6. Een spel zonder winnaars

Over onwaarachtig en onwaardig gedrag in Kantoor

De werkelijkheid en de waardigheid wordt op Kantoor veel geweld aangedaan. Ten eerste verlokt het decor van een Kantoor mensen onbewust tot het spelen van allerlei rollen. Ze gedragen zich – om met een modeterm te spreken – niet authentiek, dus behoorlijk onwaarachtig. Ten tweede maken de verhoudingen op Kantoor dat mensen soms zelfs bewust een spel gaan spelen om er zelf beter van te worden. De Kantoorpolitiek maakt hun gedrag dan óók nog onwaardig.

Het Kantoor als toneelstuk

‘Het is maar spel’, wordt wel eens gezegd, om aan te geven dat het allemaal niet zo serieus is. Spelen is een natuurlijk vermogen van mensen en dieren dat waarschijnlijk het meest zichtbaar is in de vroege jeugd. Kinderen spelen niet alleen om zich te vermaken. De functie van spelen is vooral ook om ervan te leren. ‘Doen alsof’, is een veilige manier om te experimenteren met het ‘echte’. De grens tussen dat echte en het onechte is veelal duidelijk. Een pop slaan is niet hetzelfde als een kind slaan. Maar de grens tussen spel en werkelijkheid hoeft niet altijd zo helder te zijn. Zelfs kinderen leren al heel jong dat ze met de ‘werkelijkheid’ kunnen ‘spelen’.

Als volwassenen ‘spelletjes’ gaan spelen, dan is het uitkijken geblazen. Dan wordt het ineens de kunst om spellen te ‘doorzien’, of juist om ze geraffineerd mee te kunnen spelen. Op Kantoor worden ook spellen gespeeld en ze zijn lang niet altijd bedoeld als vertier. Sommige van die spellen hebben een andere betekenis: ze hebben de bedoeling een werkelijkheid te creëren of om een werkelijkheid te maskeren. De meest bekende vorm van zo’n spel is het toneelstuk, waarin een werkelijkheid wordt neergezet, met een script, een decor en acteurs die een rol spelen. Ook in organisaties worden rollen gespeeld.

Rollen spelen op Kantoor
Mensen hebben niet alleen taken in organisaties, en ze vervullen niet alleen functies: ze spelen vaak ook nog een rol. Hierbij is vaak niet meer goed te onderscheiden waar de rol ophoudt en de speler begint. Mensen spelen in organisaties voortdurend rollen, soms meerdere, tegen de achtergrond van heuse decors, gehuld in echte kostuums en gebruikmakend van scripts, regisseurs en souffleurs. En ze spelen die spellen met dodelijke ernst.

Ik sprak met iemand bij een groot Nutsbedrijf over zijn bemoeienissen met het thema Veiligheid in dat bedrijf. Hij nam eerst een kwartier de tijd om mij uit te leggen met welke ‘petten op’ hij allemaal aan tafel zat. Ik zag niet meer en niet minder dan een man van middelbare leeftijd die verhalen wist te vertellen over ongelukken en bijna-ongelukken. Hij was kalend en had écht geen enkele pet op, maar ze waren voor deze man levensecht. Hij goochelde met petten, rollen en ‘hoedanigheden’, deelde documenten ‘onder embargo’ uit (die ik dus ‘niet had’, hoewel ze wel degelijk in mijn tas zaten) en verwees mij naar MT-leden die ik beslist ook ‘moest’ spreken. Niet omdat ze meer wisten, maar om de Lieve Vrede. Het was duidelijk dat in deze man behalve een professional ook nog een groot acteur schuil ging. Wat ik niet weet is of hij mij zag als extern Adviseur die hem kwam interviewen of als publiek. Maar vermakelijk was het wel.

Acteur of authentiek?
In de psychologie en de sociologie zijn er verschillende theorieën die het sociale leven verklaren als spel. Sommige van die theorieën gaan zo ver te beweren dat er geen principieel onderscheid is tussen spel en werkelijkheid. Erving Goffman gebruikt het theater als een metafoor om sociale verschijnselen te onderzoeken en te verklaren. Gedrag noemt hij een ‘voorstelling’ en mensen zijn acteurs (The Presentation of Self in Everyday Life, 1959). Een belangrijk aspect hiervan is hoe iemand zich aan de buitenwereld wenst te presenteren. De veronderstelling is dat mensen voortdurend in interactie met de omgeving een ‘impressie’ van zichzelf neerzetten (impression management). Belangrijk daarbij is dat de persoon die iemand wenst neer te zetten niet uitsluitend een eigen verzinsel is, maar tevens een product van de omgeving. Het is de sociale interactie die de voorstelling creëert waarin iemand zijn rol speelt. De grens tussen een ‘authentieke’ identiteit en een ‘imago’ wordt daarmee moeilijk te definiëren. Hoewel Goffman een grote mate van bewustzijn veronderstelt in het spelen van je rol, is er ook veel voor te zeggen dat een flink deel van iemands gedrag ook onbewust rollenspel is. Een bekend voorbeeld is het systeem van gedragsinteracties van Timothy Leary. Mensen die dominant gedrag vertonen, lokken vaak onderdanig gedrag bij anderen uit, die zich dat níet bewust hoeven te zijn. Een Manager kan domineren zonder het te weten (komt vaak voor tegenwoordig) en een Medewerker kan verzet plegen zonder het te weten (komt ook veel voor).

Wanneer we bereid zijn onze hypocrisie onder ogen te zien, ontdekken we dat diepe persoonlijke schaamte ons dichter bij de kloven in onze integriteit brengt (Robert Quinn).

Authenticiteit is op dit moment en veelbesproken thema. Susan Harter stelt in haar overzichtsartikel (Authenticity, In: Handbook of Positive Psychology, 2004) dat de meningen daarover in de loop der tijd zijn veranderd. Pleitten bekende sociaal psychologen als Rogers, Maslow en Allport midden vorige eeuw nog voor het ‘geïntegreerde’ ware zelf, tegenwoordig is de opvatting gangbaar dat mensen in de complexiteit van de huidige samenleving flexibel ‘spelen’ met verschillende ‘zelven’ en identiteiten. Toch denk ik dat de gangbare opvatting bij de meeste mensen hierover nog is dat er zoiets bestaat als een onvervreemdbare, echte identiteit. Hiermee gerelateerd is het verschijnsel ‘vervreemding’ (zie hoofdstuk 3) dat op Kantoren voor veel Medewerkers voelbaar is. De mate waarin iemand disharmonie voelt (of onbewust ervaart) tussen wat hij ‘van binnen is’ (wat dat dan ook moge zijn) en wat hij naar buiten toe ‘neerzet’ zou een aanjager kunnen zijn voor dit gevoel van vervreemding. Hoe losser je van jezelf komt, hoe absurder de wereld waarin je je zelf terugvindt. Wie dat stelselmatig blijft ontkennen, of de gespeelde wereld als de enige werkelijke gaat zien, loopt kans ongelukkig te worden.

Kantoorlog Martijn Vroemen  H06-1 ...maskers van een bizar spel...De druk in Kantoren om iemand anders te zijn dan je ‘werkelijk’ bent, is groot. Zelfs in deze tijd, waarin individualiteit heilig is verklaard, waarin uniformerende regels steeds meer verdwijnen, is het verzoek van de omgeving je aan te passen, soms heel subtiel, nog steeds heel fors. Alleen al de sinds enkele decennia ingepompte gedragspatronen rondom klantgerichtheid creëren een voorstelling van een hoog dramaturgisch gehalte. In ons land kunnen we nog verbaasd staan over de ‘onechtheid’ waarmee Amerikanen hun clientèle benaderen. Maar we stappen dan misschien wat makkelijk over onze eigen Hollandse schouwspel heen. Wat in organisaties ‘cultuur’ is gaan heten, is misschien wel het script dat Kantoorbewoners voorgeschoteld krijgen. Een script dat vraagt om aanpassing, het begrijpen van de regels en het leren spelen van het spel. In de voorstelling die het Nederlandse Kantoor opvoert, gaat het bijvoorbeeld om de verslaving aan veranderen (zie hoofdstuk 15) en de illusie van gelijkheid (zie hoofdstuk 23). En wat te denken van het nog altijd zeer krachtige: ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’. Wáren we maar wat gekker!

Veel organisaties kennen een verschil tussen de voorstelling die naar buiten toe gespeeld wordt en de ‘werkelijkheid’ achter de schermen, of in de coulissen. Hoewel het gedrag daar informeler zou kunnen heten, wordt ook daar een voorstelling gegeven. Voor een ander publiek weliswaar: namelijk elkaar.

Modern personeelsbeleid, of wat daar voor door wil gaan, draagt aan dit proces stevig bij. Geen Kantoor zonder ‘competentieprofielen’ waartegen de Kantoorbewoners worden ‘ge-assessed’. Het selecteren van mensen op hun kwaliteiten is al zo oud als organisaties zelf. Maar inmiddels zijn we ook nog volledig vertrouwd geraakt met de gedachte dat werknemers ‘ontwikkeld’ moeten worden in de richting van de door het Kantoor wenselijk geachte competenties. Het zou veel vooruitstrevender zijn wanneer ‘talentmanagers’ principieel zouden uitgaan van de talenten, waarden, mogelijkheden en ambities van medewerkers in plaats van omgekeerd. Wat nu nog vaak eufemistisch ‘matchen’ van organisatie en medewerker wordt genoemd, is toch te vaak het persen van een uniek mens in de mal van het Kantoor. Ik vrees dat de subtiele boodschap van ‘persoonlijke ontwikkelcontracten’ voor veel Kantoorbewoners is: ‘Ik mag niet zijn wie ik ben’. En daarmee ligt een bron van vervreemding op de loer.

Voor onbewuste spelers is er geen spel
Het spel in organisaties is meermaals bijzonder grappig. Gelukkig laten cartoonisten als Peter van Straaten en Scott Adams ons dat zien. En TV-makers als Jiskefet (Debiteuren Crediteuren) en de BBC (The Office). Soms zit ik bij een directieteam te luisteren naar hun voornemens en problemen, en dan heb ik het gevoel eruit te stappen. Ik zie mezelf en alle directeuren van een afstand zitten en verander in publiek. Ik voel dan grote verbazing en ik denk dat minstens de helft van die directeuren dat ook diep van binnen voelt. Ze denken aan vakantie en seks of aan hun zorgen en verwijten. Ze zijn in ieder geval niet ‘in tune’, laat staan ‘in flow’.

Ik ken veel mensen die zeggen ervan te genieten hun spel te spelen en die zich dat ook – klaarblijkelijk – volledig bewust zijn. Ik zie ook mensen die zich absoluut niet bewust zijn van welk spel dan ook, die beweren ‘gewoon’ hun werk te doen. De vraag is dan of zij een spel spelen, omdat het onderscheid tussen spel en echt voor deze Kantoorbewoners irrelevant is.

Maar ik ken nog meer mensen die er niet zo’n lol in hebben en die elke werkdag opnieuw een vaag schuren voelen tussen wat ze van binnen zijn en wat ze op het kantoorpodium neerzetten. Die niet bij tijd en wijle kunnen ‘uittreden’ en die langzamerhand steeds ongelukkiger worden. Ze voelen zich afhankelijk van hun organisatie en gaan zich ook steeds afhankelijker gedragen. Totdat ze uiteindelijk geïnfantiliseerd zijn en zich uitputten in vingerwijzen en klagen bij wie het maar horen wil. Die klacht wordt dan vaak niet gedeponeerd bij degene voor wie die bedoeld is. Daarvoor heb ik als Adviseur té vaak als vertaalmachine moeten fungeren tussen Medewerkers en Managers die elkaar om allerlei redenen niet konden verstaan.

Niet kunnen … of niet willen ontsnappen

Hoewel mensen soms onbewust spellen spelen is dat zeker niet het geval in de politieke arena. Daarin past juist een grote mate van bewust en strategisch handelen.

Politiek en rattengedrag
Ik kan me als Adviseur bijna geen opdracht herinneren waarbij ik niet op één of andere manier in politiek gedrag betrokken werd. Er zijn altijd belangentegenstellingen, discussies over wat ‘waar’ is en personen die wel of juist níet betrokken moeten worden. Van naïeve en onbevangen openheid is in vrijwel geen Kantoor sprake. Als een gegeven in het Kantoorbestaan kan ik daar prima in meegaan. Maar soms loopt het gekonkel en de geniepigheid de spuigaten uit. Hoe kunnen Adviseurs toch beweren dat ze ‘belangeloos’ en ‘onafhankelijk’ advies geven (zie hoofdstuk 5) wanneer ze met zóveel politieke factoren rekening moeten houden? Het Kantoor is een mijnenveld en de slachtoffers hebben namen en gezichten. En inderdaad, het ís zo dat succesvolle Managers óók goed in Kantoorpolitiek zijn. En overigens, het is óók zo dat een beetje Medewerker er nét zo hard aan meedoet. Rattigheid is geen Kantoorbewoner vreemd.

Maar hoeveel mensen zullen de bestseller van Joep Schrijvers (Hoe word ik een rat? 2002), lezen als een lang volgehouden parodie op de politieke Kantoorverschrikkingen die iedereen kan waarnemen? Ik vraag me af of niet veel lezers zijn tips en trucs nét iets te serieus zullen nemen. En wat zullen ze van de epiloog vinden, waarmee de titel van het boek eigenlijk ‘Hoe ben ik een rat?’ zou mogen heten? Een mooie, haast existentialistische afsluiter: we hebben allemaal vuile handen!

De bedrieger zal altijd mensen vinden die bedrogen willen worden (Machiavelli).

En het wordt ook niet ontkend. Jezelf búiten de arena verklaren is op z’n minst verdacht. Vooral wanneer we aanvaarden dat juist het veinzen van onschuld een doeltreffende ‘tactiek’ in politiek ‘rattengedrag’ heet te zijn. Wie beweert géén invloed te willen, en wars te zijn van macht roept júist de verdachtmaking over zich af. Met als genadeslag het argument dat zo iemand zich zijn eigen politiek gedrag nog niet bewust is.

Kantoorlog Martijn Vroemen  H06-2 ...ontsnappen aan Kantoor...Meedoen of muurbloempje
Mijn vraag is nu: hoe kan het dat Kantoorbewoners dit allemaal toelaten? Waarom zijn er zoveel mensen die al die spellen meespelen? Zó leuk zijn ze immers niet! Ik denk dat we oorzaak kunnen zoeken in twee verklaringen: mensen kúnnen er niet uitstappen en ze wíllen er niet uitstappen.

Kantoorbewoners zitten te vaak gevangen in een werkelijkheid waaraan ze niet kunnen ontsnappen. Ze zien soms precies in wat voor ellende ze zitten, maar hebben niet de kracht om zich als een Baron von Münchhausen met paard en al aan de eigen haren uit het moeras te trekken. Maar nog vaker zijn ze als de bewoners van Plato’s grot (zie hoofdstuk 18), die zich volledig hebben vereenzelvigd met de werkelijkheid die ze denken waar te nemen. Zich niet bewust van het feit dat er misschien een leuker leven buíten Kantoor is. De kracht van de betekenisgeving in organisaties en in sociale verbanden is bijzonder sterk en het is erg moeilijk om daar doeltreffend afstand van te nemen. Laat staan er openlijk kritiek op uit te oefenen. En degene die het wel doet, wordt maar al te vaak geëxcommuniceerd. Weggehoond als ‘beste stuurman aan wal’, verdacht gemaakt als ‘de waard en zijn gasten’ of om de oren geslagen met ‘En wat heb je er zelf aan gedaan?’.

Rest er nog de categorie, de meest interessante eigenlijk, van hen die het wél allemaal zien, maar er tóch niet uit willen stappen. Ik zie er veel voorbeelden van: de Vermoorde Onschuld (‘Ik bedoel het allemaal zo goed’) of de Jewish Grandmother (‘Nee, let maar niet op mij’). En ook de Angsthazen (‘Het heeft toch geen zin’) en de Onderkruipsels (‘Ik bemoei me nergens mee’). Of de Jaknikkers (‘Hij zal het wel weten’). Ze klagen állemaal, maar willen niet geholpen worden. Want als je niet meespeelt kom je aan de zijlijn te staan. En wie wil er nou op de reservebank of als muurbloem toezien? Velen blijkbaar, want in mijn ogen is het klagen-en-nietsdoen jezelf op een ongelofelijke manier niet serieus nemen. De paradox is compleet: door het spel mee te spelen, zet je jezelf buiten spel.

We hebben met Kantoren een merkwaardig podium gecreëerd, waarop veel mensen een rol spelen die ze niet erg gelukkig maakt. De manieren waarop we dat legitimeren zijn talrijk. We noemen gedrag ‘formeel’ en dan is het goed. We noemen een handeling ‘politiek’ en dan is het goed. Of we zeggen dat het maar een ‘spel’ en dan is het goed. Maar waar blijft ons kritisch vermogen? Is het leven op Kantoor dan echt zo normaal?