5. Adviseurs horen, zien … en zwijgen

Over meer-van-hetzelfde en de kilte van belangeloosheid

Van niet te onderschatten invloed op het leven van Kantoorbewoners is de rol van Kantoorbezoekers. Adviseurs bijvoorbeeld. Nederland heeft bijna de hoogste adviseursdichtheid ter wereld en er is vrijwel geen Kantoor te bedenken waar ze niet regelmatig komen. Adviseurs verzamelen enorm veel informatie over het Kantoorleven en komen er gemiddeld vaker júist wanneer er gedoe is. De onvrede op Kantoren kan ze niet ontgaan, maar je vraagt je af wat ze met al die indrukken doen.

Een bloeiende adviesindustrie?

Adviseurs genoeg in ons land. Joep Bolweg schat het aantal ‘mensen dat zich terecht of ten onrechte met de titel organisatieadviseur op de markt beweegt’ tussen de vijftien- en twintigduizend. De bedrijfstak is goed voor zo’n drie miljard gulden (Organisatieadvisering in het nieuwe millennium, 2001). Er wordt veel geld verdiend met adviseren aan Kantoren, maar de vraag is of dat de Kantoorbewoners ook gelukkiger maakt.

In 1980 ontstaat er in de advieswereld een levendig debat over Het Vak. Han Verhallen beweert dat ‘organisatie-adviseurs in hun midlife-crisis’ zijn beland (M&O, 1980) en even later stelt Edu Feltmann dat ‘organisatie-adviseurs op dood spoor’ zitten (M&O, 1981). De toegevoegde waarde van de (te dure) adviseur is volgens hem veel te laag. Frans Verhaaren noemt adviseurs ‘gedesoriënteerd’ en ‘gedeprofessionaliseerd (M&O, 1981). De ontwikkelingen die tot al deze ernstige zelfoordelen leiden zouden zijn:

  • Een sterke fragmentering van het vakgebied doordat steeds meer verschillende disciplines advieswerk beginnen te leveren;
  • Klanten worden zélf deskundiger in organisatieverandering en stellen steeds hogere eisen aan adviseurs;
  • De organisatorische vragen waarmee klanten zitten worden in hoog tempo steeds complexer en maatschappelijker.

In 1992 verschijnt een themanummer van M&O ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van Ooa, de Orde van organisatiedeskundigen en -adviseurs. Centraal staat de professionalisering van de Adviseur. Ondertitel van het nummer is ‘doorbraak in het denken’. Blijkbaar is dat nodig. In de bijdragen wordt inderdaad meermalen erg kritisch over Het Vak gesproken. Zo zou er volgens de redactie een ‘schaduw van charlatanerie’ over de professie heersen en vindt Terpstra (M&O doet in dit nummer niet aan voornamen) dat de professionaliteit onderwerp is van ‘heftige discussie, ook bij klanten’. Slechts weinig adviseurs kunnen Buijs ‘overtuigen van hun professionele creatieve prestaties’ en volgens Wirtz moet ‘het roer om in het organisatie-advieswerk’. Feltmann tenslotte beweert dat er geen sprake is van doorbraken, want adviseurs ‘zijn al zestig jaar bezig met meer-van-hetzelfde’.

Ik vind het mooi dat er in mijn vakgebied zo veel en zo openlijk wordt nagedacht over de eigen rol, aanpak en toegevoegde waarde. En het vak is op een aantal essentiële punten ontwikkeld in de goede richting. Er is veel meer variatie gekomen in mogelijke adviesaanpakken: het scala gaat nu verder dan een keuze tussen expertbenadering of procesbegeleiding. Er is – ook aangezwengeld door klanten – meer ruimte voor innovatie en experiment in aanpakken. De relatie met Klanten is hechter geworden.

Adviseurs moeten hun verantwoordelijkheid  nemen en duidelijker in stelling komen tegen het steeds verder onder druk zetten van werknemers. Ze mogen zich niet langer verschuilen achter belangeloosheid en onafhankelijkheid.

Tegelijkertijd maken we de laatste tijd weer een ongekende druk op het werk van de organisatieadviseur mee. De prijzen staan sterk ter discussie. Klanten zijn openlijk kritisch en leggen lijsten met ‘preferred suppliers’ aan om de ‘wildgroei’ aan adviseurs te stoppen. De Rijksoverheid probeert actief de ‘staatsgreep van de zesde macht’ (een term van GroenLinks) tegen te gaan. Bij een groot ministerie hingen posters met de slogan ‘Hou de adviseur buiten de deur’. En in de advieswereld zèlf wordt weer volop gesproken over een ‘crisis in het vak’. René ten Bos en Joost van den Wal noemen in hun artikel ‘De waarde van de adviseur’ (1998) een adviseur een altijd drukke, extraverte, inhoudelijk zwakke duizendpoot die graag experimenteert, veelvuldig plagiaat pleegt, emoties manipuleert, vooral aan symptoombestrijding doet en – misschien wel het ergste – dezelfde opvattingen heeft als de mensen aan wie hij advies geeft. Wat een zelfhaat.

Prominente plaats voor de adviseur
De regering kan natuurlijk vinden dat er veel minder moet worden uitgegeven aan advisering, en Managers kunnen de budgetten voor ‘externen’ natuurlijk bevriezen. Feit is dat Kantoren niet meer zonder Adviseurs kunnen. De druk op personeelskosten, de versnelde vraag naar innovatieve ideeën en de noodzaak tot flexibiliteit zal de vraag naar Adviseurs in de toekomst eerder doen stijgen. En daarmee komt bij hen een grote verantwoordelijkheid te liggen. Als het vak waardigheid wil verdienen, zoals andere professionele domeinen dat gelukkig nog steeds hebben (medici, advocaten, ingenieurs) dan zou het gelijk de eed van Hippocrates een gelofte moeten doen: de adviseur maakt Kantoorbewoners gelukkiger.

Een goede adviseur, bestaat die nog?

In hun boek Organisatieadvies: wat is dat? (2001) nodigen Léon de Caluwé en Aernoud Witteveen de bonzen van het Nederlandse advieswereldje uit tot een beschouwing op het vak. De titel moeten we echter niet te letterlijk nemen. Deze – overigens uitstekende – verzameling ‘bijdragen’ geeft natúúrlijk geen eenduidig antwoord. De redactie heeft zich niet aan een eindconclusie of een synthese gewaagd. Eén thema komt erg dominant naar voren: de professie is geen professie. Er ís veel kwaliteit, maar de versnippering in het vak en de vluchtigheid van de kennis maken het tot een ongeloofwaardig ‘professioneel domein’. Wie een notaris, een advocaat of een arts te hulp roept kan vertrouwen op een aan de professie inherente kwaliteitsmaatstaf. Bij adviseurs moet je maar afwachten wat je krijgt.

Wat is dan wél een goeie Adviseur? Een goeie Adviseur is volgens mij te herkennen aan drie eigenschappen: kritisch vermogen, vrij denken en maatschappelijk engagement.

1. Deskundig op inhoud of proces – en van daaruit criticus
Het type deskundigheden dat onder de noemer ‘organisatieadviseur’ schuil gaat is zó divers dat het bijna onmogelijk is om algemene uitspraken te doen over de deskundigheid van adviseurs. Peter van Baalen (2001) stelt onomwonden dat het creëren van een eigen ‘Body of Knowledge’ (zoals andere professionele beroepsgroepen als advocaten en medici dat wél hebben) nog steeds niet is gelukt. Dat wil niet zeggen dat adviseurs geen waardevolle kennis zouden hebben. Meestal zijn ze wel degelijk expert in een bepaald vakgebied, maar of ze ook echt goed adviseren is iets anders. Bovendien denk ik dat adviseurs vaak onvoldoende op de hoogte zijn van de organisatorische en maatschappelijke context waarin ze adviseren. Het ‘binnendragen’ van expertmatige kennis helpt Kantoorbewoners onvoldoende. Adviseurs zijn ogen van buiten en zouden veel meer en veel kritischer moeten spiegelen, maar ik denk dat ze veel te vaak hun mond houden, áls ze al zien wat er aan de hand is. Daar komt natuurlijk bij dat veel Managers niet graag in de spiegel kijken.  Adviseurs die na een rondje interviews komen vertellen hoe erg het allemaal is, daar zitten ze niet op te wachten. Maar dat wil volgens mij niet zeggen dat Adviseurs het er dan maar bij moeten laten zitten.

Als je enige instrument een hamer is wordt de hele wereld een spijker (Abraham Maslow).

Een groot gevaar voor de integriteit van het vakgebied is wat Peter van Baalen ‘commodization’ noemt: de neiging tot standaardisering om daarmee schaalvoordelen te halen. Wie zich adviseur noemt, dient mijns inziens maatwerk te leveren, en dat betekent altijd opnieuw kijken, opnieuw luisteren en oprecht en fris proberen te begrijpen wat er op zo’n Kantoor aan de hand is. De kunst is daarbij werkelijk open te staan, want als adviseurs érgens goed in zijn is het wel ‘pigeon-holing’. In de woorden van Abraham Maslow: als je enige instrument een hamer is, wordt de hele wereld vanzelf een spijker.

Pigeonholing

Pigeonholing

Een ander probleem in het vak is de contingentisering ervan. Het hangt er altijd van af. Adviseurs zijn zó doorgewinterd geraakt in het spelen met perspectieven dat ze zo langzamerhand niet meer ergens voor gaan staan en niet meer eens iets echt durven te vínden. Enerzijds hebben Adviseurs zich, vaak zonder dat ze het weten, erg laten beïnvloeden door het postmodernisme: alles is betrekkelijk, er is geen waarheid meer et cetera. Anderzijds hangen ze ook, heel opportunistisch, zonder veel kritiek allerlei waarheden aan als dat handig uitkomt. Cherrypicking heet dat in de wereld van modieuze methoden en fancy filosofieën. Het gemak waarmee goeroes en modes in de advieswereld komen en gaan is daar een illustratie van. In feite zijn Adviseurs erg betrekkelijk over hun eigen betrekkelijkheid. Een grotere professionele paradox kan ik me nauwelijks voorstellen.

2. Onafhankelijk en belangeloos – en van daaruit vrijdenker
Adviseurs voeren al zo lang als het vak bestaat een debat over onafhankelijkheid. Persoonlijk geloof ik niet in volstrekte onafhankelijkheid en ook niet in volstrekte belangeloosheid. Dat is alleen de allerverlichtste geesten gegeven.

De pretentie het wél te zijn maakt van adviseurs in potentie gevaarlijke wezens. Hun belangen en afhankelijkheden blijven verstopt, vaak ook voor zichzelf, maar spelen wel degelijk mee. Hoe kun je in Hemelsnaam belangeloosheid garanderen als je zoiets als de vuurwerkramp in Enschede evalueert? Ieder normaal mens is vanuit het hart betrokken en voelt de roep van de samenleving om genoegdoening en wráák. Je kunt hoogstens een min of meer objectieve methode gebruiken, keurig je bronnen vermelden, waarnemingen letterlijk weergeven (voor zover dat mogelijk is) en proberen bij de feiten te blijven (voor zover dat mogelijk is).

Is een Adviseur onafhankelijk omdat hij of zij niet op de loonlijst staat van de opdrachtgever? Is een Adviseur belangeloos omdat hij of zij tevreden is wanneer de klant tevreden is? In de meeste adviesbureaus is er een grote spanning tussen professionaliteit en commercie. Ik geloof er niets van dat dat Adviseurs helpt om onafhankelijk en belangeloos te blijven. Er wordt op grote schaal aan pigeon-holing gedaan, naar de mond gepraat en stokpaardjes bereden. Om maar te zwijgen van alle bluf. Het komt vaak voor dat een adviesbureau een opdracht binnenhaalt op een expertise die er nog helemaal niet is! Gelukkig bezitten deze bureaus het vermogen om zo’n opdracht – wanneer eenmaal ‘geacquireerd’ – koerszoekend aan te pakken zodat de klant tóch een hoogwaardige innovatieve bijdrage krijgt. Daar zit het probleem niet. Maar het is een gemiste kans dat de klant daarvan niet in kennis wordt gesteld, zodat er échte co-creatie kan plaatsvinden. Samen leren.

Belangeloosheid? Ja, als het betekent dat de Adviseur geen aandelen in het bedrijf van de klant heeft. Onafhankelijk? Ja, als dat betekent dat de Adviseur mag zien, denken en zeggen wat hij wil. Maar liever heb ik een Adviseur met een mening die daar voor uitkomt, een Adviseur met lef die een klant durft te confronteren en een Adviseur met visie die ergens voor staat. Wie vanuit die houding naar Kantoren gaat, en ziet wat daar aan de hand is, die zal zich twee keer bedenken om geld te verdienen aan een verandertraject waarvan je bij voorbaat al moet vrezen dat het niet veel gaat verbeteren.

3. Maatschappelijk betrokken – en van daaruit verbonden
In zijn proefschrift Adviseren bij Organiseren (1984) breekt Edu Feltmann een lans voor de ‘vermaatschappelijking’ van organisaties. Adviseurs zouden organisaties moeten helpen in het belang van actoren binnen en buiten de organisatie. Organisaties moeten aldus meer maatschappijgeoriënteerd worden. Bovendien pleit hij ervoor – in mijn woorden – dat Adviseurs veel bewuster en genuanceerder gebruik maken van hun eigen persoon als instrument. Nu, twintig jaar later, zijn deze opvattingen actueler dan ooit. Zowel bij Klanten als bij Adviseurs is het bon-ton om te praten over Persoonlijke Visie, Kleur Bekennen en Standpunten Innemen. Maatschappelijk Verantwoord Adviseren en Duurzaamheid zijn de buzzwords.

Horen, zien en zwijgen

Horen, zien en zwijgen

Feltmann beschrijft in zijn proefschrift (en vele artikelen daarna) een Adviseur die de kunst van het ‘nietsdoen’ verstaat, die bij voorkeur helpt bij het ‘ontstroeven’ van klanten (zeg maar: uit de vastgeroeste denkpatronen halen) en die ‘onthechting’ laat zien in plaats van bemoeizucht. Hoewel zijn advies aan Adviseurs tot de beste behoort die ik ken, maakt het me ook ongerust. Ik ben in het vakgebied opgegroeid met en geïnspireerd door zijn denkbeelden. Maar wat ik mis is het engagement. Zijn ‘metaparadigmatisch’ adviseren is me toch te intellectueel. We verwijten artsen vaak dat zij te afstandelijk en klinisch hun patiënten benaderen. Omdat die juist het meest behoefte hebben aan compassie en goede raad. Is het niet ook zo in de adviesrelatie?

Adviseurs die alleen maar vragen stellen zijn dom. En Adviseurs die alleen maar antwoorden geven ook. Wat ik verwacht van Adviseurs is dat ze stelling nemen. Juist in deze tijd is het nodig dat er mensen zijn die iets vinden. Die durven vóórgaan in opinies. Mensen zijn in dit tijdsgewricht op zóveel terreinen de draad kwijt (zie hoofdstuk 10). Ze doen zelfs een quiz op internet om hun politieke voorkeur te ontdekken! Klanten kunnen tegenwoordig kennis makkelijk aanschaffen; daar is geen Adviseur voor nodig. Wat ze nodig hebben is een leidsman, geen leider: een raadsvrouw, geen betweter. Gids dus, vooral in het land van zingeving, verbinding en waarden. Dit betekent dat Adviseurs een eigen visie moeten hebben, zichzelf moeten kennen en een hoge morele standaard moeten ontwikkelen.

Deskundig criticus, onafhankelijk vrijdenker en maatschappelijk geëngageerd, dát is een Adviseur naar mijn hart. Wat klanten echter meestal inkopen is wat wij in ons vakgebied oneerbiedig noemen een ‘broodje warm vlees’. Kennis en vaardigheden in een pak met een stropdas eromheen. Ik vraag mij dan ook verontrust af hoeveel Adviseurs echte verontwaardiging voelen bij het aanschouwen van de huidige stand van zaken in het Kantoor. Want onzichtbaar is het Kantoorleed allerminst. Dus volgens mij is het meestal horen, zien … en zwijgen.

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie