31. Angst voor het alternatief

Over het zoeken naar andere mogelijkheden … die er al zijn

Het woord alternatief komt van het Latijnse alter en betekent zoiets als ‘de andere mogelijkheid’. In ons dagelijks spraakgebruik wordt het ook wel gebruikt om te verwijzen naar het ‘minder gangbare’ of ‘de minderheid’. Managers proberen in peperdure workshops aan hun paradigma te ontsnappen om zich, gesterkt met nieuwe oplossingen weer op het strijdtoneel te begeven. Terwijl er op zoveel terreinen allang fantastische experimenten worden gedaan. Het onderwijs en de gezondheidszorg bijvoorbeeld.

Het alternatief: angst en aantrekking

Als er over ‘alternatief’ wordt gesproken, is dat niet zelden met een laatdunkende toon. Alternatievelingen zijn onaangepaste of dromerige idealisten, geitenwollensokkentypes en spinnewielfanaten die het liefst onbespoten en veganistisch dineren, veel mediteren en wars zijn van mode (want tóch blootlopers). De generalisaties zijn niet van de lucht … en niet geheel onbegrijpelijk. Het alternatieve wereldje (let op het verkleinwoord) komt voor ‘buitenstaanders’ (interessant om te zien hoe snel er wij-zij denken ontstaat) soms over als één pot nat. Een minikosmos (typisch alternatief woord) met eigen merken (Demeter, Akwarius, Ecover), eigen media (Bres, Koorddanser, Ode) en een geheel eigen taal. Maar wie zich even door de woordenmuur van spiritualiteit, innerlijk bewustzijn, healing en transcendente meditatie heen werkt ontdekt tot zijn verrassing dat de andere mogelijkheid, waar zo velen naar zoeken er al lang is.

Alternatieve gezondheidszorg
De successen van de geneeskunde zijn spectaculair. In pakweg een eeuw tijd lijkt de mens maakbaar geworden en kunnen we snijden, manipuleren en herstellen alsof het niets is. De zegetocht van wetenschap en techniek is grandioos, en toch … zijn er grenzen in zicht. Er ontstaan surrealistische debatten over de ‘kwaliteit van leven’ en over ‘kosten van gezondheid’. Leven en gezondheid zijn meetbaar geworden en daarmee uit te drukken in geld. En hoeveel ziekte en leed we ook kunnen wegtoveren, mensen gaan nog steeds dood. Het is dan ook niet voor niets dat er óndanks de medische triomfen een enorme wereld van alternatieve geneeskunde is. En ook in díe wereld worden successen geboekt. Ook dáár vinden mensen genezing.

Wat eigenlijk veel interessanter is, is niet de verschijning van een alternatief, maar de afwijzing daarvan door de heersende opvattingen.

Wat echter opvalt in de gezondheidszorg is dat er zo gemakkelijk gesproken wordt over ‘reguliere’ geneeskunde tegenóver alternatieve geneeskunde. Er is een enorm statusverschil tussen het gangbare en het niet gangbare. De kloof tussen deze werelden is gigantisch. De dominante, gangbare geneeskunde wil vaak niets weten van de alternatieven en ook omgekeerd wordt er geworsteld: aanhaken bij of afzetten tegen. Er is een systeem ontstaan waarbij het succes van de geneeskunde zichzelf versterkt. Voor een groot deel is dit een financieel systeem, waarbij gemeenschapsgeld en commerciële sponsoring het bestaande bestel in stand houden en in zichzelf doet keren. Slechts hier en daar lukt het een alternatief om tot de dominante structuur door te dringen. Met name via verzekeraars konden bijvoorbeeld acupunctuur en homeopathie zich een plek verwerven, domweg omdat er geld aan te verdienen valt. Het publiek wil er wel voor betalen en de inspecties redeneren vooral in de ‘als het maar niet schaadt’-modus. Het is duidelijk dat de alternatieve gezondheidszorg een gat vult dat de reguliere zorg laat vallen.

Toen onderwijs nog gewoon was

Toen onderwijs nog gewoon was

Een dominant verschil tussen de alternatieve gezondheidszorg en de reguliere geneeskunde is dat de mens meer wordt gezien als één geheel (zie hoofdstuk 35). Hij is geen machine waaraan gesleuteld moet worden, maar een systeem in (of uit) balans, waarin lichaam én geest in samenhang benaderd worden. Veel alternatieve geneeswijzen werken aan het herstellen van balans, waarbij het lichaam zélf als motor van genezing wordt gezien. Een zelforganiserend systeem dus. Daarbij moet er échte en subtiele aandacht aan elk individu afzonderlijk worden gegeven. En als er íets is waar de reguliere gezondheidszorg tekort aan heeft dan is het wel echte aandacht voor mensen.

Alternatieve geneeswijzen trekken door hun soms exotische vorm veel aandacht. Niet zelden leidt dat tot schamper en spot. Maar wat eigenlijk veel interessanter is, is niet de verschijning van het alternatief, maar de afwijzing daarvan door de heersende opvattingen. Die gaat verder dan de angst voor het onbekende. Daarachter schuilt een werkelijke afkeer voor alles wat de eigen opvattingen aan het wankelen zou kunnen brengen. Bovendien wordt er in de alternatieve circuits veelal minder streng wetenschappelijk gedacht in bewijsbare oorzaak-gevolgrelaties. Iets werkt omdat het werkt en omdat het al eeuwen zo werkt of omdat het filosofisch en spiritueel nou eenmaal zo is uitgedacht. En dat is een pragmatisch optimisme waar veel wetenschappers niet goed van worden.

Alternatief onderwijs

Een vergelijkbare situatie doet zich voor in het onderwijs. Ook hier is er een dominante zienswijze ontstaan die in de loop der jaren sterk veranderd is maar nog steeds op dezelfde principes gebaseerd is. Er is een vooraf bepaald programma, er zijn leerdoelen, er is een sterke nadruk op kennis en cognitie, voortgang wordt getoetst en het lesaanbod is voor alle leerlingen grotendeels gelijk. Enkele alternatieve vormen hebben inmiddels een geaccepteerde status gekregen, zoals Montessori, Dalton en sommige vrije scholen. Kenmerkend voor deze onderwijsvormen is dat er meer wordt afgestemd op de talenten, mogelijkheden en omstandigheden van de individuele leerling. Deze scholen heten officieel het ‘traditionele vernieuwingsonderwijs’. Ze worden gewoon gesubsidieerd en zijn daarmee dus ook gebonden aan de regels van de overheid en onderwijsinspectie.

Ook in de hervorming van het basisonderwijs is er de mogelijkheid om te experimenteren met meer leerlinggericht onderwijs. In de plannen is er bijvoorbeeld geen sprake meer van vakken maar van ‘leergebieden’ en wordt leerlingen veel ruimte geboden om een eigen leerroute te kiezen. Slechts een minderheid van de scholen lijkt echter voor dit scenario te kiezen.

Zouden we iets kunnen bedenken om op die kantoren de menselijke maat weer te hervinden?

Op hogescholen en in het volwassenenonderwijs, zeker in commerciële cursussen en op management gerichte leergangen, wordt al veel meer gewerkt met vraaggestuurd leren. De Hogeschool van Amsterdam heeft ‘leren-te-leren’ de kern van haar onderwijsfilosofie gemaakt en de Universiteit van Maastricht werkt al jaren met ‘probleemgestuurd’ onderwijs: niet gecentreerd rond kennis maar gericht op praktische vraagstukken.

Heel anders is het met Iederwijs: een in Nederland uitgedokterde schoolvorm die radicaal breekt met de heersende normen. Iederwijs is gebaseerd op de gedachte dat kinderen de vrijheid moeten krijgen om te leren wanneer ze er zelf aan toe zijn. Centraal staat de motivatie van het kind, omdat pas dán het echte leren plaats vindt. Kinderen leren immers ook uit zichzelf lopen en praten, dus waarom kunnen ze niet uit zichzelf leren schrijven en rekenen? Als zíj er aan toe zijn. Iederwijs-scholen hebben geen leerkrachten maar ‘begeleiders’, die ondersteunen en in actie komen als de kinderen dat zelf aangeven. Op dit moment wordt het groeiend aantal Iederwijs scholen gedoogd, maar de overheid heeft aangekondigd zich er mee te gaan bemoeien. Er zijn anno 2005 nog maar zeventien Iederwijs scholen, maar er zijn er ongeveer dertig in oprichting. De kamer kan er nu weinig tegen doen, maar VVD en CDA voelen voor een onmiddellijk verbod. Aangezien dat niet kan, wordt er nu gewerkt aan nieuwe wetgeving die privé-scholen verplicht een ‘overheidserkenning’ aan te vragen. Wie de berichtgeving in kranten hierover volgt zal vooral rationele discussie en argumenten tegenkomen. Wat daarin steeds ongezegd blijft is dit: de gevangenen van een dominante denkwijze (zie hoofdstuk 18) zijn doodsbang voor mensen die écht iets anders vinden en die zich daadwerkelijk bevrijden van hun vooroordelen. En dat is altijd al zo geweest.

Een treffend voorbeeld geeft Piet Gerbrandy in zijn essay in De Groene Amsterdammer (Met het nieuwe leren naar het stenen tijdperk, 2005). Hij hekelt de opvattingen, de ‘ideologietjes’ van het Nieuwe Leren. Na de uitgangspunten hiervan ontleedt te hebben noemt hij ze allemaal ‘fantastische flauwekul’. Je kunt zijn hartstocht voor goed onderwijs óók in het essay lezen, maar waarom die ironie en die harteloosheid? Leerlingen scheert hij over één kam, die ‘willen geamuseerd worden en daar een diploma voor krijgen’. De vaderlandse jeugd is ‘algeheel lamlendig’. Hij geeft een overtuigend pleidooi voor degelijk, systematisch, haast klassiek onderwijs, maar ik vraag me af waarom hij zich daarmee zo moet áfzetten tegen de alternatieve zienswijzen. Zou integratie van opvattingen en overbruggen van tegenstellingen niet interessanter zijn?

Lessen van het alternatief

Wie iets weet, kan zijn kennis gebruiken om meer te weten te komen. En wie iets heeft, kan zijn bezit gebruiken om meer te verwerven. Met geld kun je geld maken en macht heeft de neiging zich uit te breiden. Culturen blijken robuust en bestand tegen afwijkingen omdat ze regulatiemechanismen in zich bergen. Een heersende klasse of een dominante opvatting kan in een zichzelf versterkend proces terecht komen. Als dit proces van positieve bekrachtiging sterk genoeg is en lang genoeg duurt is het erg moeilijk om er aan te ontsnappen, zélfs als het systeem negatieve effecten heeft. De gezondheidszorg en het onderwijs zijn van dit soort dominante systemen. Ze houden zichzelf in stand en het merendeel van de vertegenwoordigers ín het systeem kunnen niet voldoende profiteren van de lessen van het Alternatief.

Zo is het ook met Kantoren. Hoewel er uitgebreid geflirt wordt met leuke, nieuwige organisatievormen, en hoewel iedereen elkaar napraat dat er échte verandering nodig is, is er nog steeds een dominante werkelijkheid waaraan geen ontkomen mogelijk lijkt. In de dominante werkelijkheid van de Kantoorlog draait het om de volgende vijf hardnekkige Waarheden.

  1. De organisatie is een afgegrensd geheel: de buitenwereld is in principe vijandig.
  2. Het streven is uiteindelijk gericht op maximalisatie: zelden wordt bewust gericht op optimalisatie.
  3. Taakverdeling is nodig om tot efficiency te komen: een scheiding van denken en doen is daarbij onontkoombaar.
  4. Hiërarchie is de meest effectieve vorm van coördinatie: er moet altijd een machtsverschil blijven bestaan.
  5. Standaardisatie van gedrag en opvattingen is nodig: uniek menselijke verschillen komen hoe dan ook in het gedrang.

Ik zou het mooi vinden als we de huidige malaise in het dominante Kantoorleven zouden gebruiken om opnieuw radicaal te experimenteren. Níet terug naar een herstel van ouderwetse deugden zoals de Duitse Judith Mair voorstelt. En ook niet in de sabotagestand waar de Franse Corinne Maier toe oproept. Maar creatief gebruik maken van de lessen van het alternatief, om te zoeken naar echt Nieuwe Kantoren.

Alternatief for sale

Alternatief for sale

Mens centraal. Waar alternatieve gezondheidszorg en onderwijs laten zien dat het echt kan, daag ik de organisatiekunde uit om ook werkelijk de werknemer centraal te stellen. Dat is makkelijk in kleine, innovatieve, professionele organisaties. Maar hoe kunnen we dat in grote Kantoren voor elkaar krijgen? De halfbakken teamconcepten die je nu veelal ziet voldoen bij lange na nog niet aan deze uitdaging. We kunnen veel leren van de hechte interactie tussen genezer/begeleider en klant in alternatieve geneeskunde en alternatief onderwijs.

Klein en subtiel. Oprechte aandacht, zorgvuldigheid en kleinschaligheid zijn toch wel kenmerken die je meer ziet in de alternatieve gezondheidszorg en onderwijs dan in het gemiddeld Kantoor aan de snelweg. Zouden we iets kunnen verzinnen om, zónder teveel verlies aan efficiency, ook in grote organisaties de menselijke maat te hervinden (zie hoofdstuk 32)? Volgens mij spreken we dan van kwaliteit op een héél ander niveau dan in officiële kwaliteitsmodellen en –systemen zoals INK en ISO. Dat is een kwaliteit waarin zowel klanten als medewerkers weer individuen worden.

In samenhang. Waar de alternatieve gezondheidszorg veel waardering voor verdient, is dat de eenheid van lichaam en geest geen uitzondering maar regel is. En in het alternatieve onderwijs worden talenten veel minder ééndimensionaal opgevat dan uitsluitend verbale en cijfermatige intelligentie. Mensen zijn completer, meer dan een verzameling competenties of een aantal kengetallen. Zou het Kantoren bijvoorbeeld lukken om ‘welbevinden’ op de kaart te zetten? En wat zou er gebeuren als grote organisaties de ontwikkeling van het personeel niet als randvoorwaarde maar als één van de primaire doelstellingen zouden opnemen?

Echte bezieling. Het is makkelijk om lacherig te doen over idealisten die maar wat aanklooien. En hoe hoog het mafkezengehalte in de alternatieve wereld ook mag zijn, je kunt ze zelden verwijten dat ze geen bezielde visie hebben. Mensen in de zogenaamde alternatieve circuits geloven vaak ergens in. Iets waar in Kantoren vaak een ontluisterend gebrek aan is. Ik kom gelukkig steeds meer Kantoorbewoners tegen die het nu hardop zeggen: ‘Het is hier een dooie boel, zonder ziel’. En ja, er wórdt in de meeste organisaties wel met ‘visies’ en met ‘missies’ gewerkt, maar dan bijna altijd vanuit het waanidee dat een handjevol managers voor een paar duizend medewerkers kan verzinnen wat ‘hun’ visie zou moeten zijn. Zo’n opvatting is niet alleen onuitvoerbaar; het is nog gevaarlijk ook.

Als we gezondheid en onderwijs overlaten aan fabrieken dan worden mensen daarin vaak niet beter en vaak ook niet slimmer. Als we werken overlaten aan Kantoren dan worden mensen daarin vaak niet gelukkiger. Er zijn alternatieven die wél werken en dat is goed nieuws. De gezondheidszorg en het onderwijs gingen al een lange weg. Nu arbeidsorganisaties nog. We moeten niet zo bang zijn iets anders te proberen. Wat hebben we in de huidige Kantoorlog nou helemaal te verliezen?

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie