8. Arbeidsongeschikte Kantoren

Over domme, neurotische en giftige organisaties

Hoewel veel mensen ziek worden van werk moeten we ons afvragen wie er nou eigenlijk niet goed is. Veel Kantoren zijn niet gezond. Ze lijden aan kwalen, variërend van een licht gebrek tot een ernstige ziekte. Soms gaat zoiets vanzelf wel weer over. Maar in veel gevallen is de aandoening chronisch. Dat dit geen geintje is weten helaas honderdduizenden Medewerkers die inmiddels zelf van het Kantoor ziek, ontevreden of beide zijn geworden.

Het Kantoor in de spreekkamer

Er zijn verschillende manieren om naar de (on)gezondheid van organisaties te kijken. De minst ernstige diagnose is misschien dat Kantoren soms gewoonweg dom zijn.

Domme Kantoren
Je zou zeggen dat organisaties, als optelsom van veel slimme mensen, een soort superintelligentie zouden moeten bezitten. Niets is minder waar. Organisaties gedragen zich vaak dom, er is een chronisch gebrek aan innovatievermogen (zie hoofdstuk 21) en ze zijn onverantwoordelijk. Ze zijn geneigd veel meer beslag te leggen op de omgeving dat ze terug kunnen geven, en zijn daarmee niet ‘duurzaam’ (zie hoofdstuk 34). Bovendien zijn ze, zo hen al intelligentie verweten kan worden, vooral financieel en juridisch intelligent. Emotionele en sociale intelligentie is in veel Kantoren laag, daarom worden er zoveel mensen ongelukkig. Welvaart krijgt bijna altijd een hogere prioriteit dan welzijn.

Rob Zuijderhoudt stelt dat domheid van organisaties kan worden herkend in het niet of slecht oplossen van problemen (De adaptieve organisatie, 2004). Intelligentie bestaat uit alle vaardigheden die tezamen een creatief en probleemoplossend vermogen vormen. Intelligente mensen kunnen tezamen helaas domme besluiten nemen (zie hoofdstuk 23) en dat zie je dagelijks in veel Kantoren dan ook gebeuren. Volgens Zuijderhoudt zijn het met name bureaucratische trekjes die het ontstaan van intelligente organisaties in de weg staat. Er is daar te weinig mogelijkheid voor zelfordening en zoeken naar synergie. Specialisatie van arbeid is daarbij een van de grootste boosdoeners. Rigide structuren staan het ontstaan van de beste vaardigheidscoalities in de weg en besluitvormingsprocedures leveren vaak waardeloze compromissen op.

Al een halve eeuw geleden werd er over domme organisaties geschreven door William Whyte in zijn Organization Man. Dit meldt organisatiefilosoof René ten Bos in zijn artikel Onvermijdelijke hang naar domheid (Het FD, 16 februari 2002). Volgens Whyte is doelgerichtheid de vijand van kennis. De meeste kennis ontstaat toevallig (zie hoofdstuk 41) en in organisaties moet alles een doel hebben. Het ontbreekt organisaties vaak aan zinloze nieuwsgierigheid. Eigenzinnigheid wordt er bestreden met indoctrinatie, en zo creëer je een domme organisatie waar men zich conformeert. Met deze observaties ben ik het roerend eens. Als er íets is waar de meeste Kantoren doodsbenauwd voor zijn, dan is het wel afwijken. Alles wat zich vrij beweegt en vrij denkt wordt het liefst eruit gewerkt (zie hoofdstuk 30). Daarom zie je in organisaties de grijze middenmoot overheersen, is het er vaak saaiheid troef en moet je met een lampje zoeken naar geniale ideeën. Dit gebrek aan inspiratie en verrassing maakt Kantoren behoorlijk arbeidsongeschikt.

Neurotische Kantoren
Het praten over organisaties in medische termen is niet zo nieuw. Edgar Schein typeert in zijn beroemde boekje Process Consultation uit 1988 een aantal mogelijke relaties tussen Adviseur en Klant. Eén daarvan is het ‘arts-patiënt’ model, waarbij de Adviseur zich over de Klant ontfermt als ware hij een zieke patiënt. De Adviseur stelt een diagnose en schrijft medicijnen en therapie voor om de Klant weer beter te maken. In dit type relatie is de Adviseur iemand die luistert naar de Klant maar het uiteindelijk, vanuit zijn deskundigheid, beter weet.

Als ik mijn onderzoek naar psychopathie niet in gevangenissen had kunnen doen, was ik zeker uitgeweken naar de effectenbeurzen (Robert Hare).

Ook het werk van Manfred Kets de Vries over ‘Neurotische Organisaties’ (zijn standaardwerk samen met Miller hierover is uit 1984) beschrijft ongezonde organisaties, vooral in psychologische zin. De metafoor van de psychopathologie (zieke geesten) is erg doeltreffend om de ongesteldheid van organisaties te beschrijven. Het boek Leiderschap Ontraadseld uit 2001 geeft een mooi overzicht van zijn werk.

Een belangrijk probleem in veel organisaties is de gekte van leiders. Robert Hare ziet in de top van organisaties zelfs relatief veel psychopaten rondlopen: slangen in pak (Snakes In Suits moet nog verschijnen, zie Intermediair van 4 januari 2005). Ze zijn vooral eng omdat ze charmant en sociaal overkomen, maar meedogenloos zijn in het bereiken van hun doelen. Ze hebben grote ego’s, kunnen goed liegen en goed fantaseren. Met hun fantasie kunnen ze visie maken en als leugenachtige charmeur manipuleren ze zich snel naar de top. Zij zouden verantwoordelijk zijn voor veel ongeluk in organisaties.Volgens Kets de Vries lijden veel leiders aan persoonlijkheidsstoornissen. Hij noemt dat de f-factor (faalfactor). Ze vertonen bijvoorbeeld vermijdingsgedrag, of zijn narcistisch of hebben angsten. Deze neurotische leiders hebben aanzienlijke invloed op het ontstaan van neurotische organisaties.

Hoewel je kunt betwisten of Kantoren echt een ‘persoonlijkheid’ hebben, kunnen er toch gedragspatronen ontstaan bij grotere groepen mensen die veel lijken op persoonlijkheid en stoornissen daarin. Zo kunnen organisaties theatraal zijn, achterdochtig, afstandelijk, dwingend en depressief. Ze kunnen geobsedeerd zijn door macht, door controle en door succes. Of ze zijn angstig, vermijdend en onzeker. Het is heel eenvoudig om de absurde gedragingen van Kantoren te ontdekken. Het klokken van aanwezigheid bijvoorbeeld, is op z’n zachtst gezegd achterdochtig. En de bombarie waarmee veranderplannen soms gepresenteerd worden is vaak theatraal. En wat te denken van de dreigingen en gevaren die worden genoemd, om reorganisaties te legitimeren. Daarin schuilt toch echt een angststoornis. Of de zucht naar perfectie, het willen ‘pleasen’ van klanten, de verslaving aan audits, de angst voor kritiek, het gebrek aan geestelijke flexibiliteit. Kantoren zijn met gemak neurotisch te noemen en wie zich verdiept in de psychopathologie weet dat de symptomen vaak uiting zijn van een diepe, lastig te veranderen persoonlijkheidsstructuur. Neurotische organisaties zijn niet zomaar eventjes te ‘genezen’. Hetzelfde geldt voor vergiftigde organisaties.

Vergiftigde Kantoren
Een vrij recente term is de zogenaamde ‘Toxic Organisation’: de vergiftigde organisatie. Robert Bacal (www.performance-appraisals.org) stelt dat je zulke organisaties kunt herkennen aan twee hoofdsymptomen. Ten eerste heeft zo’n organisatie een lange historie van slecht presteren. Ten tweede is er een zeer hoog niveau van stress en onvrede bij de medewerkers. Zijn conclusie is dat giftige organisaties ernstige en langdurige schade kunnen berokkenen aan de werknemers. Kijken we naar de opsomming van symptomen, dan lezen we in feite de kern van alle voorgaande hoofdstukken, zoals:

  • doelen worden alsmaar niet gehaald, ondanks goede voornemens;
  • men voelt zich machteloos om dingen ten goede te veranderen;
  • angst en vermijding is voor velen de drijfveer om beslissingen te nemen;
  • men ervaart weinig emotionele of professionele support;
  • er is – uiteraard – slechte interne communicatie;
  • onderlinge relaties zijn verziekt door manipulatie en egocentrisme.
Toxic organisation

Toxic organisation

Hij beschrijft ook de ‘toxic’ leader, en daarmee kan hij Kets de Vries de hand schudden. Beiden zien in slecht management één van de hoofdoorzaken van ziekte in organisaties. Zulke leiders worden in een groeiend aantal artikelen beschreven als gericht op de korte termijn, afstandelijk, intimiderend, arrogant en egocentrisch. Soms zijn het ruwe, onberekenbare schreeuwers; soms zijn ze wreed en rancuneus achter een façade van zelfbeheersing. Medewerkers zijn bang en geïntimideerd en houden kritiek voor zich, zodat de situatie lang kan blijven bestaan. Deze extreme vormen zul je in de keurige Kantoren in Nederland niet zo vaak zien. Maar het effect van slecht leiderschap is er niet minder om. Het woord ‘vergiftigd’ is ook niet voor niets gekozen. Er wordt gedoeld op een langdurige, sluipende invloed van kwalijke stoffen, die het systeem langzaam maar zeker van elke vitaliteit beroven. Er is een groot contrast tussen de kleinheid van de oorzaak en de omvang van het uiteindelijke effect. En als je ‘het’ ontdekt is het kwaad helaas al geschied.

Een verkeerde diagnose

Kijken we naar individuele gevallen, dan zullen we steeds weer een logische beoordeling kunnen maken over iemands arbeidsongeschiktheid. En als het te lang duurt dan wordt je opgeroepen voor een ‘herbeoordeling’. Kijken we naar een nieuwe reorganisatie dan is de aanleiding en de noodzaak daartoe meestal goed te begrijpen. Komt er weer een interessant nieuw managementconcept op de markt, dan willen we dat vaak maar wat graag implementeren. Maar als we niet uitkijken blijven we de verkeerde diagnose stellen. Te kleinschalig en te kortzichtig. Er is op grote schaal iets niet in orde met werk en organisatie. Werk zou mensen een bestaan en voldoening moeten geven in het leven, hen tevreden en nuttig maken. Onze gezamenlijke, georganiseerde inspanningen zouden welvaart en welzijn kunnen veroorzaken, voor iedereen, op een duurzame wijze, zonder hypotheek te nemen op de toekomst. Maar dat is lang niet altijd wat ik zie.

Wie is er eigenlijk arbeidsongeschikt?
De pers meldt dat de instroom in de WAO in 2004 fors gedaald is. Dat zou reden zijn voor de politiek om met nieuwe maatregelen maar even te wachten, omdat het eerder gestelde ‘streefcijfer’ immers al gehaald is. Dat vindt bijvoorbeeld het FNV (Trouw, 20 augustus 2004). Maar is dat niet een wat kortzichtig standpunt? Niet alleen is de daling waarschijnlijk deels te verklaren uit het feit dat verzekeringsartsen strenger zijn geworden, bovendien zegt het nog niet zoveel over de uitstroom en de verblijfstijd in de WAO. In 2004 is de instroom nog altijd ongeveer 60.000. Dat zijn weer heel veel mensen die in één jaar het front afmarcheren. Nederland gaat in Europa aan kop als allergrootste verbruiker van WAO. Al jarenlang.

Enquêtes laten zien dat mensen met plezier naar hun werk gaan (zie hoofdstuk 1). Maar dat is dan wel na aftrek van alle mensen die niet meer kunnen, willen of mogen werken. De werkende beroepsbevolking is ongeveer 7 miljoen. Dan is driekwart miljoen arbeidsongeschikten een buitenproportioneel groot aantal, en dan heb ik het nog niet eens over (onvrijwillig) werklozen. Ik denk dat er veel van hen graag zouden werken, maar níet in de arbeidsongeschikte Kantoren die er na decennia van rationalisering, schaalvergroting en reorganisaties zijn ontstaan.

Er wordt door politiek en gespecialiseerde organisaties (de werk-en-inkomen keten) vooral aandacht gegeven aan langdurig zieken (herbeoordelen), langdurige werklozen (omscholen) en dreigende arbeidsongeschikten (verzuimpreventie). En dat is ook nodig. Maar de organisaties waarvan al deze mensen niet goed worden zouden meer aandacht moeten krijgen als ziekteverwekkers. Er zal best misbruik gemaakt worden van de zorg in Nederland. Maar zal het helpen om mensen – zelfs de lamlendigen en de onverbeterlijken – het arbeidsproces in te dwíngen? Zou het niet veel handiger zijn om de werkomgeving weer arbeidsgeschikt te krijgen?

The big picture
In het begin van de vorige eeuw doet Scientific Management zijn intrede. Frederic Taylor wist de productiviteit van werknemers enorm te verbeteren door productiemethoden rationeel te analyseren. Algauw kwamen er tegengeluiden, zoals uit de Hawthorne onderzoeken, waaruit geconcludeerd werd dat niet alleen perfecte werkmethoden, maar ook zachte factoren als aandacht en samenwerking tot hogere productie konden leiden. In de vorige eeuw hebben we heel wat bewegingen gekend, en zijn we via human relations, cultuurprogramma’s, kwaliteitscirkels, zelfsturende teams, verplattende organisaties, matrixorganisaties en excellente organisaties aangekomen in het begin van de nieuwe eeuw. Een nieuwe trend heet ‘greatness’. Jim Collins boek (From Good to Great, 2001) is in feite een herhaling van talloze andere wonderaanpakken waarmee de organisatie tot geniale prestaties zou moeten komen. Stephen Covey haast zich om een boek uit te brengen met een ‘achtste’ discipline. Inderdaad: greatness. Blijkbaar waren zijn wereldwijd bekende Seven Disciplines in de eindfase van hun productlevenscyclus. Er is niks nieuws onder de zon. Het komt er steeds weer neer op het nóg beter laten produceren van Werknemers. En is dat fout? Nee, daar is op zich niets mis mee. Als we ons vernuft kunnen aanwenden om mensen gelukkiger te maken, zuiniger met grondstoffen om te gaan en de aarde mooi te laten dan is er niets mis mee.

Niet mensen, maar organisaties zijn arbeidsongeschikt.

Maar er is een groot misverstand ontstaan. Dat welvaart altijd belangrijker is dan welzijn. En hoewel in de vorige eeuw alle kennis verzameld is om te weten hoe we Medewerkers gelukkig kunnen maken, zijn organisaties de weg kwijt geraakt. De weg die veel organisaties de laatste decennia zijn ingeslagen zie ik als een dwaling. En vele Kantoorbewoners met mij. Mensen willen iets betekenen in de wereld, een wereld die veel groter is dan welke organisatie dan ook. De roep om zinvol, menswaardig en creatief werk klinkt luid – voor wie het wil horen.

Geluk op de balans
Ik vind een persoon die rode ogen heeft, een gele tong, vlekken op het sterk vermagerde lijf, die zich vreemd uitdost, die ongeloofwaardige verhalen opdist, die uren achtereen naar de grond staart, die met een mes rondzwaait en die voortdurend roept ‘ach het gaat vanzelf weer over’ behoorlijk abnormaal. Misschien wel ziek.

Ik vind een gebouw dat architectonisch elke menselijke maat mist, waar men uren achtereen naar beeldschermen tuurt of in dossiers neust, waar mensen over elkaar de baas mogen spelen, waar men zich hult in eentonige grijze pakken en waar in een vertrouwelijk interview bijna iedereen je durft te vertellen dat ze er ‘diep in hun hart helemaal níet willen zijn’ ook behoorlijk abnormaal. Ziek eigenlijk.

Als organisaties ‘gezond’ zijn wordt er meestal gedoeld op de financiële situatie. Gezondheid en geluk van Medewerkers zijn op z’n best randvoorwaarden, condities of eventueel bijproducten. Is geluk een onderdeel van het INK-model? Het welbevinden van Kantoorbewoners is nog steeds te weinig expliciet het doel van organiseren. Het gaat uiteindelijk teveel over winst, kosten en productie. Geld maakt niet gelukkig zeggen ze, maar geluk is blijkbaar niet geldig.

Ik vroeg één van mijn beste vrienden hoe zijn collega’s reageerden op zijn beslissing om zijn baan bij de Grote Bank op te zeggen. Hij vertelde dat zonder één uitzondering iedereen hem feliciteerde met dit ‘dappere’ besluit en dat vrijwel iedereen verzuchte: ‘Jij doet wat ik ook zou willen doen’. Op ontsnappen uit de kantoorgevangenis zal ik in deel V ingaan. Maar zover is het nog niet. Eerst naar deel II,  waarin ik meer op zoek ga naar verklaring achter de waarneming.

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie