14. Monocultuur

Over hoe Kantoren geen afspiegeling van de samenleving zijn

Het blijft toch merkwaardig dat elke ochtends vroeg half Nederland zich ineens naar Kantoren spoedt en dat daar plotsklaps de onderlinge verhoudingen volstrekt anders zijn dan daarbuiten. Niet alleen zie ik daarin een verklaring voor het feit dat er veel Kantoorellende is, maar vooral ook voor het feit dat het zo moeilijk is te doorbreken. Ondanks het aanhoudend veranderen blijven organisaties op dit punt belegen, ouderwets en zijn het contact met de samenleving aan het verliezen.

Zakelijk van buiten, zielloos van binnen

Probeer je weer eens oprecht te verbazen over de bijzondere wereld die zoveel medewerkers elke dag binnentreden. Stel je voor hoe een Marsbewoner na een vakantie op Aarde aan vrouw en kinderen zou vertellen over de forenzencultuur! Of makkelijker, wat zou een inboorling ervan vinden als ie zag wat wij tussen negen en vijf achter onze bureau- en vergadertafels aan het prutsen zijn. Zoiets probeerde Erich Scheurmann te doen toen hij in 1929 een boek uitgaf met als titel ‘redevoeringen van het Zuidzee opperhoofd Tuiavii van Tiavea’ (De Papalagi, 1929).

Door de ogen van een inboorling
‘Iedere Papalagi (westerling) heeft een beroep. Het is moeilijk nauwkeurig te zeggen, wat dat is. Het is iets waartoe men grote lust behoorde te hebben, maar waar men meestal geen lust in heeft. Een beroep hebben, dat is: altijd hetzelfde doen. Het zo vaak doen dat men het met gesloten ogen en zonder de minste inspanning doen kan … Er zijn mannelijke en vrouwelijke beroepen. Kleren wassen in de lagune en voethuiden (schoenen) glimmend maken zijn vrouwelijke beroepen, met een schip over zee varen of duiven schieten in het woud zijn mannelijke beroepen … Slechts een enkele Papalagi kan nog springen en draven als een kind wanneer hij een man geworden is. Bij het lopen slepen ze hun lichaam langs de lucht en bewegen ze zich voort alsof ze voortdurend zware lasten moeten dragen. Zijn beenderen zijn hard en onbeweeglijk geworden, de vreugde heeft zijn spieren verlaten, omdat het beroep ze tot slapen en tot de dood veroordeelt. Ook het beroep is een situ (geest) die het leven vernietigt. Een situ die de mensen schone beloften toefluistert, maar het bloed uit zijn lichaam zuigt …’

Meer variatie graag

Meer variatie graag

In deze stijl vertelt ons het opperhoofd van een Zuidzee-eiland (waarvan later is vastgesteld dat Scheurmann hem uit zijn duim gezogen heeft) over onze verslaving aan geld, over hoe wij de tijd in partjes verdelen (minuten) en over hoe mensen als dikke modder door stenen spleten (straten) stromen. Ik ben blij dat het opperhoofd uit de duim van Scheurmann gekropen is, want hij laat ons vermakelijk én confronterend zien hoe absurd ons moderne leven er uitziet!

Een Kantoors voorkomen
Zie de entree van het Kantoor en realiseer je dat je een vesting binnen treedt, met pasjes en poortjes. Een andere wereld. Luister eens naar de griezelige stilte in de Kantoortuin, waar groepjes mensen letterlijk de hele dag naar een lichtgevend, glazen vierkant staren. Science fiction of horror? Let eens op het gebruik van tijd. Hoe onaangekondigd iedereen op hetzelfde moment gaat eten, alsof iedereen gelijktijdig honger heeft! Zie het uitzicht en bedenk je dat niemand hier óoit op vakantie zou willen gaan. Bekijk eens écht de decoraties en de kunstvoorwerpen die bedoeld zijn om de gangen en trappenhuizen menselijk te maken. In de meeste gevallen zijn het gedrochtelijke weeskindjes waar niemand echt belangstelling voor heeft. Loop eens door de gangen na zes uur ’s avonds en voel of er ook maar greintje van warmte en menselijkheid van die werkdag is blijven hangen. De ‘flexibele werkplekken’ zien er dan net zo uit als een verlaten winkelcentrum. Het is van niemand en je laat er makkelijk zwerfvuil achter.

Kantoren zijn zakelijke omgevingen die weinig te maken hebben met de zintuigelijke compleetheid van de echte wereld.

Gelukkig zie ik ook de pogingen om werkomgevingen te ontdoen van hun ouderwetse gevangenisvoorkomen, en soms zijn die pogingen geslaagd. Maar te vaak zie ik imponerende glas-en-staalconstructies aan de voorkant en geestdodende, gelijkvormige kamertjes aan de achterkant. Kantoren zijn functionele omgevingen die weinig te maken hebben met de zintuiglijke compleetheid van de echte wereld. En miljoenen mensen missen daar het grootste deel van het beschikbare daglicht, dromend over vakantie. Ze spelen stiekem patience op de computer, surfen wat over het internet, maar zullen er geen blote foto’s meer vinden. Die zijn inmiddels weggefilterd. Net als de rest van het leven.

Het Kantoor uit verhouding

De uiterlijkheden van het Kantoor zijn misschien nog een kwestie van smaak. De verhoudingen onderling echter, zijn objectief gesproken wel erg uit balans. Terwijl de samenleving worstelt met immigratiebeleid, emancipatievragen, jongerencultuur, zinloos geweld, bijstandsfraude, vergrijzing, welvaartsverdeling en zeggenschapsverhoudingen, wachtlijsten, leerkrachtentekort en zwerfvuil, lijken de meeste organisaties zich grotendeels aan deze turbulentie te onttrekken. In de monocultuur op Kantoor spelen volstrekt andere vragen, over staf-lijnverhoudingen, eindejaarsgesprekken, concurrentieanalyses, marktpenetratie, kwaliteitsaudits, sabbaticals, leaseautoregelingen, doorkiesnummers en niet te vergeten dossierverrijking.

Immuun voor het echte leven lijken ze wel, die Kantoren. Een kolonie van gezonde, blanke en jonge mannen sluit zich op in een grote panic room en merkt pas om half zes ’s avonds wat voor weer het eigenlijk was die dag.

Eenzijdigheid is kwetsbaar
Het is geen nieuws dat variatie meer creativiteit oplevert. Met zijn bekende teamroltest toont Meredith Belbin aan (Management teams: why they succeed or fail, 1981) dat teams waarin verschillende talenten verenigd zijn meestal veel succesvoller zijn dan teams waarin dezelfde ‘types’ zitten (zie hoofdstuk 23). In een monocultuur verdwijnen met de verschillen ook de mogelijke conflicten, het kritisch vermogen en de uitdaging. Monoculturen zijn kwetsbaar, zo stellen ook Jaap Peters en Judith Pouw (Intensieve menshouderij, 2004). De intensieve landbouw en de bio-industrie leren ons dat teveel van hetzelfde tot calamiteiten kan leiden. Onverwachte ziektes grijpen snel om zich heen. De kwaliteit van het product vervlakt. De hulpbronnen raken sneller uitgeput door éénzijdige benutting. Deze metafoor is makkelijk door te trekken naar Kantoren. Mensen worden agressief zoals teveel varkens in een hok. Ze worden ziek zoals kippen die gestressd zijn. De fut gaat eruit, de motivatie neemt af: ze smaken als waterige tomaten. Mensen worden uitgemolken: moeten meer produceren tegen minder kosten.

Waar zijn de vrouwen?
Na de emancipatiestrijd van de jarenzeventig, de verzakelijking van de jaren tachtig en de welvaart van de jaren negentig zijn we in dit land in een soort gelaten berusting gekomen. Vrouwen zijn prima, kunnen nét zoveel als mannen, hebben uitstekende regelingen voor zwangerschapsverlof, brengen de kinderen naar het dagverblijf en verder doen we niet moeilijk. Nog maar zelden is de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen een punt van felle discussie. Ook vrouwen hoor ik er eigenlijk te weinig over. Terwijl de feiten nog steeds voor zich spreken. Uit het rapport Trends in Arbeid 2004 van TNO Arbeid.blijkt dat vrouwen structureel minder verdienen en aanzienlijk minder hoge posities vervullen op Kantoor. Arbeidsparticipatie van Nederlandse vrouwen lijkt meer op die van Zuid-Europese landen dan op die in Scandinavische landen: van alle werk in Nederland werd in 2000 slechts 41 procent door vrouwen gedaan. Vrouwen hebben een veel groter aandeel in de zorgtaken thuis dan mannen. Er is nog steeds een zeer sterke scheiding tussen mannenberoepen en vrouwenberoepen. Vrouwen werken veelal in beroepen waar contact met anderen belangrijk is (zorg, horeca of detailhandel bijvoorbeeld) en in administratieve beroepen. Vrouwen werken relatief veel vaker in deeltijd en vormen een grotere ‘risicofactor’ voor instroom in de WAO. Ook is het ziekteverzuim van vrouwen hoger dan van mannen.

Een subcultuur die bestaat uit jonge, blanke mannen, dat leidt onherroepelijk tot kantoorlog.

En ook als vrouwen wél jong, ambitieus, goed opgeleid en Godzijdank kinderloos zijn, dan nóg blijven ze ‘steken’, zo meldt Intermediair in juni 2004. Met name vanaf hun dertigste beginnen vrouwen, die dezelfde start maakten als mannen, een achterstand op te lopen. In het artikel wordt de verklaring voor een belangrijk deel gezocht in de bedrijfscultuur. Mannen overleven beter in Kantoren, waar de spelregels nog typisch mannelijk zijn. Veel politiek en gekonkel en vooral je baas niet afvallen. Vrouwen zouden te direct en te eerlijk zijn, te ethisch. En dat wordt afgestraft. Vrouwen zouden minder competitief zijn, meer gericht op samenwerken. En dat is níet de weg naar de top. En vrouwen zouden minder netwerken. Het stereotyperen van gedragsverschillen tussen mannen en vrouwen is behoorlijk glad ijs, maar feit is dat vrouwen slechts 21 procent van de managementbanen vervullen.

We kunnen gerust concluderen dat vrouwen minder participeren in het arbeidsproces en dan ook nog eens véél minder in de hogere functies. Misschien vormen Kantoren daarmee nog wél een afspiegeling van de (sociaal-culturele) verhoudingen in de samenleving, alleen al getalsmatig blijft het echter onverdedigbaar.

De oudere werknemer
Zo uitgedoofd als de discussie over vrouwenparticipatie lijkt te zijn, zo actueel is het debat over vergrijzing en over het meedoen van de 50-plussers aan werkend Nederland. Al was het alleen maar omdat we ons realiseren dat het buitensluiten van senioren straks niet meer te betalen is. Hoewel in onze aan jeugd verslaafde samenleving ‘oud’ sowieso verdacht is, geldt dit nog niet zó sterk voor de groep tussen bijvoorbeeld 50 en 65 jaar. Tegenwoordig vinden we dat deze koopkrachtige ervaringsdeskundigen nog hele flinke, vitale mensen zijn. Nog lang niet ‘oud’. Des te vreemder is het dat zoveel van deze flinke en vitale mensen, door marketeers al een tijdlang gespot, niet op Kantoor te vinden zijn.

Wat afwijkt is lastig

Wat afwijkt is lastig

In Kantoren is het dan ook niet altijd feest voor de oudere werknemer. Zo krijgen ze vaak nogal wat vooroordelen te verwerken. Ze zijn langzamer, minder inzetbaar, inflexibel, conservatief, kunnen minder aan, zijn vaker ziek en zijn bovendien ook nog schreeuwend duur. Dat laatste is natuurlijk niet zo verwonderlijk in een economie waarin salarissen meer stijgen dan dalen. Maar die andere vooroordelen zijn lang niet altijd terecht. Wel merk ik in mijn eigen praktijk dat mensen met een langere ‘organisatieverblijfstijd’ (dus relatief vaker ouderen) veel sneller een ‘daar-gaan-we-weer-houding’ hebben. Gezellig is die houding meestal niet, eerder vrij irritant, maar ik ben er nog niet zo van overtuigd dat dat slecht is. Als de weerspannigheid alleen te wijten is aan oud zeer en oud zuur, dan past slechts een hele diepe zucht. Maar als we te maken hebben met scherp organisatiehistorisch besef dan moeten we alert zijn. De oudere werknemers kennen vaak het Kantoor als geen ander en zijn ervaren gidsen voor ambitieuze managers en gretige adviseurs. Zij zouden wel eens de kennisbron van een noodzakelijke ‘behoudkunde’ kunnen zijn, als tegenwicht voor al die overspannen veranderkunde (zie hoofdstuk 37). Ouderen vormen als werknemers een ondergewaardeerde groep. Ook de cijfers uit Trends in Arbeid 2004 laten dit weer zien. Dienstverlening vormt nu de helft van alle werkgelegenheid en de aard van het werk in Nederland is hoe langer hoe meer kennisintensief. Aangezien kennis steeds sneller veroudert is continu leren noodzaak. Bovendien is er een trend dat het benodigde kennisniveau stijgende is. Ouderen lijken hier meer moeite mee te hebben. Bovendien zijn senioren gemiddeld lager opgeleid dan jongeren. Wel zien we dat dit gecompenseerd wordt door ervaring. Het probleem ligt niet bij de leeftijd op zich, maar bij de veroudering van kennis! De arbeidsparticipatie van ouderen is gemiddeld veel lager dan die van jongeren. Hij is wel stijgende, maar dat geldt voor alle categorieën werknemers. Bovendien blijkt dat bij krapte op de arbeidsmarkt de werkgever liever de voorkeur geeft aan vrouwen, allochtonen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten: álles beter dan ouderen.

Economisch gezien zijn ouderen duur en misschien zijn ze wel minder flexibel. Maar er zijn andere kosten, die niet te becijferen zijn. Als jongere werknemers het Kantoor domineren, creëren zij vanzelf een cultuur waar ambitie en competitie hoger in het vaandel staan dan reflectie en synergie. Zij graven hun eigen valkuil vol stress en competitie waarbij de rust en ervaring van oudere werknemers misschien wel meer balans had kunnen brengen. Misschien moeten we weer meer ouderschap op Kantoor toelaten. Een subcultuur die bestaat uit jonge, blanke mannen … dat leidt onherroepelijk tot Kantoorlog.

Een kleurloos geheel
En als het Kantoor vrouwen en ouderen al onderwaardeert, dan hoeven we eigenlijk niet eens te beginnen over het bijna volkomen gebrek aan allochtonen in de hogere beroepen. Met recht vormt de integratie van buitenlanders één van de heftigste debatten in ons platte landje, maar op Kantoor wordt er grotendeels over gezwegen. We vinden het volstrekt normaal dat wit domineert in alles wat leiding geeft.

In januari 1998 werd de Wet SAMEN (Stimulering Arbeidsdeelname Minderheden) ingevoerd. In 2003 is deze tijdelijke wet door KPMG geëvalueerd. De conclusie moet mijns inziens zijn dat de wet door administratieve registratie door bedrijven wel bewustwording heeft veroorzaakt. Daadwerkelijke participatie van minderheden in het arbeidsproces is verhoudingsgewijs echter nauwelijks hoger, en voor hogere beroepen zelfs licht dalend. Allochtonen zijn kortom veel vaker werkloos en zitten ook nog eens veel meer in de WAO, vooral Turken en Marokkanen (CBS – Allochtonen in Nederland, 2002). Het is en blijft een kleurloze toestand in de vergaderzalen van Kantoren. Daar blijven jonge, blanke mannen hun beslissingen nemen totdat iemand ze komt zeggen dat het zo niet langer kan. Dat organisaties toch echt wat meer op de samenleving moeten gaan lijken.

Er is wel een lichtpuntje. Richard Florida betoogt in zijn boek The rise of the creative class ( 2002) dat bedrijven van de toekomst vooral afhankelijk zullen zijn van creativiteit. En wat blijkt? De hoog opgeleide kennisbohémien blijkt precies dáár te zitten waar ook een bloeiende gay-scene is. ‘Koester Homo’s’ kopt het begeleidende artikel in Intermediair van oktober 2003. Gelukkig nog één minderheid die het tij mee heeft.

En is dit alles nu een bewijs voor de stelling dat organisaties géén afspiegeling zouden zijn van de samenleving? Je zou namelijk kunnen beweren dat je organisaties, in al hun aanwezigheid, niet buiten de orde van het normale leven mag verklaren. Maar dat doe ik juist wel. Omdat ik het steeds weer ongelofelijk vind hoe elke werkdag opnieuw onze maatschappij zich zomaar hergroepeert in een ánder netwerk. Het is net als zo’n stoute ansichtkaart met plastic ribbeltjes. Kijk je links – kleertjes aan, kijk je rechts – kleertjes uit.