OR Informatie 4 (april 2006) – Weinig bezieling, veel klagen

Vijf Vragen aan…  Martijn Vroemen

Duizenden mensen gaan iedere dag naar glazen blokkendozen om zich daar met weinig bezieling  aan een taak te wijden. Onderwijl klagen deze werknemers over chefs, werkinhoud, arbeidsvoorwaarden en vooral ook voor zichzelf.  Eenmaal thuis is men moe, maar niet voldaan. In zijn boek ‘Kantoorlog’ (uitgeverij Scriptum)  beschrijft Martijn Vroemen, partner bij de adviesgroep Organisatieontwikkeling van Twynsta Gudde in Amersfoort, hoe kantoormedewerkers van hun werk vervreemden of er arbeidsongeschikt door raken. ‘Maar met de schrik of de verbazing begint ook de strijd tegen de vervreemding.’

door Loek Kusiak

1. Uw boek is ‘een aanklacht tegen ongeluk in kantoororganisaties’. Geschrokken van wat u tegenkwam?

‘Dit boek zie ik bijna als een testament van mijn werkzame leven tot zover. Het is  zowel uit verontwaardiging als uit frustratie  ontstaan. Ik kreeg het gevoel: over wat er op veel kantoren gebeurt, moet aan de rem getrokken worden. ‘Kantoorlog’ laat zien dat sprake is van een worsteling tussen de wens om zinnig en gelukmakend werk te hebben versus alle mechanismen die zijn ontstaan die die zingeving tegengaan gaan. Het is dus veel meer dan alleen een strijd tussen leiding, management en medewerkers.’

2. De klaagcultuur die u signaleert is bepaald ernstig en ziekmakend. De term ‘mentaal absenteïsme’ valt. Waar heeft al dat geklaag mee te maken?

‘Er zijn mensen die hun werk vervelend zijn gaan vinden omdat ze niet meer hun idealen kunnen nastreven. Ze worden opgeslokt door fusieperikelen, afreken- en vergadercultuur, bureaucratie, efficiencyslagen. Dat zie je  sterk in het onderwijs en in de gezondheidszorg. Maar ook in minder bevlogen omgevingen als banken of nutsbedrijven kom je mensen tegen die de weg zijn kwijtgeraakt van wat ze ooit aan het doen waren. Voor een deel zijn ze inderdaad alleen nog bezig met salaris verdienen, maar ook onder hen hoor je de verzuchting: ‘ ik zou eigenlijk wat anders willen doen,  mijn talenten willen inzetten voor iets dat voor toegevoegde waarde heeft.’ Dat kantoren hun mensen dit niet bieden maakt de organisatie arbeidsongeschikt, niet de mensen die er werken. Het venijnige van klaagculturen is dat ze machteloosheid veroorzaken. Klagen, de schuld vrijwel altijd bij een ander leggen,  is daardoor een verslaving geworden. Je hebt elke dag je dosis nodig.’

3. Ook leidinggevenden, de managers, krijgen er flink van langs…

‘Ook zij missen bezieling, als ik kantoormedewerkers mag geloven. Managers zijn vaak het doelwit van spot. Medewerkers klagen er vooral over dat er niet naar hen geluisterd wordt, dat managers slecht communiceren, geen visie uitdragen en vooral gewichtig doen. Er is veel schroom voor echt menselijk contact. Maar ook het management klaagt, net als de topbestuurder. De vinger wijst ontzettend vaak naar boven. Het is in feite een samenhangend probleem. De medewerkers laten het in al hun machteloosheid ook gebeuren. Maar ik kan me evenzeer voorstellen dat managers soms  wanhopig worden van lamlendigheid op de werkvloer. Ik wil medewerkers allerminst afschilderen als een zielig volkje dat slachtoffer is van kwaadwillende managers. In een enkel geval dat ik ken is wel bewust sprake van slecht werkgeverschap. Zoals een callcenter waar mensen systematisch geen vast contract krijgen omdat ze anders te duur worden. Dus worden ze er na een paar jaar weer uitgewerkt.’

4. Wat kan het overleg, zoals een ondernemingsraad,      doen om de klaagcultuur te doorbreken?

‘Er is niet één oplossing. Maar met de verbazing of schrik over de vervreemding moet ook de strijd ertegen beginnen, om organisaties stapje voor stapje om te vormen tot omgevingen waar echte communicatie en zingeving mogelijk moet is. Opleidingen zouden bijvoorbeeld betere managers kunnen opleveren. Organisaties kunnen ook veel beter naar de opvolging van managers  kijken.  Ondernemingsraden kunnen proberen goed overleg vlot te trekken, waarbij het ook tot samenwerking komt en minder tot ‘wij-zij’ denken.

5. Verantwoord of duurzaam ondernemen is volgens u de       sleutel tot zingeving. Wat houdt dit in?

‘Als werk volstrekt virtueel is en geen verbindingen aangaat met de problemen van deze samenleving, dan gaat dat wringen bij mensen. Denken over duurzaamheid, over diepgang in ondernemerschap,  is hét middel tegen de kortzichtigheid, waarmee veel zingeving uit het werk is wegbezuinigd, weggefuseerd en wegveranderd. Werknemers zijn er trots op als ze iets kunnen teruggeven aan de samenleving waaruit ze zoveel winst hebben gehaald. ctief weldoen aan de wereld kan moedeloosheid in kantoren doorbreken en de bezieling terugbrengen.’

Auteur
Martijn Vroemen is adviseur voor teams en organisaties in ontwikkeling. Meer informatie op www.martijnvroemen.nl

Geef een reactie