28. Unidentified Flying Office

Over de scheppende kracht van het verlangen naar een andere wereld

Het woord paranormaal verraadt een machtsstrijd in ons denken. Para betekent ‘naast’. Er is blijkbaar in onze taal een woord om een denkwereld aan te duiden die niet normaal is, die er naast zit. Toch zijn er heel veel mensen overtuigd van het bestaan van verschijnselen die we niet kunnen zien en die we niet kunnen bewijzen. Daarbij wordt er vaak naar de Hemel gekeken. Christenen, astrologen en ufologen: ze kijken allen verlangend naar boven.

Verlangen naar een andere wereld

De fascinatie voor het paranormale is enorm en dat wordt keer op keer in onderzoek aangetoond. Messer en Griggs (1989) ondervroegen studenten en vonden dat 99 procent van hen gelooft in minimaal één van de volgende verschijnselen: channeling, helderziendheid, telepathie, psychische operaties, healing, psychokinese, uittredingen, levitaties, de Bermuda Driehoek, ufo’s, bewustzijn van planten, aura’s en geesten. Een onderzoek uit 1968 van Michel Gauquelin is beroemd: een groep mensen kreeg dezelfde horoscoop aangeboden. De onderzoeker vroeg in hoeverre men zich erin herkende. Ongeveer 90 procent gaf aan dat de hororscoop erg raak was, zonder uiteraard te weten dat deze horoscoop was opgesteld op basis van de gegevens van een seriemoordenaar (Rudolf Smit, Geloof in astrologie, 1991).

Ik wil hier stilstaan bij het gegeven dat er door zoveel mensen betekenis wordt gehecht aan werelden, verschijnselen, ervaringen en gevoelens waar in de dagelijkse praktijk op Kantoor nauwelijks iets mee gedaan wordt. De inspiratie, de spiritualiteit, het geloof of het bijgeloof dat in het eigen leven zoveel zin geeft wordt onder het mom van ‘zakelijkheid’ uit de wereld van organisaties gelaten. Het moet Kantoorbewoners in een vreemde spagaat brengen. Toch kan ook de ‘zakelijke’ wereld geheel opgaan in iets wat later als volstrekte flauwekul te boek komt te staan. Ik zal ingaan op één van de meest opmerkelijke verschijnselen die ooit serieus de voorpagina’s haalden: vliegende schotels.

Ufo’s in Roswell en Area 51
Vandaag hoor je er niet veel meer over, maar er is een tijd geweest dat ufo’s (Unidentified Flying Objects) een geliefd onderwerp waren in de media. De meest recente opleving van het geloof in bezoek van buitenaardse wezens is het – inmiddels grotendeels opgeloste – raadsel van de graancirkels. De media-aandacht voor dit fenomeen maakt evenwel duidelijk dat de fascinatie voor het buitenaardse onverminderd groot blijft.

Het gaat niet allene om de vraag of ufo’s werkelijk bestaan. Het gaat  ook om de ervaring dat we ze werkelijk kunnen bedenken.

De eerste golf van ufo-waarnemingen dateert van kort na de Tweede Wereldoorlog. In de tijd daarna waren er regelmatig mensen die beweerden een vliegende schotel te hebben gezien. Een van de merkwaardigste geschiedenissen in z’n soort is het zogenaamde Roswell incident. In juli 1947 worden in dit plaatsje in Nieuw Mexico – zo wil het verhaal – de wrakstukken geborgen van een neergestort ruimteschip, compleet met inzittenden. Er zou zelfs één overlevende zijn. Al gauw ontstaan er wilde geruchten en blijken er vele ‘getuigen’ te zijn. Ook majoor Marcel van de plaatselijke luchtmachtbasis, blijkt een ‘gelover’. ufo-onderzoeker Stanton Friedman zal bijna 30 jaar later, na een toevallige ontmoeting met majoor Marcel de hele boel weer oprakelen en schrijft er met Bill Moore een boek over (The Roswell incident, 1980). In de ufo-wereld blijkt de mythe over Roswell onuitroeibaar, ondanks het feit dat geen enkel hard bewijs bij nadere beschouwing overeind blijft staan. Vooral niet na het onderzoek van Kal Korff (The Roswell UFO crash, 1997). Hij ontrafelt elk zogenaamd bewijs en kraakt alle getuigenissen om aan te tonen dat het ‘mysterie’ niet meer is dan een opgeblazen verhaal van een neergestorte weerballon. Maar wel een verhaal dat in de enthousiaste geesten van ufo-gelovers decennia lang als proeve van buitenaards bezoek mocht gelden.

Geregeld waargenomen

Geregeld waargenomen

Grimmig aan het verhaal is de samenzweringstheorie die eraan is ontsproten. Juist omdat zóveel onzeker en onduidelijk bleef, ontstond er een voedingsbodem voor speculaties. Zo zou de Amerikaanse overheid de boel in de doofpot gestopt hebben, en zouden ze zich allang de superieure ufo-technologie eigen hebben gemaakt. Er zou zelfs een wereldwijde geheime regering zijn met de naam MJ-12, die contact heeft met ruimtewezens, zowel goede (blonde Nordics) als kwade (langneuzige Greys). Er zouden mensen worden uitgeleverd voor experimenten en geheime scenario’s zijn om de overbevolking op te lossen. En het ‘Star Wars’ project van Ronald Reagan was natuurlijk níet bedoeld om bommen van de Sovjets uit te schakelen, maar om aanvallen van ruimteschepen af te weren. Marcel Hulspas noemt deze fantasten de ufo-fascisten, en wijst op het antisemitische karakter van hun complottheorieën (De UFO-fascisten, 1995). Hij rapporteert in hetzelfde blad (Skepter) in 1998 over Area 51, de supergeheime (dus legendarische) Amerikaanse militaire basis in Nevada, waar niet alleen restanten van ufo’s zouden liggen, maar waar bovendien geëxperimenteerd wordt met een zwaartekrachtbrandstof Element 115. De geheime basis wordt thans omringd door ufo-watchers, die af en toe samenkomen in het café Little A-Le-Inn.

Of het nou fictie of feit is; er zal nog veel over geschreven worden. Wat ik fascinerend vind, is dat deze voorbeelden weer duidelijk maken dat je als enthousiast mens vaak gaat zien wat je wilt geloven. Medewerkers in Kantoren fantaseren er, aangevoerd door managers en geholpen door adviseurs, ook wat op los. Ze willen geloven dat efficiency het hoogste goed is en dat het nodig is dat belangrijke mensen in een pak lopen. Ze willen geloven in ‘groter is beter’ en ‘meten is weten’. Ze willen ook geloven in de ‘urgentie’ van veranderen en de ‘noodzaak’ tot continuïteit van het Kantoor. In veel trainingen, workshops en intervisiesessies heb ik moeiteloos kunnen aantonen dat de meeste van deze vanzelfsprekendheden nergens op berusten. Het zijn eigen werkelijkscreaties en gedachtespinsels die niet méér of minder geloofwaardig zijn dan het bestaan van ufo’s.

Waren de Goden Kosmonauten?
In 1969 publiceert Erich von Däniken zijn Erinnerungen an die Zukunft. Bij ons bekend onder de veelzeggende titel Waren de goden kosmonauten? Een bestseller van een Zwitser die met talloze voorbeelden aantoont dat er in de geschiedenis van de aarde absoluut intensief contact moet zijn geweest met buitenaardse wezens. In een stortvloed aan voorbeelden en argumenten neemt Von Däniken je mee in zijn semi-wetenschappelijke betoog en inderdaad: het klinkt bijzonder overtuigend. Hij vertelt over mysterieuze lijnpatronen van duizenden kilometers omvang op de vlakten in Peru. Over zeer oude landkaarten die alleen getekend konden zijn vanuit hoog boven de aarde. Over kalenders van de Inca’s, zichtlijnen in de piramide van Cheops en grottekeningen in Tibet van mensen met helmen. Zonder moeite herinterpreteert hij oude verhalen en geschiedschrijving tot lezingen over interstellaire contacten. Wie kritisch naar zijn verhaal kijkt valt op dat zijn krachtigste argument steeds weer is: er zijn té veel raadsels die we met gangbare kennis niet kunnen verklaren! Wat je ook van zijn ideeën kunt vinden, ze zijn in ieder geval bijzonder innovatief (zie hoofdstuk 39) en gedurfd, en dat is iets wat op Kantoren welkom zou zijn.

Waarom komen de kosmonauten niet terug – mag men zich met recht afvragen – om ook in onze tijd een duidelijk getuigenis af te leggen van hun bestaan? (Coll)

Uiteraard bleef zijn visie niet onopgemerkt bij de critici. Een voorbeeld is Pieter Coll die al in 1971 komt met zijn Geschäfte mit der Phantasie (Hebben zij gelijk? Aanval op Von Däniken e.a.). Wie eerst verbluft was over de nauwkeurigheid van het bewijs voor ruimtevaarders, staat nu wederom paf over de precieze ontleding van de redenaties van Von Däniken (en imitatoren). Stap voor stap laat Coll zien dat de ‘raadsels’ van Von Däniken vaak eenvoudige en logische verklaringen hebben en dat veel van het zogenaamde bewijs in feite bestaat uit onwetenschappelijke interpretaties, speculaties en zelfs vervalsingen. Coll schept er duidelijk genoegen in om Von Däniken te torpederen. Zijn schrijfstijl is een mengsel van ergernis en triomf. Hij laat geen spaan van hem heel. Einde van een illusie? Nee hoor! Von Däniken publiceert onverdroten verder. Er zijn tientallen miljoenen exemplaren van zijn boeken in bijna 30 talen verkocht. Hij hield duizenden lezingen, ontving onderscheidingen, eredoctoraten en werkte mee aan televisieseries. In 2003 opende hij een amusementspark in Interlaken met de naam Mystery Park, gebouwd rondom ‘de raadselen van de aarde’. Wie het laatst lacht, lacht het best moet hij wel denken.

Feit of fictie maakt geen verschil

Het is té gemakkelijk om deze geschiedenissen als kinderachtige anekdotes terzijde te schuiven. Aan de mogelijkheid van buitenaards leven wordt door bijna geen wetenschapper meer getwijfeld. Wat ik interessant vind is dat Von Däniken actief op zoek is gegaan naar het verklaren van allerlei verschijnselen búiten de gevestigde orde om. Ik ken zijn motieven verder niet – hij schijnt in zijn jonge jaren tot gevangenisstraf veroordeeld geweest te zijn wegens fraude  – maar hij deed in ieder geval niet ‘meer van hetzelfde’. En zijn onderzoek appelleert aan het gevoel van miljoenen mensen die vagelijk menen dat er ‘ergens’ nog meer is. Precies zo’n gevoel als de vele medewerkers hebben die dagelijks naar hun Kantoor sjokken om daar meer van hetzelfde te gaan doen.

Hebben zij gelijk?
Veel mensen geloven in horoscopen, ondanks het feit dat wetenschappelijk onderzoek steeds aantoont dat horoscopen niet veel méér voorspellen dan kansberekening (zie vooral het werk van Geoffrey Dean). De verhalen over vliegende schotels zijn opwindend, maar zijn niet met zekerheid te ‘bevestigen’. We kennen de verhalen van de oude, versleten oma die blij is te mogen sterven. Omdat zij er van overtuigd is naar de Hemel te gaan. Wat ons letterlijk en figuurlijk boven het hoofd hangt, is soms angstaanjagend en soms inspirerend. We kunnen ons daarin met wetenschap verdiepen, maar dat is volgens mij niet zo interessant. Daarom vind ik de titel van het werk van Pieter Coll veelzeggend: Hebben zij gelijk? Het is typisch een vraag die past bij de westerse wetenschappelijke methode. Een vraag die volledig voorbij gaat aan de mogelijkheid van een andere wereld. Door alles wat niet ‘keihard’ is, als onzin af te doen gaat er veel inspiratie, creativiteit en ‘mogelijkheid’ verloren.

Snelweg bij Area-51

Snelweg bij Area-51

In 1995 publiceert Rupert Sheldrake Seven experiments that could change the world. Hierin schetst hij in detail een aantal mogelijke onderzoeken die makkelijk en goedkoop zouden kunnen worden uitgevoerd om zijn theorieën te ‘bewijzen’ (zie hoofdstuk 20). Uiteraard is er erg veel kritiek op deze voorstellen gekomen. De experimenten zouden onwetenschappelijk zijn en niets kunnen bewijzen. Sheldrake begaat omgekeerd dezelfde fout als Coll. Hij probeert in de taal van de gevestigde orde iets hard te maken wat per definitie een ‘para-normale’ theorie is. Het heeft geen zin om een opvatting, die radicaal afwijkt van de gevestigde orde, te willen bewijzen met instrumenten ván die gevestigde orde. Dat is hetzelfde als de schoonheid van een schilderij van Vermeer gaan uitdrukken binnen de iso-systematiek.

Terreur van het normale denken
Zolang mensen van het paranormale slag zich vredig in huiskamers en op privé-congresjes met hun buitenzintuigelijke belevenissen bezig houden, is er niks aan de hand. We vinden het zelfs vermakelijk in namiddagse theeleut-televisie. Maar als zij zich gaan mengen in het echte leven van ‘normale’ mensen, dan komt er strijd. Als ze hun ‘idiote’ theorieën willen ‘bewijzen’ kunnen deze ‘zwevers’ de aanval verwachten, tot de rechter aan toe als het moet, zoals de Jomanda-Millecam affaire aantoont.

Om hun ideeën tóch met de ‘normale’ wereld te kunnen delen, maken ze gebruik van de taal van de wetenschap, voeren ze bewijzen aan en stellen logische redenaties op. Eén van de meest door hen gebruikte trucs is daarbij het ongelijk of het tekort van de huidige wetenschap aantonen. Ze stellen dus vragen waarop de gevestigde wetenschap nu géén antwoord weet, of ze vallen verklaringen aan die eigenlijk niet bevredigend zijn. Zij blijven echter een makkelijke prooi voor de kracht van de wetenschappelijke bewijsvoering. Het is voorspelbaar dat zij door sceptici overtuigend onderuit gehaald worden, maar dat is niet het punt. Het punt is dat zij in staat zijn geweest om met denkkracht en gevoel uit de huidige werkelijkheid te stappen en serieus de mogelijkheid te onderzoeken van een volstrekt ándere werkelijkheid. Ze vertrekken vanuit de overtuiging dát er UFO’s bestaan, dát planeten de levensloop beïnvloeden en zijn misschien naïef of romantisch maar zéér zeker óók in staat ‘uit-de-box’ te denken. En dat is nodig, want méér van hetzelfde werkt niet meer. In Kantoren zien we dat elke dag opnieuw. Daar wordt alweer veranderd en nóg een nieuwe structuur uitgedokterd. Maar medewerkers raken gewoon méér vervreemd en inspiratie is steeds verder te zoeken, ondanks de pogingen om Kantoren opnieuw te ‘bezielen’.

Intuïtief Management en Emotionele Intelligentie zijn hypes, maar zeer zeker ook indicaties voor de behoefte aan een echt andere manier van organiseren. Managers gebruiken tegenwoordig woorden als visie en bezieling, waarschijnlijk zonder te beseffen hoe dicht deze begrippen semantisch én inhoudelijk aanliggen tegen meer esoterische begrippen als visioen en ziel. We kennen legendarische verhalen van leiders die tot grote daden zijn gekomen door een visioen of bezieling. Mozes kreeg adviezen op de berg Sinaï en Marten Luther King had een droom. Volkeren hebben zich door de eeuwen heen op dit soort inspiratie gericht (let op ‘spirit’ in dit woord). Maar niks van dit alles op Kantoor. In de organisatie van nu is het een dooie, ontzielde boel. Computers zoemen er hun digitale preken en beleidsnotities zijn er de moderne Schriften. Maar er is een kracht die niet valt weg te organiseren, en dat is het buikgevoel van mensen. Dat zegt dat er iets niet klopt in al die gebouwen. Dat we mensen teveel behandelen als machines en dat organisaties het leven in de weg staan. Dit buikgevoel moet aangesproken worden, door emoties en intuïtie toe te staan, door over aspiraties en inspiratie te praten en door eerlijke confrontaties aan te gaan. Dat is geen overbodige luxe en ook geen navelstaarderij. Dat is broodnodig.

Stop de Kantoorlog!
Tegenwoordig hebben onderzoek en ruimtevaart de speculaties over buitenaards leven getemperd. Meldingen over ufo’s zijn er nauwelijks nog en cnn heeft de ‘War of the worlds’. Dat incident liet zien hoe realistisch fantasie kan worden. Het volgende bericht stond op 31 oktober 1938 op de voorpagina van de New York Times:

‘Radio Listeners in Panic, Taking War Drama as Fact: A wave of mass hysteria seized thousands of radio listeners throughout the nation between 3:15 and 9:30 o’clock last night when a broadcast of a dramatization of H.G. Well’s fantasy “The War of the Worlds” led thousands to believe that an interplanetary conflict had started with invading Martians spreading wide death and destruction in New Jersey and New York. The broadcast, which disrupted households, interrupted religeous services, created traffic jams and clogged communication systems was made by Orson Welles.’

Het oorlogsdrama wordt als ‘feit’ aangenomen, en creëert aldus échte paniek en écht gedrag. We kunnen werkelijkheden scheppen die méér dan fictieve gevolgen hebben. Wat Kantoren betreft, is mijn vraag deze: naar welk radiohoorspel luisteren de bestuurders van grote organisaties, waardoor we nu met al die échte gevolgen zitten op onze mooie kleine aarde? Het is tijd voor een radicale verandering. Het Kantoor moet tegen de vlakte. Werken vanuit een écht andere werkelijkheid.

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie