39. Innovatie en de lerende organisatie

Over leren te leren en het integreren van werken en leven

Bij een ‘lerende organisatie’ denkt 90 procent van de Kantoorbewoners aan ‘opleiding’. Terwijl opleiding misschien wel een van de minst doeltreffende activiteiten is in het leerproces van mensen in organisaties. Bewust en vooral kennisgericht trainen kan niet op tegen wat mensen allemaal onbewust, onbedoeld en ongevraagd leren op Kantoor. Leren gebeurt, zomaar, spontaan en altijd. Toch zal er in de organisatie van de toekomst veel bewuste aandacht voor leren moeten komen. Leren is wat organisaties zinvol maakt en doet vernieuwen.

Innovatie is de ambitie

Het Nederlandse bedrijfsleven was ooit wereldrecordhouder innovatie, het onderwijs behoorde tot de wereldtop, Nederland was toonaangevend. Dat beeld is de afgelopen decennia drastisch veranderd. Volgens de Kenniseconomie Monitor (Tijd om te kiezen, 2003) van Stichting Nederland Kennisland zijn wij een ‘verbleekte kampioen’. In Europees vergelijkend onderzoek wordt Nederland getypeerd als ‘losing momentum’ (In actie voor innovatie, Ministerie van Economische Zaken, 2003). Ons land glijdt af. En dat terwijl de Europese Top in 2000 in Lissabon de ambitie formuleerde dat de Europese Unie zich binnen tien jaar moet ontwikkelen tot ‘de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld, die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang’. Nederland heeft in het regeerakkoord zichzelf de taak gegeven tot de top van de wereld te horen. Helaas moet Guus Berkhout (Holland Management Review, 2004) melden dat de Lissabon-strategie voor Nederland aan het falen is. Hij is wellicht wat vroeg met zijn conclusies, maar zijn pleidooi voor veel meer ‘grensoverschrijdend’ samenwerken kan ik wel onderschrijven.

De huidige cultuur in Kantoren is er vooral op gericht alles wat afwijkt, vernieuwend is, iets anders verzint en eigengereid is weg te pesten.

In beide rapporten worden veel voorstellen gedaan om een beter innovatieklimaat in Nederland te schetsen, zoals investeren in sleutelonderwijs (ICT) en het oprichten van een ‘innovatieplatform’. Wat er precies verwacht wordt van de organisatiecultuur in Kantoren in ons land blijft wat onderbelicht. Wel schrijven Brinkhorst en van Gennip in hun voorwoord (In actie voor innovatie, 2003) dat medewerkers moeten worden betrokken bij het innovatieproces en dat het typisch Nederlandse ‘Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’ ons zal belemmeren bij het vergroten van innovatie. Bovendien vinden zij dat wij in ons land risicomijdend zijn en te snel willen afrekenen op resultaten (zie hoofdstuk 15). Zij pleiten voor een ‘cultuuromslag’, en ik sluit mij daar van harte bij aan.

Reflectie - organisatie als universiteit

Reflectie – organisatie als universiteit

Creativiteit is de sleutel
Om tot meer innovatie te komen wordt het van belang geacht dat creativiteit in organisaties meer de ruimte krijgt. Hans Strikwerda meldt in 2004 dat de creatieve sector de belangrijkste groeisector is in Nederland: dat zijn de kunsten, maar ook media en entertainment en creatieve zakelijke dienstverlening. De creatieve sector is de motor van de economie, de dienstensector wordt afhankelijk van de output daarvan. Wat ik daar hoopvol in vind is dat (ruimte voor) creativiteit bijna altijd het plezier in werk ten goede komt. De definitie van wat ‘creatieve’ sectoren zijn vind ik echter nogal smal. Ik voel meer voor een bredere definitie zoals Richard Florida (The rise of the creative class, 2002) die hanteert. Zo’n beetje iedereen die niet routinematig werk doet en/of scheppend bezig is en/of de hersens flink gebruikt is in principe ‘creatief’.

Volgens Strikwerda is creativiteit persoonsgebonden, dus niet afhankelijk van een organisatie. Het is voor organisaties de kunst om een klimaat te scheppen waarin mensen met hoge creativiteit zich prettig voelen, danwel deze mensen op een of andere wijze aan zich te binden. De huidige cultuur in Kantoren echter is er vooral op gericht alles wat afwijkt, vernieuwend is, iets ánders verzint en eigengereid is weg te pesten. Daarvan heb ik in mijn adviespraktijk talloze voorbeelden gezien. Organisaties zouden veel meer ruimte moeten dúrven geven aan ‘vrije geesten’ (zie hoofdstuk 30) in een klimaat waar het meer draait om inspiratie en bezieling dan om efficiency en winst. Maar bovenal moeten organisaties omgevingen worden die lerend zijn.

De lerende organisatie

Er is al heel wat geschreven over organisatieleren, maar ik denk dat Argyris en Schön de eer toekomt het begrip definitief op de organisatiekundige kaart gezet te hebben (Organizational learning, 1978). Sindsdien is het creëren van de lerende organisatie regelmatig het streven van managers en adviseurs, waarbij het onderscheid met veranderkunde niet goed te maken is. Léon de Caluwé en Hans Vermaak (Leren veranderen, 1999) noemen in hun kleurentheorie de lerende manier van veranderen simpelweg ‘groen veranderen’. Want groen is wat groeit.

De aandacht voor de lerende organisatie is onder meer zo groot geworden omdat de omgeving van organisaties hoe langer hoe meer turbulent wordt. Dit vraagt om steeds meer aanpassingsvermogen van organisaties, en leren is eigenlijk het vergroten van mogelijkheden en aanpassing. Hoewel er vaak gemakkelijk wordt gesproken over organisaties die zich kunnen aanpassen, zeggen de meesten dat alleen individuen kunnen leren. Mark Dodgson (1993) ziet organisatieleren bijvoorbeeld vooral al een ‘metafoor’. Zelf denk ik dat organisaties wel degelijk kunnen leren, ook los van individuen. Ze bezitten wat mij betreft een geheugen, vergaren kennis, hebben ambities, een karakter, zijn intelligent en ontwikkelen zich. Organisaties leren en doen dat niet alleen om zich (reactief) aan te passen, maar ook om zich (actief) te ontplooien. De innovatie die tegenwoordig zo belangrijk heet te zijn, is veel meer dan slechts een respons op veranderende omstandigheden. Peter Senge (The fifth discipline, 1990) noemt dat het verschil tussen adaptief en generatief leren.

De organisatie als academie
In de praktijk wordt er over de lerende organisatie nogal eens simplistisch gedaan. Alsof het iets is dat je je als organisatie ‘aan kunt meten’. Maar zo eenvoudig is het niet. Ook wordt organisatieleren vaak gereduceerd tot kennismanagement, een term die een tijdlang in de mode is geweest. Maar dat zie ik als slechts een onderdeel van organisatieleren. Leren gaat over veel meer dan alleen kennis.

Innovatie en creativiteit

Innovatie en creativiteit

Heel wat bedrijven hebben de laatste jaren een zogenaamde ‘academie’ of een ‘universiteit’ gesticht. Voor veel organisaties betekende dit een stap vooruit als het om leren gaat. Talentontwikkeling kwam hoog op de agenda te staan en Kantoorbewoners raakten erdoor meer vertrouwd met het feit dat leren en werken bij elkaar horen. Iets wat ze vaak op school is afgeleerd. Maar aan deze ‘geïnstitutionaliseerde’ vorm van leren kleeft ook een nadeel. In dezelfde beweging waarmee ze zich een aparte, herkenbare plek hebben veroverd in het organisatieschema, is leren en ontwikkelen ook als iets ‘aparts’ neergezet. Het oorspronkelijke voordeel wordt een nadeel. Leren is en blijft iets wat je doet náást je werk en niet ín je werk.

In de organisatie van de toekomst wordt dat onderscheid opgeheven. Bedrijven hébben geen academie meer, maar zíjn het. Net zoals we er jaren over gedaan hebben om te begrijpen dat organisaties geen cultuur hébben, maar ze dat in feite zijn, zullen we ook gaan begrijpen (sneller hoop ik) dat werken en leren twee kanten van dezelfde medaille zijn.

Als we organisaties gaan zien als universiteiten, dan veranderen managers in leraren en medewerkers in studenten. Opdrachten worden experimenten, de beste opdrachten worden meesterstukken. Werkvloeren worden klaslokalen, en collegezalen. Vergaderingen zijn lessen, en elk gesprek kan een leerervaring zijn. Kantoorbewoners hebben leervragen en willen ergens voor ‘slagen’. In zo’n Kantoor wordt er alles aan gedaan om de nieuwsgierigheid te prikkelen, en de fantasie te gebruiken. Er wordt veel met beelden en verhalen gewerkt. In een lerende organisatie zijn problemen mogelijkheden om te leren en is een oplossing geen eindpunt maar een vertrekpunt.

In zulke organisaties zal de cultuur leervriendelijker moeten worden, en dat is nogal wat. In veel Kantoren zijn er grote leerstoornissen (zie hoofdstuk 21), die ontstaan door kortetermijndenken, de dwang van resultaatgerichtheid, een belerende stijl van opleiden, onvoldoende rust voor reflectie en de neiging om de oorzaak van van alles en nog wat vooral buiten onszelf te leggen.

Een leervriendelijke cultuur
De vraag wat leervriendelijk is wordt op veel manieren beantwoord. Het is gemakkelijk met, van en door anderen kunnen leren, zegt Guy Claxton (Wise up, 1999). Het is de creatieve spanning tussen realiteit en persoonlijke visie, zegt Peter Senge. Het is een cultuur waarin veel geëxperimenteerd mag worden, zegt David Garvin (Building a learning organization, 1993). Het eenvoudigste antwoord is volgens mij: elke cultuur waarin mensen zich vrij, gelukkig en geprikkeld voelen. Meer concreet zie ik vijf kenmerken:

  • Openheid. Kantoren waar goed geleerd kan worden, creëren meer openheid. Er is zo min mogelijk denkterreur (opdringen van zienswijzen) en opvattingen worden steeds getoetst. Men staat dus open voor andere zienswijzen, en dat is iets wat in heel veel organisaties vreselijk moeilijk is (zie hoofdstuk 18). Openheid vraagt ook om eerlijke feedback, zodat mensen weten waar ze aan toe zijn. Voor de meeste organisaties is dit uitdaging nummer één, maar het valt te leren.
  • Ruimte. Er is tijd om na te denken (zie hoofdstuk 38) en te leren van het verleden. Er zijn weinig schotten in de organisatie, want die verkleinen de ruimte. Bijna elke organisatiestructuur houdt leren in principe tegen. Waarom kan het ‘volk’ bijvoorbeeld zo weinig meemaken van de genialiteit die de top tot de top deed doordringen? Is dat niet een gemiste kans?
  • Variatie. Een monocultuur is niet leervriendelijk (zie hoofdstuk 14), dus er moet gestreefd worden naar veel meer variatie, verschil en kleur op Kantoor. Elke neiging tot uniformering – dit kan niet genoeg benadrukt worden – werkt marginalisering in de hand. In het Kantoor van de toekomst worden mensen zoveel mogelijk geholpen zichzelf te zijn, zelfstandig na te denken, niet bang te zijn, rare ideeën te opperen en kritisch te zijn: al dat geluid is nodig.
  • Prikkels. Het moet uit zijn met managers die hun mensen naar een training sturen. Managers moeten uitsluitend nog zoeken naar manieren om hun mensen zodanig uit te dagen en te faciliteren dat ze bij hen komen vrágen om een training. Of welke vorm van ontwikkeling dan ook. Verder moeten er veel meer vragen gesteld worden. Goede vragen zijn sleutels, maar in de meeste organisaties worden mensen gestimuleerd om vooral antwoorden te hebben.
  • Gevoel. Leren is een emotionele aangelegenheid. Het gaat over vertrouwen, twijfel, risico’s nemen, afscheid nemen en opwinding. In een leervriendelijke cultuur mag het over gevoel gaan, kan er over persoonlijke dingen gesproken worden en is er oprechte aandacht voor elkaar. Er rust, óók in gerichte leersituaties, nog een enorm taboe op het spreken over gevoelens, verlangens, dromen, intuïtie, ingevingen, kortom alles wat niet bewijsbaar en meetbaar is.

Leren te leren als kernvaardigheid
|
Een van de belangrijkste acties in het bevorderen van organisatieleren is het helpen van Kantoorbewoners om weer te leren. Het lijkt wat overbodig om mensen te leren te leren, aangezien ze dat vermogen van nature al bezitten. Soms is het echter onvoldoende ontwikkeld en soms is men het leren verleerd. Mensen hebben in het algemeen het onterechte idee dat leren vooral het opdoen van kennis is. Maar kennis veroudert waar je bij staat, dus mensen moeten niet zozeer kennis opnemen, maar weten waar ze het kunnen vinden. Ze moeten niet een nieuw trucje leren, maar begrijpen hoe ze eigen trucjes kunnen maken. En ze moeten niet een nieuw idee aangepraat krijgen, maar leren hoe ze zelf ideeën kunnen ontwikkelen.

Leren te leren wordt ook wel eens meta-leren genoemd, of drieslagleren door Argyris en Schön. Leren te leren is bewust leren, is leren werken met je eigen leervermogen. Het vraagt om zelfkennis, zelfsturing en zelfbeheersing. Niet gestuurd door onderwerpen die managers belangrijk vinden, maar door onderwerpen die de medewerker zélf belangrijk vindt. Leren te leren vraagt om het spelen met mentale modellen. Mentale modellen zitten in je eigen hoofd, maar ook in de verhalen die de organisatie rondvertelt. In de machtscentra op Kantoor moet daarom kritisch worden gekeken naar de heersende opvattingen die worden uitgezonden. In hun voorbeeldgedrag kunnen ze laten zien dat er meerdere verhalen naast elkaar kunnen bestaan. En medewerkers moeten eerlijke en open feedback kunnen krijgen. Anders zullen ze niet snel hun eigen mentale modellen herbezien.

Wie leert wint er elke dag iets bij, wie de Tao volgt laat elke dag iets los (Lao Tse).

We moeten Kantoorbewoners leren hun intuïtie te gebruiken, want dat zijn ze vaak verleerd. Veel mensen vinden het al lastig om verstand en gevoel uit elkaar te houden en je kunt je afvragen of dat een zinnig onderscheid is. In organisaties wordt het verstand meer gewaardeerd; beslissingen zijn er liever logisch. Toch gebruiken veel managers wel degelijk hun gevoel en de besten nemen hun besluiten intuïtief. Dat ze daar achteraf logisch klinkende verklaringen bij fantaseren doet daar op zich niets aan af. Het gebruiken van intuïtie moet je wel leren. Dat vraagt om subtiel aanvoelen van innerlijke signalen, het leren onderscheiden van ‘begrijpen’ en ‘weten’ en het hebben van voldoende zelfkennis om je niet te laten misleiden door angsten, vooroordelen en valse sentimenten. Leren leren vraagt om veel zelfvertrouwen. Als het Kantoor onveilig is (zie hoofdstuk 13) en de angst regeert, leren medewerkers vooral om hun mond te houden.

Tenslotte vraagt leren leren om een grote mate van zelfbewustzijn: weten wat je waarden en normen zijn (zie hoofdstuk 34); je eigen ambities onder woorden kunnen brengen; begrijpen waar je bevrediging van krijgt. Om organisaties meer aan het leren te krijgen, zou het helpen om de mensen die er werken in hun volledigheid te zien, en ze niet te reduceren tot een medewerker, wiens taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden op een A-viertje staan.

In onze cultuur zullen we waarschijnlijk nooit meer afkomen van het logisch onderscheid tussen werken en leven. Maar Kantoorbewoners zullen steeds beter leren om werk en privé te integreren. Technologie zal daarbij helpen. Kantoren zullen dan minder wanhopig hoeven te zoeken naar innovatief talent, omdat ze de innovatie vanuit al die ‘hele’ mensen vanzelf meekrijgen. Want leren hoort bij het leven, dus als werken en leven vrienden worden, krijgt werken het leren er gratis bij.

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie