25. Van nature goed

Over sociaal-darwinisme en morele armoede op de werkvloer

Om te kunnen ontsnappen aan de Kantoorlog is een andere opvatting over werk en organisatie nodig. Veranderende wereldbeelden zijn in het verleden soms behoorlijk radicaal geweest. De evolutietheorie heeft onze denkbeelden over het ontstaan van leven totaal gewijzigd. Maar niet alleen als illustratie van een paradigmaverschuiving is deze theorie interessant. Zij is ook bruikbaar als verklaring voor het ontstaan van Kantoorleed.

Van Darwin tot Dawkin

Voordat de evolutietheorie bestond ging men ervan uit dat de schepping er altijd was zoals hij geweest was. Aanwijzingen voor verdwenen soorten – door de vonds van fossielen –  kon men verklaren met  ‘catastrofes’, zoals de zondvloed. En voor het ontstaan van geheel nieuwe soorten had men ook logische verklaringen. Muizen konden bijvoorbeeld ontstaan uit een mengsel van graankorrels met vuil wasgoed.

Het recht van de sterkste
Pas met het werk van Charles Darwin (1809-1882) brak het idee door dat levensvormen zich stap voor stap ontwikkelen, alleen zo langzaam dat deze ontwikkeling in een mensenleven niet waar te nemen valt. Darwin’s evolutietheorie was baanbrekend en is nog steeds van invloed op onze opvattingen over het leven op aarde. Minder bekend is dat de wetenschapper Alfred Russel Wallace, een man uit een lagere sociale klasse dan Darwin, al jaren eerder eveneens een evolutietheorie had ontwikkeld. Darwin heeft diens werk wel een speciale vermelding gegeven, maar gunde liever zichzelf de eer als uitvinder van de evolutietheorie de geschiedenis in te gaan. En zo geschiedde.

Een Amerikaanse aap, een ateles, die dronken was geworden van de jenever, raakte het nooit meer aan, en was dus wijzer dan vele mensen (Darwin).

In zijn beroemde On the origin of species (1859) presenteert hij zijn belangrijkste ideeën. Pikant is dat Darwin, fervent gelovige en kind van de Victoriaanse tijd, daarin nog zwijgt over de afstamming van de mens. Pas in later werk (The descent of man, 1871) introduceert hij de aap als voorouder van mensen, tot grote woede van kerkvorsten.

De evolutietheorie wordt wel de meeste invloedrijke theorie genoemd ná de bijbel. En inderdaad, in het licht van Darwins ideeën wordt het scheppingsverhaal vooral een filosofische metafoor, en het paradijs een sprookjesachtige utopie (zie hoofdstuk 24). Het algemene beeld over het ontstaan van leven ging in ieder geval even drastisch op de schop als het beeld van het heelal in de tijd van Galileï en Copernicus.

De invloed van Darwin’s ontdekkingen dringt ook diep door in de wereld van Kantoorbewoners. In organisaties lijkt het soms veel op een Darwinistische ‘struggle for life’. Een strijd op leven en dood om schaarse bronnen, om macht en invloed, om de gunsten van de klant en om de weg naar de top. Keer op keer laten Kantoorstrategen ons geloven dat het in de huidige economie om ‘overleven’ gaat (zie hoofdstuk 33) en dat alleen ‘de sterksten zullen winnen’.  De evolutiemetafoor wordt gretig gebruikt, en dan vooral in haar oorlogszuchtige betekenis: in het gesprek op Kantoor zijn uitstervende rassen, mutaties en selectie aan de orde van dag. Het is meestal ieder voor zich en het recht van de sterkste.

De biologische berg
Is de oorsprong van de mens een vraag die voor velen met de evolutietheorie min of meer lijkt opgelost, over de bedoeling van de mens woedt als altijd nog een levendig debat. Stephen Jay Gould, één van de beroemdste biologen van deze tijd, stelt nuchtertjes dat de evolutie van het leven op aarde in feite geen enkele bedoeling heeft. Een belangwekkend interview met hem staat in Een schitterend ongeluk (naar de gelijknamige vpro-serie door Wim Kayzer, 1993). Hij zegt dat de loop der geschiedenis eigenlijk contingent is en dus afhangt van allerlei toevallige gebeurtenissen. Als de dinosaurussen niet waren uitgestorven, zouden zij nog steeds heersen over de aarde en zou er geen intelligent leven zijn ontstaan. In de tijd van de dino’s waren de zoogdieren klein en ze kwamen evolutionair gezien niet zoveel vooruit in concurrentie met de grote reptielen. En aangezien dinosaurussen in de 150 miljoen jaar dat ze bestonden geen indrukwekkende intelligentie hebben ontwikkeld, is het onwaarschijnlijk dat ze dat in dit millennium wél zouden hebben gedaan.

Kantoorlog sociaal darwinismeGould vindt dat Darwin meestal geheel verkeerd begrepen wordt. Diens theorie gaat met name over aanpassing van soorten aan de omgeving en natuurlijk selectie. Dat daar tegenwoordig vooral de principes van ‘het recht van de sterkste’ uit gehaald wordt past in een deterministisch wereldbeeld waarin mensen zichzelf als het topje van de biologische berg beschouwen. Niet alleen superieur maar ook nog het eindpunt.

En hoe briljant dat eindpunt is geeft te denken als je beschouwt dat evolutionair gezien de mens nog pas een oogwenk bestaat (er is al drie en een half miljard jaar leven op aarde), maar wél als enige soort het vermogen heeft ontwikkeld om zich niet alleen aan de omgeving aan te passen (zoals alle andere soorten), maar deze omgeving ook volstrekt te domineren. De mens heeft de even unieke als bedenkelijke gave zichzelf te kunnen uitroeien, en de hele schepping erbij. En we zijn al aardig op weg (zie hoofdstuk 33).

Egoïstische genen
In 1976 schreef Richard Dawkins zijn bestseller over een genetische uitleg van Darwin, The selfish gene. Het misleidende effect van deze titel is dat vaak gedacht wordt dat Dawkins wil beweren dat de mens in wezen egoïstisch is. Maar dat is niet wat hij bedoelt. In een reductionistische visie op het darwinisme veronderstelt hij dat de motor van de evolutie het voortplanten van genen is, niet van organismen. Zonder het gen een bewustzijn te willen toedichten, noemt hij het toch ‘zelfzuchtig’ omdat het uitsluitend gericht zou zijn op het zo succesvol mogelijk overdragen van zichzelf. Het ontstaan van variaties en eigenschappen in organismen is in wezen bijzaak. Dieren en mensen zijn een soort voortplantingsmachines: zij zijn er voor de genen en niet andersom. Wie over Dawkins leest komt vaak de oude biologengrap tegen: ‘Een kip is slechts de manier waarop een ei meer eieren maakt’.

Dawkins visie is nogal mistroostig als je op zoek bent naar de bedoeling van het leven. In vele interviews toont hij zich overigens een maatschappelijk geëngageerd en optimistisch mens. Zo fulmineert hij tegen het opdringen van religie door ouders aan kinderen, waarschuwt hij tegen genetische manipulatie en schreef hij een open brief aan Prins Charles die zich in zijn ogen onterecht afzette tegen de verdiensten van de wetenschap. Hij betreurt ook zeer het feit dat moderne sociaal-darwinisten zijn theorieën gebruiken als argument voor hun verdorven opvattingen.

Sociaal-darwinisme
Hoe de gedachten van Darwin door mensen kunnen worden misbruikt laat bij uitstek het sociaal-darwinisme zien: een stroming die eind 19e eeuw ontstond en die zich éénzijdig richtte op het principe van ‘survival of the fittest’. Met dit principe werden sociale (wan)toestanden op wetenschappelijke manier recht gepraat. Het bestaan van klassenverschillen, oorlogen en het domineren van volkeren was een onvermijdelijk – en daarmee te rechtvaardigen – evolutionair oerprincipe. En zo zouden ook verschillen tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ volken kunnen worden verklaard (en gebillijkt), wat gezien de minieme genetische verschillen tussen mensenrassen volkomen onzin is.

Ook deze gedachte is diep doorgedrongen in de organisatierealiteit. Verschillen tussen hogere en lagere klassen zijn er nog heel normaal, ondanks de illusie van gelijkheid (zie hoofdstuk 23) die er gecreëerd wordt. Ik voorzie echter dat er organisaties zullen ontstaan die daadwerkelijk op de principes van gelijkheid en gelijkwaardigheid zijn gebaseerd (zie hoofdstuk 36). Daartoe is het nodig om minder in termen van ‘hoger’ en ‘beter’ te denken. De mens ís niet het eindpunt van de evolutie. Hoewel Darwin betrapt is op racistische uitspraken, was het in zijn tijd vrij normaal om de blanke mens als kroon op de schepping te zien. Ironisch is dat Darwin niets wist van het bestaan van chromosomen, Mendels erfelijkheidswetten en het door mensen ingrijpen in het natuurlijke selectieproces. Maar tegenwoordig weten we beter.

De vooraanstaande plaats van rivaliteit in het evolutiedenken kenmerkt ook het leven op kantoor: er is te weinig plaats voor zorg, mededogen en troost.

De neef van Darwin, Sir Francis Galton, was de grondlegger van de Eugenics Movement. De doelstelling van deze wetenschap is het verbeteren van de menselijke soort, zeg maar zoals wij in het Westland onze tomaten tot ongekende proporties hebben opgeblazen. Dat dit niet zo’n lollige gedachte is, bewijzen overigens gruwelijke experimenten hiermee in communistisch Rusland en nazi-Duitsland. De ontwikkeling van een Arisch ras werd in eugenics als een biologische noodzaak gezien. De vergelijking is misschien ongepast, maar de ‘verbeterslagen’ die we in veel organisaties zien en de golven van onnatuurlijke selectie (‘preventief ruimen’ volgens Jaap Peters en Judith Pouw, 2005) hebben wel eens verdacht veel weg van rassenverbetering. De monocultuur die in Kantoren nagestreefd wordt (zie hoofdstuk 14) brengt echter dezelfde smakeloosheid met zich mee die de Nederlandse tomaat tegenwoordig heeft. Daarom zal er in de toekomst echt werk gemaakt moeten worden van diversiteit in organisaties.

Van nature goed?

De ontwikkelingsgeschiedenis van dieren en mensen kan ook van een hele andere kant worden belicht. Frans de Waal ging op zoek naar de evolutionaire wortels van moraal, geweten en altruïsme, en de betekenis hiervan voor het overleven van de soort.

Het schuldgevoel van apen
Frans de Waal, Nederlander van geboorte, is professor aan de Emory University in Atlanta. In zijn bekende Van nature goed (1997) onderzoekt hij onder meer sociale intelligentie bij primaten en komt met schitterende voorbeelden over verzoeningsgedrag bij apen, troost en hulp bij walvissen, rouwverwerking bij olifanten, schuldgevoel bij honden en een moreel geweten bij onze meest directe voorouders: de primaten. Ontroerend zijn voorbeelden van gehandicapte dieren die ondanks hun ongeschiktheid tot overleven tóch volwassen konden worden. Het sociaal systeem bij verschillende diersoorten toont zich tolerant en hulpvaardig ten opzichte van zwakkeren, in weerwil van de strikt darwinistische opvattingen.

Overigens hoeven we de dierenwereld heus niet te disneyficeren: zó romantisch is de keiharde afstraffing die je te beurt valt wanneer je als aap of wolf de regels overtreedt nou ook weer niet. Maar duidelijk is het wél, en dát is iets dat in de meeste Kantoren ontbreekt. Duidelijkheid. De Waal vindt het tijd worden om de ethiek uit handen te nemen van de filosofen en haar te biologiseren. Ook hij vindt dat Darwins principe van ‘survival of the fittest’ te vaak wordt gebruikt als rechtvaardiging voor ongemeen harde competitie tussen mensen.

Het zoeken naar moraal bij mensen en dieren is een ethisch mijnenveld. In zekere zin kan De Waal als een vertegenwoordiger van de sociobiologie worden gezien, de wetenschap die zoekt naar evolutionaire verklaringen voor gedrag van dieren en dus ook mensen. De sociobiologie, zo genoemd door Edward Osborne Wilson in 1975, heeft zich vaak moeten verdedigen tegen verdachtmakingen als zou zij in feite een nieuw soort sociaal-darwinisme zijn. Vandaar dat deze wetenschappers zich ook graag ‘gedragsecologen’ noemen. Hoe het ook zij, over de relatie tussen evolutie en moraal zijn de meningen sterk verdeeld. De Waal zet zich af tegen mensen als Dawkins en Gould. Deze laatste huldigt de opvatting dat de natuur in principe géén moraal heeft. Dat mensen toch moraal hebben ontwikkeld komt omdat we anders elkaar simpelweg zouden uitmoorden. Bovendien is de ontwikkeling van moraal nu eenmaal een onontkoombaar bijproduct van ons bewustzijn.

Na lezing van Van nature goed ben je er aardig van overtuigd dat typisch ‘menselijke’ eigenschappen misschien niet zo uniek zijn. Het maakt enerzijds bescheiden, maar nodigt ook uit om ons vernuft in te zetten voor wat ‘goed’ is voor de schepping.

Morele armoede op de werkvloer
De Waal bepleit respect voor de natuur in al haar wreedheid én goedheid. Hij toont zich bezorgd over een mensheid die zichzelf boven alles verheft. Hij ziet de overeenkomsten in morele ontwikkeling tussen mensen en apen, maar níet in het nemen van verantwoordelijkheid! Dat doet denken aan de ideeën van Stephen Jay Gould, die stelt dat intelligentie misschien dan wel toeval is, maar nu mensen het tóch hebben kunnen ze maar beter verantwoordelijkheid nemen voor de schepping. Dat is wel het minste wat we kunnen doen sinds Darwin deze schepping voorgoed uit handen van Onze Lieve Heer heeft genomen.

Met weinig fantasie kunnen we de schaduwzijden van de menselijke soort voor de geest halen. En wie verbeeldingskracht mist, kijkt in de krant of zet de televisie aan. De Kantoorlog echter, woedt vaak in stilte, is verstopt onder hrm-procedures en wordt gemaskeerd door economische praatjes. Wantoestanden kwamen in de vorige eeuw nog voor, en anders in ‘sweatshops’ in lagelonenlanden. Hier zogezegd niet.

Maar de slachtoffers weten anders. Zij hebben meegemaakt dat er op Kantoor wel degelijk een vorm van sociaal-darwinisme heerst en dat het er heus survival of the fittest is. En ja, er was na de jaren zestig in veel organisaties een gezapigheid en luiheid ontstaan die niet meer kon worden meegenomen naar de jaren tachtig. En tot aan vandaag worden er grote bedrijven, instellingen en organisaties verbaasd wakker in een wereld die veel harder en dreigender is dan vroeger. Dus opschudden, doorkammen en bezuinigen is vaak nodig en goed geweest. Maar we zijn de maat een beetje kwijt. In veel Kantoren is er geen enkele ruimte meer voor mededogen, zorgzaamheid, troost en luieren. De strijd om het bestaan is té hard geworden en de verschraling van de ‘habitat’ heeft nu ook de vitaliteit van de overlevers aangetast. De Waal toont aan dat de noodzaak van opoffering, toewijding en barmhartigheid in sociale systemen even wezenlijk is als hiërarchie, regelhandhaving en competitie. Door Kantoren steeds meer te modelleren naar het beeld van de ‘selfish gene’ maken we er inderdaad een ‘warzone’ van die vele slachtoffers eist. Ik denk daarom dat er meer ethisch bewustzijn in organisaties nodig is (zie hoofdstuk 34).

Wat ons menselijk maakt is wellicht dat we kaal zijn en op twee benen lopen, zoals Plato beweerde: maar wel ‘met brede nagels’, nadat Diogenes hem spottend een kaalgeplukte kip presenteerde als Plato’s Mens. Verder is de scheidslijn tussen mens en dier soms akelig dun. Niet alleen hebben dieren moreel besef, gevoelens van affectie, afkeer en angst, het vermogen tot het afstemmen van gedrag op verwachtingen, sociale status en schuldgevoel. Omgekeerd kunnen mensen maar wát makkelijk hun menselijkheid vergeten en zich als ‘beesten’ gaan gedragen.

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie