreven, maar een jaar later verschenen is deze roman een sombere beschrijving van een wereld waarin één centrale macht alles controleert. Big Brother (nu de naam van een voyeuristisch televisieprogramma voor mensen die in de eigen huiskamer te weinig meemaken), de imaginaire leider van De Partij, kijkt overal mee via telescreens en in het Ministery of Truth houdt men zich bezig met het voortdurend herschrijven van de geschiedenis. Zelf nadenken is verboden; conformiteit is allesoverheersend. Er is zelfs een Gedachtenpolitie, die zich bezighoudt met het uitbannen van afwijkende gedachten. Kinderen worden aangemoedigd om afvallige ouders aan te geven. Emoties zijn onwenselijk, daarom is echte liefde en seksualiteit tussen mensen niet toegestaan. In deze samenleving bedient men zich van Newspeak, een vereenvoudigde taal waarin zoveel mogelijk nuances en gevoel zijn weggelaten. Belangrijke woorden daarin zijn nieuw samengestelde woorden, zoals het woord newspeak zelf. Of Ingsoc, wat staat voor English Socialism, de staatsvorm van Oceania, het land waar 1984 zich afspeelt. Newspeak is tegenwoordig heel normaal in Kantoren: denk aan woorden als netwerkdenken, klantverwachting en leerdoel.

Het panopticum is overal

Het panopticum is overal

De samenleving als Panopticum
Michel Foucault (1926-1984) heeft een belangrijk deel van zijn werk gewijd aan disciplinering van de samenleving, een soort disciplinering dat verdacht veel lijkt op de samenlevingen die in Brave new world en 1984 worden beschreven. Een leesbare samenvatting van zijn werk geeft Gibson Burrell (De bijdrage van Michel Foucault, 1989). In Foucault’s belangrijkste werk Surveiller et punir: Naissance de la prison (1975) gebruikt hij het werk van Jeremy Bentham, een filosoof die leefde rond 1800. Bentham beschreef het zogenaamde Panopticum (een ‘alles-observeerder’). Dit is een gebouw, een soort gevangenis, waarin veel mensen met een minimum aan inspanning allemaal tegelijkertijd in de gaten gehouden kunnen worden. Hij tekende in een koepel een centrale observatietoren, met daaromheen galerijen met cellen waarin mensen verblijven. Essentieel voor de werking van het Panopticum is het feit dat de geobserveerden níet kunnen zien of en wanneer en door wie ze geobserveerd worden. Er is geen communicatie, maar zij vóelen zich constant bekeken door een Alziend Oog. Daardoor zullen zij hun gedrag ‘corrigeren’ in de gewenste richting. Het Panopticum is model voor talloze instituten waarin mensen hun gedrag moeten disciplineren, zoals gevangenissen, maar ook inrichtingen, scholen, ziekenhuizen, en ja: zelfs Kantoren. Foucault beschrijft als geschiedenisfilosoof hoe sinds de 17e eeuw de moderne samenleving vooral werd gevormd voor een toenemende disciplinering van het volk. Disciplinering richtte zich eerst op het lichaam, maar later vooral op de geest en de ‘wil’. Orde werd daarbij steeds minder afgedwongen door bruut geweld, maar door subtiele vormen van observatie, correctie, opvoeding en training. Overigens zouden wij de methoden van disciplinering in de vroeg-industriële fabrieken nu niet bepaald ‘subtiel’ noemen.

Al wordt er  geprobeerd de verhoudingen te democratiseren, het woord van de baas klinkt altijd harder  dan de wijsheid van de werknemer.

In de moderne samenleving zijn wij onderworpen aan een super-panopticum. Monitoring en observatie zijn alom tegenwoordig, kwaliteitssystemen onderwerpen elk organisatiegedrag aan controle en het besef dat je ‘bekeken’ wordt is als een geïnternaliseerd panopticum wat wij nu ‘geweten’ noemen, aldus Foucault. De uitgebreide politieke discussies van vandaag over regulering en deregulering zijn in dat licht niet meer en niet minder dan de verandertrajecten in het Panoptisch Superkantoor waarin wij leven en werken.

Het Kantoor als dystopie

In utopieën en dystopieën vinden we een drietal thema’s terug die van belang zijn voor het begrijpen van organisaties en Kantoren.

  1. De neiging, dan wel de noodzaak tot totalitarisme en overheersing van de massa om de samenleving in stand te houden.
  2. De onverenigbaarheid hiervan met individualisme, creativiteit en menselijke emoties en gevoelens. Uniformiteit en conformisme zijn regel.
  3. De werkelijkheid en de moraal wordt gemaakt, veranderd, ondergeschikt gemaakt aan collectieve belangen en aan de meerderheid opgedrongen.

Het kost weinig moeite om deze kenmerken te vertalen naar de praktijk van alledag in een gemiddeld Kantoor. In moderne bureaucratieën is conformiteit nog steeds het devies, wordt maakbaarheid groot geacht, ligt de macht in handen van enkelen en wordt een werkelijkheid gecreëerd die bij nadere beschouwing makkelijk als een ‘constructie’ kan worden ontmaskerd.

1. De neiging tot totalitarisme en overheersing
Het moderne Kantoor is nog steeds een hiërarchie. Inspraak, verplatting en zelfsturing kunnen dit simpele feit niet verbloemen. Veel kritische sociologische beschouwingen op het dominerende karakter van organisaties (vooral uit de naoorlogse decennia) zijn de afgelopen jaren verstomd. De aandacht is verschoven naar vraagstukken op het gebied van globalisering, kostenreductie, informatietechnologie en schaalgrootte; eigenlijk machtsvraagstukken in een andere gedaante. Steeds opnieuw gaat het domweg om de vraag: wie heeft het voor het zeggen? De meeste topmanagers die ik tegenkom zijn geraffineerde bespelers van het politieke spel die hun weg naar de macht feilloos weten te vinden. Door medewerkers wordt hen vaak (heimelijk) kille berekening en harteloos egoïsme verweten. De ‘menselijke’ uitzonderingen ‘uit het goede hout’ worden vaak op handen gedragen.

Kantoren zijn ontworpen om veel macht op kleine plaatsen te concentreren. Beloning, statussymbolen en privileges ondersteunen de piramide. En al wordt er geprobeerd de verhoudingen te democratiseren, het woord van de baas klinkt altijd harder dan de wijsheid van de werknemer. Veranderplannen gaan bijna altijd over het vergroten van conformisme en níet over het vergroten van individualiteit (zie hoofdstuk 30). Rebellen en afvalligen zijn er genoeg, net als in Brave new world en 1984, maar ze delven het onderspit.

Grote bedrijven kunnen met bonuskaarten, gsm-verkeer, streepjescodes en pinbetalingen van dag tot dag vaststellen hoe het met je is en waar je bent. Big Brother is wat dat betreft een feit: het computernetwerk is een virtueel panopticum. En ook de emotieloze samenleving  uit Brave New World lijkt griezelig veel op hoe er in Kantoren wordt samengewerkt. Alles redelijk, alles rustig.

2. Gebrek aan individualiteit en creativiteit
Ons vermógen tot fantaseren is ons vaak afgeleerd, maar ons verlángen niet! Boeken, film en televisie creëren elke dag droomwerelden, soms in de vermomming van ‘echt’, zoals in een soapserie; soms klip en klaar ‘onecht’, zoals in de immens populaire Harry Potter boeken of de Star Wars trilogie. Zolang het fantaseren beperkt blijft tot gelegitimeerde media, is er geen vuiltje aan de lucht. Wie echter in Kantoren zélf spontaan begint te dagdromen, moet uitkijken. De censuur op fantasie is hard, vooral in organisaties. Ik verbaas me steeds weer over deze paradoxale boodschap die we aan Kantoorbewoners geven: enerzijds wordt er geschreeuwd om innovatie, ideeën, missies en visie (zie hoofdstuk 39). Er wordt grof geld betaald voor één idee, voor trendwatchers, voor Mannen (!) Met Visie. Er worden speciale brainstormsessies georganiseerd, ideeënbussen geplaatst, versnellingskamers ingericht. Anderzijds wordt degene zij die spontaan begint te denken, te fantaseren, te verbeelden of te dromen bijna altijd op één of andere manier voor gek versleten: ‘Dat kan niet’, ‘Dat is al geprobeerd’ of ‘Dat is jouw taak niet’.

Je kunnen onderscheiden

Je kunnen onderscheiden

En ja, natuurlijk wordt er in allerlei hei-sessies flink wat afgedroomd en losgepraat. Er worden mooie tekeningen gemaakt op flipover-vellen, die vervolgens een paar weken in de gang hangen. Maar wat gebeurt er met de werknemer die op een willekeurig moment, op een willekeurige plek een écht mooi idee heeft? Een droom krijgt?

Er wordt tegenwoordig veel gepraat over het benutten, ja zelfs het ‘vieren’ van verschillen. Maar hoe vaak worden nieuwe Kantoorbewoners echt geselecteerd op ánders zijn? Aanpassen, matchen en klikken zijn nog steeds de sleutelwoorden (zie hoofdstuk 23). Hoe kan het Kantoor anders een ‘herkenbaar’ profiel hebben? Níet door een smeltkroes van individuen te vormen. Medewerkers worden in Panoptische beoordelingsgesprekken gemeten naar de mate waarin ze voldoen aan de ‘gewenste’ competenties. En dat zijn er per definitie maar een paar.

3. De werkelijkheid wordt bewust gecreëerd
Zoals we eerder zagen (zie hoofdstuk 18) zijn Kantoren verre van rationeel. Ik heb meer dan eens jaarverslagen gezien waarin een ‘rampjaar’ alsnog werd opgepoetst door een ‘bescheiden winst’ en waarin bikkelhard ontslag van mensen werd gelegitimeerd als een ‘gevoelige inkrimping waarbij voor iedereen een passende oplossing is gevonden’. Al die censuur en al die eufemismen maken het leven in organisaties allesbehalve ‘werkelijk’ en ‘reeël’. Ook in Orwell’s 1984 wordt het nieuws ‘gecreëerd’ en wordt de geschiedenis herschreven. Keer op keer. Het is ironisch om te zien hoe ook organisaties de feiten verbuigen om hun imago te verbeteren. Soms zijn de verdraaiingen bijna lachwekkend. Is het niet bizar om op websites van multinationals te zien hoe veel zij ‘geven om de wereld’ terwijl er letterlijk een stortvloed aan bewijzen is over hoe ze de aarde vervuilen, kinderarbeid gebruiken en ons land volzetten met fantasieloze, lelijke Kantoordozen?

Een klant waarmee ik werkte aan een organisatiebreed leertraject sprak gekscherend over het ‘ommartelen’ van medewerkers. Zij had humor en doorzag de onmogelijkheid daarvan. Maar veel managers denken dat het mogelijk, noodzakelijk én legitiem is om zo over mensen te denken. Hun vragen aan mij zijn in meerderheid verzoeken om disciplinering. Daarbij zijn de lijfstraffen vervangen door ‘beloningscomponenten’ en is de ondervraging vervangen door ‘prestatiecontrole’. Als we niet oppassen verliezen we in de druilerige zachtheid van het moderne personeelsmanagement uit het oog dat organisaties nog steeds de ‘stalen kooien’ van Weber zijn en dat trainen van personeel nog steeds makkelijk kan omslaan in disciplinering.

Deze woorden hoorde ik een manager in één toespraak zeggen: implementeren, succesfactoren, verandernoodzaak, backofficegevoel, cultuurinterventie, kruisbestuiving, ervaringsleren, uitrollen, afdelingsoverstijgend, matrixorganisatie, kickoffsessie, inmasseren, klantonvriendelijk, verwachtingsmanagement, personeelsoverschot. Het is dystopisch newspeak genoeg voor mij. In deel IV is het tijd om ons te vermaken, het eens over een hele andere boeg te gooien.

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie