34. Het goede, het schone en het ware

Over het Kantoor als platform voor morele ontwikkeling

Toen de mens zijn verstand kreeg en bewustzijn ontwikkelde, ontstond er een even fortuinlijke als ongelukkige splitsing tussen het zijn en het beschouwen. Mensen kunnen denken over zichzélf en óver het denken, en daarin ligt de basis voor het ontwikkelen van een doordachte opvatting over goed en kwaad, mooi en lelijk, echt en onecht. Maar diezelfde splitsing maakt het ook mogelijk zich van ‘lastige’ ethische vragen af te wenden. En daarmee ligt vervreemding op de loer, precies zoals we nu in Kantoren zien.

Ethiek is van mensen

Er is aangetoond dat dieren welzeker moreel gedrag kunnen vertonen, en dus ‘oordelen’ over goed, mooi en echt (zie hoofdstuk 25), maar om dieren filosofisch te noemen gaat wat ver. Plato was dat zeker wél. Hij maakte in zijn filosofie een onderscheid tussen de vergankelijke, dubbelzinnige en bedrieglijke wereld van het zintuiglijke, en de ‘echte’ realiteit die daar achter ligt. De realiteit is ‘de wereld van de ideeën’, te bereiken en te begrijpen via het verstand. Tegenwoordig zien we een idee juist als iets vergankelijks en subjectiefs, maar voor Plato waren ideeën onveranderlijk en universeel. De filosofie is de toegang tot het Ware. De zintuiglijke wereld levert slechts meningen op, maar geen objectieve waarheid. In de wereld van onveranderlijke ideeën geldt het Goede als de hoogste van alle ideeën. Tegenwoordig noemen wij dat meestal de moraal of de ethiek: opvattingen over wat nastrevenswaardig, geoorloofd en rechtvaardig is. Het woord ‘moraal’ heeft overigens soms een negatieve bijklank. Denk aan moraalridders (ethische betweters), dubbele moraal (meten met twee maten) of moraliseren (opdringen van normen en waarden). We leven in een tijd waarin een grote allergie is ontstaan voor het opgeheven vingertje, ook in Kantoren. Tegelijkertijd is er verwarring (zie hoofdstuk 10). Wat is er nou nog goed, wat is er nog waar?

In Plato’s opvattingen is het goede het ijkpunt van alle ideeën: zoals het zonlicht de dingen zichtbaar maakt, geeft het goede je toegang tot het ware. Het ware en het goede zijn dus ten diepste één. Ook het Schone is daarmee gerelateerd. Werkelijke schoonheid toont zich pas waar het goede zich manifesteert. We zeggen wel eens dat echte schoonheid van binnen zit. Het goede, het schone en het ware zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In dat opzicht is aperte smakeloosheid een teken aan de wand: er is dan hoogstwaarschijnlijk morele armoede.

Gebrek aan ethiek maakt cynisch

De maatschappij, dat ben jij! luidt een slogan waarmee de overheid jongeren probeert aan te sporen tot bewust en verantwoordelijk gedrag. Dezelfde jongeren die elke dag bij het betreden van hun schoolgebouw worden gecontroleerd op wapens. ‘Nederland schoon!’ prijkt op de vuilnisbakken bij de ingang van de supermarkt. Ook al zo’n campagne die burgers braver moet maken, vooral de tientallen zwervers, hangjongeren en toeristen die dagelijks voor de supermarkt zitten te picknicken en een enorme rotzooi achterlaten. Ik heb overigens nog nooit een medewerker van de grootgrutter met een bezem buiten gezien. Blijkbaar houdt voor hen de verantwoordelijkheid voor zwerfvuil op bij het passeren van de verkoper van de daklozenkrant.

Wat in Kantoren te zien is, de onvrede, het klagen en de verontwaardiging is niet van mensen die niets vinden en niet willen. Het komt van mensen die in dat vinden worden ontkend en in dat willen worden tegengewerkt.

Er is een ‘gebrek aan normen en waarden’ zegt de regering, de Christelijke partijen voorop. Ook het ‘negativisme’ wordt gehekeld, door Balkenende in een interview met de Volkskrant (18/05/05), die daarmee eindelijk de tongen eens losmaakt. Hij heeft wel gelijk, denk ik. Er ís veel negativisme. Klagen zit ons in het bloed (zie hoofdstuk 1), het is de ‘tweede natuur van de Nederlander’ (Utrechts Nieuwsblad, 06/04/05 ). Maar het probleem is niet dat er geen normen en waarden zouden zijn.

Als Theo van Gogh wordt doodgestoken laten de massale protesten en stille, dan wel luidruchtige tochten zien dat er behoefte is aan gerechtigheid. In Nederland is een nieuw woord uitgevonden: zinloos geweld. We kunnen dus nog onderscheiden, zinvol van zinloos. Maar er is frustratie; ‘wat kun je doen?’ Het is gemakkelijk om cynisch te worden in onze tijd. We hebben zoveel keuzes en zoveel vrijheden dat we alles drie kanten op kunnen redeneren. Alles is betrekkelijk, ‘hangt ergens van af’ en wordt goedgepraat vanuit begrip, respect, ja zelfs ontzag voor het individu (zie hoofdstuk 10). Er zijn geen kerkvaders, onderwijzers en politici meer die ons overtuigend de weg wijzen. De instituten die traditioneel opvoeding voor hun rekening namen – kerk, school en partij hebben aan belang ingeboet.

Afweging en balans

Afweging en balans

Toch is er hoop, vindt Karen Vintges (De terugkeer van het engagement, 2003)  Zij ziet achter het zogenaamde negativisme een hernieuwd engagement. De moderne mens doet aan ‘ethisch-spirituele zelfcreatie’. Ze bedoelt dat mensen zélf willen kiezen hoe en wanneer ze zich willen verbinden met de wereld en dat hun bijdrage veel meer actiegericht is. Niet meer gebaseerd op doctrines van een ‘instelling’ en ook blijft het niet bij een belijdenis. Liever helpen mensen ergens zichtbaar en direct. Daarbij wordt veel eigen initiatief genomen en bewust gekozen. In het rapport Landelijk Verenigd (Centraal Cultureel Planbureau, 2005) staat te lezen dat engagement is verschoven van traditionele verbanden naar ideële organisaties en vrijwilligerswerk. Het vermeende individualisme in de samenleving en het gevreesde nihilisme wordt door het CPB gerelativeerd.

Filosofische armoede op Kantoor

Deze observaties verbazen mij niet. Wat in Kantoren te zien is, de onvrede, het klagen en de verontwaardiging komt niet van mensen die niets vinden en niets willen. Het komt van mensen die in dat vinden worden ontkend en in dat willen worden tegengewerkt.

In organisaties spelen er wel degelijk ethische vragen, maar ze zijn meestal impliciet (worden niet aan de orde gesteld), onbeantwoord (er is niet goed over nagedacht), vanzelfsprekend (de oorsprong van bepaalde keuzes is in de vergetelheid geraakt) of opgedrongen (de leiding van het bedrijf dicteert de ‘algemene waarden’). Niet het gesprek van de dag maar de waan van de dag is de dagelijkse werkelijkheid op Kantoor. En daarin past geen ‘navelstaarderij’.

Joanna Ciulla (The working life, 2000) noemt organisaties moreel bankroet. In haar boek noemt zij de jaren ’90, met Business Process Redesign, als de tijd van verraad aan de werknemer, en daarmee dus als verraad aan zichzelf denk ik dan. Het contrast tussen economische voorspoed en enorme ontslaggolven in die tijd is inderdaad schokkend. Met de ‘global competition’ als voornaamste argument lieten grote organisaties hun ware gezicht zien, niet zelden in de kaart gespeeld door omvangrijke fusies. En in het kielzog van bedrijven zingen non-profitorganisaties en overheden hun deuntje mee, geholpen door ‘onvermijdelijke’ privatisering. Werknemers zijn meer dan ooit vervangbare productiemiddelen.

Naar een organisatie met geweten

Er is in de moderne organisatie een vreemd misverstand ontstaan: dat economische en juridische argumenten sterker zouden zijn dan spirituele en ethische argumenten. Dat misverstand wordt nu gelukkig langzaam maar zeker ingezien. Daarin ligt een kans voor organisaties om mensen gelukkiger te maken. Kantoren zullen veel meer ethische lading moeten krijgen. Maar hoe?

Esthetisch bewustzijn ontwikkelen: Aangezien smakeloosheid een indicator is voor morele armoede lijkt het logisch dat we meer interesse moeten hebben in schoonheid. Ik zie soms wel eens werkelijk mooie werkomgevingen, en zij hebben een zeer positieve uitwerking op het werkklimaat. De scheidslijn tussen schoonheid en oppervlakkige opsmuk is echter dun. Als een nieuw Kantoor snel verloedert is er vaak al iets mis. Esthetische kwaliteit is meestal duurzaam. Overigens is zij beslist niet alleen uiterlijk en tastbaar. Ook abstracties kunnen ‘esthetisch’ zijn, zoals een harmonieuze structuur, een elegante beslissing, een ritmisch werkproces of een kleurrijk betoog. Kunstzinnigheid (zie hoofdstuk 30) op Kantoor is belangrijk. We moeten niet uitsluitende vragen stellen als: ‘is het effectief?’, of  ‘is het volgens afspraak?’,  maar ook ‘is het mooi?

Als commitment gereduceerd wordt tot werktijd, en vertrouwen tot een contract, dan verliezen deze termen hun morele betekenis en gaat de werkplek moreel failliet

Strategische keuze voor ethiek: In onze ‘samenleving van organisaties’ (hoofdstuk 9) is het Kantoor één van de belangrijkste knooppunten van morele maatschappelijke beïnvloeding, waarmee waarschijnlijk alleen de massamedia kunnen wedijveren. Organisaties hebben de plicht deze macht ten goede aan te wenden. Zij kunnen beginnen door verantwoordelijkheid te nemen voor wat zij aanrichten in de wereld (hoofdstuk 33). Het spreekt voor zich dat de top hierin een belangrijke voorbeeld functie heeft. Dat dat niet zonder risico is ondervond Anita Roddick (Business as unusual, 2001), oprichtster van The Body Shop, die – toen haar verantwoorde onderneming eenmaal een miljardenbedrijf was geworden – een storm van aantijgingen te verwerken kreeg. De principes uit haar bevlogen verhalen zouden in de praktijk met voeten getreden worden. In de ondertitel van haar ‘company biografy’ werd op de paperback versie een jaar later het woord triumph vervangen door jouney. Inmiddels is zij ‘activiste’ in de anti-globaliseringsbeweging.

Opnieuw de waarheid leren spreken: Ik denk dat vraagstukken over ethiek, moraal, zingeving en verantwoordelijkheid eenvoudigweg op de agenda moeten komen. Ook Vikas Anand e.a. (Business as usual, 2004) ziet dit als een van de belangrijkste wapens tegen het ontstaan van corruptie in organisaties. Kantoorbewoners moeten geholpen worden in het ontwikkelen van hun ethisch bewustzijn. De ingredieënten hiervoor zijn: het echt durven onderkennen van problemen, het identificeren van eufemismen (versluierend taalgebruik), het bespreekbaar maken van dilemma’s en het toelaten van kritisch vermogen (zie hoofdstuk 30). In de strijd tegen collectieve rationalisaties (zie hoofdstuk 12) moet er meer waarheid komen. Robert Quinn (De brug bouwen terwijl je er over loopt, 2004) stelt dat we daarbij allereerst onze hypocrisie onder ogen moeten zien: het verschil tussen wat we beweren en wat we doen. En dat kan pijn doen.

Het schone...

Het schone…

Eerst jezelf ontdekken, dan elkaar vinden: Het lijkt simpel en dat is het ook. Ga met mensen in de organisatie gewoon de dialoog aan. Het ontdekken van ‘jezelf’, hoe zweverig dat ook moge klinken, is het belangrijkste wapen tegen morele armoede en vervreemding (zie hoofdstuk 38). Dat gesprek mag niet ontaarden in een strijd over gelijk en ongelijk. Er moet juist openheid ontstaan over waar mensen in geloven. Daar is hulp bij nodig om de weg naar binnen te vinden. Veel mensen weten niet meer goed waar ze voor staan, of durven er niet voor uit te komen. Ik heb echter als adviseur gemerkt dat je met een beetje begeleiding tot bijzonder inspirerende gesprekken kunt komen. Dit vraagt om moed van Kantoorbewoners: in organisaties waar angst regeert (zie hoofdstuk 13) is de drempel wat groter, en moet er vertrouwen worden gewonnen. Managers kunnen daarin rolmodel zijn, vooral door zich kwetsbaar op te stellen. En door te stoppen met liegen. Ze moeten ethische dilemma’s in de organisatie niet uit de weg gaan, maar juist aankaarten. Bespreekbaar maken.

Kritische vragen stellen: Er zijn van de vragen, die worden eigenlijk niet gesteld. Toch zijn ze waardevol, om op een meer fundamenteel niveau na te denken. Dat roept veel weerstand op, want er is haast en resultaatverslaving. Er is veel ongeduld op Kantoor, mensen vinden een presentatie van een kwartier al te lang. Spannende vragen zijn: Heeft deze organisatie eigenlijk wel bestaansrecht? Kan ik mij echt verenigen met de doelen? Moet deze organisatie haar werknemers gelukkig maken? Koopt mijn werkgever met een salaris ook mij? Is maximale winst hetzelfde als optimale winst? Welke waarden zou je voor deze organisatie nooit opgeven? Is het eerlijk dat managers (zoveel) meer verdienen? Heeft iedereen hier gelijke kansen en is dat wenselijk? Het is gemakkelijk om deze vragen vluchtigjes af te doen; een antwoord is immers zó gegeven. Het gaat erom dóór te vragen, te confronteren, naar bínnen te gaan. De weg van oppervlakkigheid naar onverschilligheid is immers maar kort.

Verschil moet er zijn: Ethiek en diversiteit staan van nature op gespannen voet met elkaar. Als iedereen verschillende waarden heeft en iedereen naar eigen inzicht leeft,  zullen organisaties niet ver komen. Diversiteit is tegenwoordig een vanzelfsprekend doel, er worden zelfs diversiteitsmanagers aangesteld op Kantoren. Maar hoe vaak heeft men zich wérkelijk afgevraagd wat een organisatie aan moet met al die diversiteit? De meeste Kantoren zijn nog steeds bastions van eenzijdigheid (zie hoofdstuk 14) en helemaal niet ingericht op het omgaan met diversiteit. Toch zullen organisaties van de toekomst met dit dilemma moeten leren omgaan. Het opdringen van algemene ‘corporate values’, of in ieder geval de, vaak vruchteloze, poging daartoe, is gewoon niet meer van deze tijd. De uitdaging zal worden mensen te verenigen die min of meer uit ‘hetzelfde hout gesneden’ zijn. Wat niet wil zeggen dat ze er exact hetzelfde uitzien. Organisaties moeten netwerken worden van lifetime-commitment in plaats van lifetime-employment (zie hoofdstuk 36), met binding op basis van persoonlijk contact en commitment. Men moet elkaar daar vinden op basis van verstand én gevoel én waarden.

Meer filosofie op Kantoor

Volgens Arnold Cornelis (De vertraagde tijd, 1999) is filosofie in de huidige samenleving onmisbaar. Werkgevers kunnen wat mij betreft daarin het voortouw nemen. We hebben op Kantoor een gesprek nodig over wat mensen drijft, waar mensen gelukkig van worden en wat het juiste is om te doen in deze wereld. Het is mijn overtuiging dat een dergelijk gesprek bij Kantoorbewoners in goede aarde zal vallen. Het zal de onderlinge verbondenheid en de zinvolheid van het Kantoorleven vergroten. Dat betekent dat managers moeten ophouden met te bedenken wat belangrijk is vóór medewerkers, en dat ze daadwerkelijk moeten gaan luisteren. Het betekent dat ze veel meer lef moeten tonen in het innemen van standpunten, moeten stoppen met gekonkel en politieke spelletjes. MBA’s en managementscholen kunnen hierbij een belangrijke rol spelen. Zij moeten mensen afleveren die kunnen nadenken over het Goede, het Schone en het Ware. Het uitzetten van nieuwe managers in het wild die alleen maar kunnen denken in kwaliteitssystemen, cashflow en portfolioanalyses is bijzonder slecht voor het ecosysteem in Kantoren.

Kantoorbewoners willen liever deel uitmaken van een gemeenschap die ergens voor stáát. Waar verbondenheid en waarachtigheid hoog in het vaandel staan. Vrijheid, gelijkheid en broederschap waren de leuzen van de Franse revolutie. Waarom treffen we dergelijke leuzen zo weinig aan in het logo en in slogans van ondernemingen? Dat bedrijven leugens kunnen verkopen, de natuur kunnen verwoesten en werknemers kunnen vervreemden, dat weten we nu wel. Laten ze ook maar eens een ander gezicht tonen.

En dan nog dit: het moge duidelijk zijn dat het optuigen van een ethische code absoluut onvoldoende is. Integendeel: ik denk dat het gevaar van gedragscodes juist is dat het noodzakelijke morele bewustzijn wordt afgekocht. Veilig opgeborgen in de spreekwoordelijke dode letter. Ook het publiceren van hoogdravende missies en belijdenissen helpt niet. Hoe verder ze afstaan van de praktijk – en dat doen ze vaak – hoe meer vervreemding ze in de hand werken.  

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie