40. Leiderschap is aanraken

Over visie en inspiratie en de weg vrijmaken voor synchroniciteit

Leiderschap betreft één van de weinige modes in de organisatiekunde die nooit uit zijn geweest. Laatstelijk wordt er veel gesproken over de ‘nieuwe leider’. De Volkskrant van Prinsjesdag 2004 wijdt er een speciaal katern aan: ons land heeft leiderschap nodig, maar vooral ‘klinkt er een roep om nieuwe vormen van gezag,’ schrijft de hoofdredactie. Deze roep klinkt niet alleen in de samenleving. Zij is ook luid en duidelijk te horen in Kantoren.

Leiders helpen leiding nemen

In veel organisaties is er een stuurvacuüm ontstaan. De groeiende afkeer van hiërarchie en de halfbakken invoer van halfbegrepen nieuwe organisatievormen hebben een illusie van gelijkheid (zie hoofdstuk 23) geschapen waarin verplichtingen zijn verdwenen, verantwoordelijkheden niet worden genomen en waarin managers geen leiding geven (zie hoofdstuk 4). Het heeft geen zin om verouderde, bureaucratische organisatieprincipes uit de kast te halen. Het vacuüm hoeft niet gevuld te worden met nieuwe mannetjes met spierballen. We moeten transformeren in iets nieuws. De managementgoeroes spreken over transformationeel leiderschap tegenover transactioneel leiderschap. Dat gaat over bezieling, inspiratie en visie. Leiders zijn natuurlijk visionair, maar zij dringen in deze tijd hun visie niet meer op. Zij hebben overtuigingskracht, maar niet van het soort waaraan we in het verleden massa’s ten onder hebben zien gaan. In dit tijdsgewricht is er behoefte aan leiders die inspireren. Zij lopen niet op de troepen vooruit, maar zij zijn in staat om mensen ‘aan te raken’, zodat deze in vrijheid in beweging komen. Charisma van leiders heeft een ander gezicht dan vroeger. Leiders van nu laten ánderen schitteren. Als leiders dat lukt, verstomt het klagen.

Commitment: deel van het geheel worden
|
Mensen ‘erbij’ betrekken is niet hetzelfde als hun mening vragen en dat vervolgens ‘meenemen’ in de besluitvorming. Er is niets wat meer afstand naar werknemers schept dan dat. Echte leiders zijn in staat iedereen die voor de zaak belangrijk is werkelijk diepgaand te betrekken. Zij kunnen mensen doen inzien dat ze deel van het geheel zijn, wat voor veel Kantoorbewoners een opzienbarende ontdekking zal zijn. Om dat te bereiken zullen leiders zichzelf, oprecht en geloofwaardig, minder belangrijk moeten maken volgens Jim Collins (Good to great, 2001). Het is niet voor niets dat in diverse organisaties geëxperimenteerd wordt met collectief leiderschap. Misschien hoeven we niet meer zo nodig één krachtige topfiguur.

People cannot live with change if there isn’t a changeless core inside them (Stephen Covey).

Leiders vertellen hun mensen hoe belangrijk zíj zijn en hoe waardevol, zodat deze mensen zich gesterkt voelen om verantwoordelijkheid te nemen. In organisaties, zeker in de organisaties van de toekomst, is verantwoordelijkheid iets wat in essentie collectief én individueel is. Iedereen neemt én krijgt er zijn aandeel. Als leiders dat lukt, dan stopt het vingerwijzen.

Sturen op kracht
In hun geklaag tonen Kantoorbewoners vooral hun onvermogen zelf leiding te nemen: klagen is een toevlucht in machteloosheid. Leiding geven is mensen helpen leiding te nemen over het eigen leven en over het eigen werk, dat is echte ‘empowerment’. Een leider begrijpt dat hij niet kan zeggen: ‘en nu ga je zelfsturen’. Hij zal wel inspireren en sturen op kracht. Het heeft veel meer effect om mensen te laten voelen waar ze goed in zijn, waar ze trots op kunnen zijn en wat hun ambities zijn. Er wordt in Kantoren teveel gestuurd op afwijkingen: ‘je mist nog competenties’, of ‘je hebt je targets niet gehaald’. En het eenvoudigweg ‘belonen’ voor gewenst gedrag heeft weinig effect. Liever een welgemeend compliment, een zichtbare bewondering voor wie je bent dan een stomme bonus. Uiteindelijk krijg je dáár geen zelfvertrouwen van.

Kantoorbewoners die de bezieling kwijt zijn en de zingeving, verliezen gevoel van eigenwaarde. Leiders van de toekomst gaan weer in gesprek over het ‘waarom’ van deze organisatie. Waarom is jouw werk onmisbaar? Waarom is het nodig wat jij doet? En als die vraag niet beantwoord kan worden, dan moet het werk anders worden ingericht. Pas als je volledig begrijpt waarom jouw werk echt belangrijk is zul je er de volle verantwoordelijkheid voor nemen. Robert Quinn noemd dat de ‘fundamentele toestand van leiderschap’ (De brug bouwen terwijl je er over loopt, 2004). Mensen overstijgen hun hypocrisie, doorzien hun zelfbedrog en gaan weer zelf kiezen. Dat is authentiek engagement. Ze kiezen echt voor hun werk, voor hún Kantoor.

Visie en bezieling
Het woord visie heeft eigenlijk twee betekenissen. Het is je blik op de wereld: de manier waarop je de dingen om je heen beoordeelt en betekenis geeft. Daarnaast is het het geheel van opvattingen, normen en waarden dat iemand heeft. Ook wel je ‘mentale model’ genoemd. In deze betekenis is een visie niet waardevrij. Integendeel, het is waardegeladen, omdat het gebaseerd is op je diepste overtuigingen. Visie betekent ook visioen. Het is je droombeeld, je voorspelling, je richtingsgevoel. Soms is het niet meer dan een vage verwachting, een aanvoelen, hoop desnoods. En soms is het een krachtig verlangen, een helder beeld over wat in het verschiet ligt. ‘I have dream’ zei Marten Luther King, en dat was zijn visioen.

Het zou enorm helpen als leiders alleen maar vragen stelden, in plaats van steeds antwoorden te geven.

Bezieling komt van binnenuit. Leiders die anderen willen bezielen zullen hun eigen inspiratie moeten vinden en de weg naar binnen zoeken, zegt Paulien Assink (Uit het harnas, 1990). Daarom is het belangrijk dat mensen zich gaan afvragen wat hun kern is. Dit noem ik visie, en het is iets wat niemand je kan geven. Anderen kunnen je inspireren, kunnen een voorbeeld zijn, maar een visie is per definitie persoonlijk. Goed leiderschap vraagt om persoonlijk contadct. Organisaties waarin leiders denken één visie aan alle anderen op te kunnen dringen zijn niet alleen dom; ze zijn ook gevaarlijk. De kunst van goed leiderschap is mensen te helpen hun visie te ontwikkelen en deze samen te brengen in iets wat de organisatie als collectief bestaansrecht geeft. Covey stelt dat visie het verschil maakt tussen reactiviteit en proactiviteit. Klagende mensen zijn reactief; zij worden gedreven door omstandigheden. Mensen met visie zijn proactief; zij worden gedreven door waarden.

Inspirerend leiderschap
Inspiratie bestaat voor een groot deel uit overtuiging. Je kunt iemand inspireren met een goed idee, maar wat mensen echt in beweging krijgt, is iemand die zichtbaar gelooft in wat hij zegt. Jaap van Muijen citeert in zijn oratie over leiderschap (Leiderschapsontwikkeling: Het hanteren van paradoxen, 2003) onderzoek waaruit blijkt dat inspiratie voor een significant deel van persoonlijkheid afhangt: extraversie, openheid en emotionele stabiliteit. Ook wijst hij op een internationaal onderzoek waaruit naar voren komt dat persoonlijkheidskenmerken van leiders in verschillende landen verschillend worden gewaardeerd, behalve integriteit. Dat vindt blijkbaar iedereen belangrijk in een leider.

Bezieling Er wordt tegenwoordig vaak gezegd dat een leider (en niet alleen leiders natuurlijk) effectiever is naarmate hij authentieker overkomt. Volgens Susan Harter (zie hoofdstuk 6) leidt de afwezigheid van authenticiteit tot vervreemding. Iemand is in zo’n geval zichzelf kwijt. Hij komt onecht of manipulatief over, doet zichzelf ‘beter’ voor of heeft een masker op. Mensen prikken daar gelukkig vrij snel doorheen (Authenticiteit, 2004). Bovendien kan iemand weliswaar geheel zichzelf zijn, en toch een onaangenaam mens. En dat lijkt me geen bijster goede voorwaarde om een groot leider te worden. Maar iemand die in staat is anderen te bezielen (van ziel te voorzien) heeft de gave ‘aan te raken’. En dat is leiderschap.

Overbruggen van tegenstellingen
Organisaties zijn in essentie paradoxaal. Het zijn menselijke creaties die uiteindelijk de scheppers kunnen beheersen. Het zijn zelfgekozen gevangenissen, vol regels en regelmaat, waarin het meest menselijke dat wij in ons hebben, namelijk de vrije wil, wordt ingekaderd en beperkt. De belangrijkste bijdrage die leiders kunnen leveren aan organisaties van de toekomst, is het hanteren van dilemma’s en paradoxen (zie hoofdstuk 22). De tijd waarin we leven is snel, complex en zeer verwarrend (zie hoofdstuk 10). Mensen worden onzeker van schijnbaar onoplosbare tegenstellingen, of ze laten het hoofd hangen. Onverschilligheid ligt op de loer, en dat is wat mij betreft het failliet van elke gemeenschap. Leiders kunnen helpen om uit de tegenstellingen te stappen, ze te overstijgen of ze juist te verenigen. Daarbij staat hen een tweetal opties ter beschikking.

De tegenstelling helpen doorgronden: Vaak is de bewustwording van een paradoxale situatie al bevrijdend, in letterlijke zin. Wat helpt is om context (of het ‘gehele plaatje’) toe te voegen aan schijnbaar tegengestelde gegevens. Mensen in de top koesteren soms de misvatting dat ze in één toespraak mensen op hetzelfde niveau van inzicht kunnen brengen als waar ze zelf een jaar voor nodig hadden. Het devies is dus weer: mensen er (zo snel mogelijk) bij betrekken. Het écht samen doen. Zo groeit het inzicht in de paradoxen van de organisatie. Het is dan nog slechts een kwestie van wilskracht om voor ‘beide’ te kiezen in plaats van één. Zo kun je als Kantoorbewoner besluiten om zowel een persoonlijk belang te dienen als een collectief belang. Wie inziet dat die belangen met elkaar verbonden zijn heeft er doorgaans weinig moeite mee ze beide te dienen.

Tolerantie voor dubbelzinnigheid bevorderen: Als in de organisatie continu om harde resultaten wordt gevraagd en om voorspelbare uitkomsten, dan zullen managers en medewerkers een afkeer voor ambiguïteit ontwikkelen (als ze dat al niet van huis uit hadden). Het zou enorm helpen als leiders vragen stelden in plaats van alleen maar antwoorden te geven. En wanneer ze ook twijfel kunnen laten zien. Het zijn simpele dingen, maar daarmee tonen leiders dat onzekerheid erbij hoort. Hierin schuilt natuurlijk alweer een paradox: mensen vragen (uit gewoonte) vaak om leiders die het zeker weten. Maar de organisaties van nu zijn te complex om het allemaal zeker te weten. Het is slechts de intelligentie van het collectief waarin iets te weten valt, en díe boodschap moeten leiders zien over te brengen.

Organiseren is synchroniseren

Organiseren is niet dwingen maar synchroniseren. Het is het mogelijk maken van harmonie en synergie in een chaos van belangen en verlangens. Synchroniciteit is een situatie waarbij er ogenschijnlijk toevallige gebeurtenissen gelijktijdig plaatsvinden die samen tóch betekenis hebben (zie hoofdstuk 41). Synchroniseren heeft nog een andere betekenis.

Synchroniseren is het ‘in de pas lopen’ van schijnbaar losse individuen. Het is een vloeiend op elkaar betrekken van verschillende bewegingen, als in een dans. Het is zwermgedrag van vogels en bijen en het is het gelijkstemmen van verschillende geluidsgolven tot een harmonieus klinkend lied. David Peat (Synchroniciteit: Brug tussen geest en materie, 1987) geeft vele voorbeelden uit de natuur en de fysica van losse elementen (elektronen of cellen bijvoorbeeld) die zich soms volledig onafhankelijk gedragen en soms, als bij toverslag, door verandering van energie of van omgeving zich geheel harmonieus met elkaar verstaan en als het ware een nieuwe entiteit vormen. Metaal kan bij een bepaalde temperatuur supergeleidend worden, losse slijmzwamcellen kunnen in korte tijd een min of meer vaste paddestoel vormen, willekeurig rondfladderende vogels formeren plotsklaps een gracieuze zwerm. Elk element in dit collectief is en blijft zichzelf, is als het ware ‘authentiek’. En toch kunnen zij zich organiseren in één geheel. De vraag is nu: hoe kunnen we Kantoren meer synchroon krijgen?

De CEO is een DJ
Stel dat alle werknemers die in loondienst zijn van een bedrijf besluiten op een dag om ermee op te houden. Binnen een dag zou dat een enorm tumult geven. Er staan leveranciers voor een dichte deur, er worden telefoons niet opgenomen, rekeningen niet betaald en klanten komen klem te zitten. Later zouden er rechtszaken komen en mensen ter verantwoording geroepen worden. De afwezigheid van de organisatie maakt de aanwezigheid zichtbaar, als een gat in de muur: zonder die muur is er geen gat. De organisatie is dus meer dan wat je ziet. De organisatie heeft een onderstroom, een diepere laag, een ziel zo je wilt.

Van werkvloer naar dansvloer

Van werkvloer naar dansvloer

Ik heb teveel pogingen gezien van leiders om de expliciete, zichtbare werkelijkheid van de organisatie te sturen, die achteraf bezien slechts rimpelingen in het oppervlak hebben veroorzaakt. Grootse interventies en ingrijpende plannen konden meestal niet veel meer teweeg brengen dan een zuchtje. Die leiders weten dat diep in hun hart wel, maar het is een taboe om daarover te spreken. Misschien omdat er geen woorden voor zijn.

Ik kan ook niet zoveel meer dan ‘aanvoelen’ dat organiseren zoiets is als op de maat dansen in een nachtclub. Gesynchroniseerd op een onderliggend en onbekend patroon, een gezamenlijk verlangen, een collectief gevoel. Zouden leiders van de toekomst deze diepere organisatielaag kunnen aanraken? Zouden zij de maat kunnen aangeven, zoals de dj op een houseparty? Op de dansvloer kent een massa feestende mensen een maximum aan beweging met een minimum aan botsingen. Zij zijn gesynchroniseerd en gecoördineerd, vrijwel zonder afspraken en expliciete regels. De DJ brengt de ‘beat’ en de zaal raakt in de ‘groove’.

Verlangen is de motor
De wens is de vader van de gedachte. Met deze uitspraak wordt vaak geprobeerd iemand te betrappen op een verlangen dat achter de uitgesproken opvattingen ligt. Alsof dat verlangen verborgen moet worden. Terwijl verlangen nu juist de oorsprong is van zoveel energie. Ik zou Kantoren willen zien waar begrepen wordt dat klachten niet meer en niet minder zijn dan omgekeerde verlangens. Het geklaag en de onvrede in Kantoren is het in vingerwijzen omgezette verlangen om zelf richting te kunnen geven aan het leven. De onvrede die veel werknemers voelen is helaas uiteindelijk een klacht over zichzelf. Waarom heb ik mij mijn ruimte laten afnemen? Waarom heb ik onzinnige Kantoorbezigheden belangrijker gemaakt dan mijn kinderen? Waarom heb ik zoveel tijd gestopt in mensen die ik niet zelf tot vriend gekozen heb? Waarom sta ik toe dat iemand die ik niet echt respecteer, kan zeggen wat ik moet doen?

Mijn beste vriend uit mijn studententijd wist ons altijd jaloers te maken met de manier waarop hij zijn werk inrichtte. Hij was niet te vangen en had veel vrijheid. Met twee vingers in zijn neus verdiende hij zijn centen, zo leek het. Nu vertelt hij me dat hij veel te hard werkt, in een onveilige omgeving, met een takenpakket waar hij onzeker van wordt. Hij wil daar weg. Gelukkig doorziet hij zijn situatie, zijn keuzes, herkent hij nog zijn verlangens. En dat zouden meer Kantoorbewoners moeten doen: de situatie doorzien.

Leiders die het verlangen in hun organisatie begrijpen hebben goud in handen. Mensen worden het diepst, tot in hun ‘ziel’ geraakt wanneer je aan het verlangen komt. Als het verlangen op Kantoor is bedolven onder doelen, resultaten, strategieën en procedures dan wordt  langzaam maar zeker de ziel eruit geknepen. Geen organisatie zonder verlangen kan tot grote dingen in staat zijn. Laat daarom de klaagzang een lied van verlangen worden.

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie