32. Klagen is een keuze

Over de ongezellige maar bruikbare ideeën van het existentialisme

Er zijn van die theorieën die zo aansprekend zijn dat ze in korte tijd de wereld veroveren. Het existentialisme heeft duidelijke sporen nagelaten in de opvattingen van gewone mensen en … Kantoorbewoners. Maar dat weten de meesten niet. De opvatting over mensen als kiezende, vrije wezens is echter diep verankerd in onze allerdaagse opvattingen. Reclamemakers herinneren ons voortdurend hieraan: ‘wie wil jij morgen zijn?’ De vraag is echter of men zich wel zo vrij en kiezend voelt en gedraagt.

De mens is gedoemd tot vrijheid

Het existentialisme is een typische 20e eeuwse aangelegenheid. Maar de grondslagen voor deze filosofie zijn al in de 19e eeuw gelegd door denkers als Kierkegaard en Nietzsche. Zij inspireerden vervolgens Heidegger en natuurlijk Sartre die in de jaren vijftig en zestig het existentialisme bij het grote publiek bracht. In die periode kreeg de stroming het gezicht van het naoorlogse Parijs, erg studentikoos, met zwarte coltruien, intellectualistische debatten in benauwde zaaltjes en kelders (existentialisten rookten veel en vooral pijp) en een cultuur van opstandig pessimisme. Heel anders was het kleurige, bloemrijke verzet van de hippiegeneratie in de jaren zestig en zeventig, maar hun sombere voorgangers hebben welzeker de deur opengezet naar de typische tegencultuur van de jongeren van de Flower Power.

De invloed van het existentialisme was merkbaar in literatuur, film, politiek, in jongerenbewegingen en in theologie. Het werd mode, en is als zodanig weggeëbd. Maar belangrijke existentialistische ideeën zijn verder uitgewerkt in het postmodernisme. Wat ik vooral opmerkelijk vind, is te ontdekken dat de ‘filosofie van vandaag’ van alle kanten een existentialistische blijkt te zijn. Alleen kennen niet veel mensen de oorspronkelijke zienswijzen nog.

L’existence précède l’essence
Jean Paul Sartre was behalve filosoof ook toneelschrijver en links activist. Hij maakte de ideeën van het existentialisme bekend. Alhoewel beweerd wordt dat zijn levensvriendin Simone de Beauvoir hem in feite in alles overtrof, bleef hij de held en werd zij ‘slechts’ heldin van de opkomende emancipatiebeweging. Dat Sartre een held was werd nog eens bevestigd in 1964 toen hij de Nobelprijs voor de literatuur mocht ontvangen … maar deze weigerde. Hij ‘wenste zich niet tot instelling te laten transformeren.’ Dat komt toch niet vaak voor!

In een bondig en toegankelijk boekje uit 1946 vat Sartre zijn ideeën samen (L’existentialisme est un humanisme). Het boekje is in feite een verslag van enkele lezingen die hij gaf, waarin hij zich verdedigt tegen alle kritiek die het existentialisme te verduren kreeg. Centraal in Sartre’s filosofie staat de uitspraak ‘L’existence précède l’essence’: het bestaan gaat aan de wezensbepaling vooraf. De schepping volgt niet op de gedachte, zoals de gelovers van Genesis denken. Existentialisten trekken de gedachte dat God niet bestaat (‘Gott ist Tot’ van Friedrich Nietzsche) tot in de uiterste consequentie door. En dit houdt in dat er tenminste ‘één wezen is dat bestaat alvorens het door enigerlei begrip nader bepaald kan worden’. En dat is de menselijke werkelijkheid. Ofwel: niemand kon de mens verzinnen voordat-ie bestond. De mens was er eerst en niet God.

De mens is het enige dier voor wie het bestaan een probleem is dat moet worden opgelost (Erich Fromm).

De mens ís niets; hij kan alleen iets wórden. En hoewel dit paradoxaal klinkt, wordt hij alleen wat hij van zichzelf maakt. Het existentialisme is typisch een filosofie waarin een aantal thema’s liggen besloten. Ik noem er enkele.

Het leven zin geven. De mens krijgt niet alleen het leven: de mogelijkheid dit zelf in te vullen komt er gratis bij. Er is geen script, geen almacht, geen algemeen geldende moraal die voorschrijft wat we moeten zijn en hoe we moeten leven. Er is geen menselijke ‘natuur’ waar we op moeten lijken, geen ‘moraal’ waar we aan moeten voldoen. Het leven heeft geen zin; we moeten het zin geven. Dit wordt zelf-actualisatie genoemd, aan de hand van een ‘zelfontwerp’. Je bént niets, je wórdt iets.

Dit is een belangrijk thema in het licht van de zinloosheid die zoveel Kantoorbewoners ervaren. Managers en adviseurs doen erg hun best om medewerkers ervan te doordringen zelfsturend te zijn in de loopbaanplanning en in het eigen leerproces. In de praktijk is dit echter op veel Kantoren nauwelijks in te vullen. De vrijheid die men zegt te bieden, is vaak een wassen neus en de ‘sturing’ die iedereen ‘zelf’ ter hand kan nemen, moet binnen nauw omschreven grenzen plaatsvinden. Het werk is en blijft voor veel mensen zinloos en vervreemdend en hen ertoe aanzetten om er in existentialistische zin iets moois van te maken heeft veel weg van treiteren. Maar daarmee is de kous níet af.

Keuzes maken. Een mooi thema in het gedachtengoed van het existentialisme is zelfverloochening. Veel mensen lopen weg voor de vrijheid om keuzes te maken die het leven in essentie biedt. Erich Fromm noemde dat angst voor de vrijheid. Zij vertonen niet-authentiek, of onwaarachtig gedrag door zich te verschuilen achter beperkingen en onmogelijkheden. Ze nemen geen verantwoordelijkheid voor hun keuzes uit existentiële angst. Kunnen kiezen is confronterend, omdat je te maken krijgt met de gevolgen van je keuzes. Overigens is niet-kiezen in essentie ook een keuze.

Ik krijg vaak te maken met medewerkers die door hun managers naar een training ‘gestuurd’ zijn. Niet zelden leidt dit tot gemopper en geklaag. Vraag je echter door naar de werkelijke achtergronden dan blijkt dat maar weinigen er voor uitkomen dat ze gekomen zijn uit angst. De consequenties van het weigeren van de ‘uitnodiging’ zijn bijna nooit concreet en er zijn weinig serieuze pogingen ondernomen om de confrontatie met het management aan te gaan. Liever worden zulke pogingen bij voorbaat als vruchteloos afgedaan dan daadwerkelijk ondernomen. De sullige waarheid achter dit verschijnsel is echter dat al die klagende en onvrijwillig aanwezige medewerkers vergeten dat ze dus wel degelijk ervoor ‘gekozen’ hebben er te zijn. In vrijheid en bij vol verstand zijn ze allen present en nemen vervolgens níet de verantwoordelijkheid voor hun aanwezigheid. De existentialist noemt dat ontrouw zijn aan jezelf.

Atlas draagt de wereld

Atlas draagt de wereld

Verantwoordelijk voor jezelf. En dat is waar het in de Kantoorlog meermaals op stukloopt. In de verwrongen verhoudingen op Kantoor denken medewerkers dat ze afhankelijker zijn dan ze werkelijk zijn en denken managers dat ze invloedrijker zijn dan ze werkelijk zijn. De existentialistische opvatting hierover is dat het bestaan je de keuzevrijheid geeft om er iets van te maken, maar ook dat de mens daar ten volle voor verantwoordelijk is. In de eerste plaats voor jezelf maar – gelukkig – vervolgens ook voor de anderen. Want ‘als wij de vrijheid willen, ontdekken wij dat ze geheel afhankelijk is van de vrijheid van de anderen, en dat de vrijheid van de anderen afhankelijk is van de onze’ (Sartre, L’existentialisme est un humanisme, 1946). De mens staat níet alleen in de wereld en zal rekening houden met de anderen. Maar dat beneemt hem níet de vrijheid om zélf te kiezen, elke keer opnieuw. En de ontzagwekkende angst die dát oproept kan volgens Sartre oprechte ‘walging’ oproepen. De leegte van het bestaan, de nietsigheid van het zijn is voor velen een angstwekkend uitzicht.

Toch denk ik dat we daar nu, vijftig jaar later, anders over zijn gaan denken. We zijn vertrouwd geraakt met vérgaand individualisme en elke dag lijken de keuzemogelijkheden in het leven toe te nemen, daar zorgt het kapitalisme wel voor. In Kantoren heerst echter nog een groot en merkwaardig verschuilen. Er wordt met hete aardappels gegooid, er worden apen op elkaars schouder gezet en er wordt onder het maaiveld gedoken. De angst om ergens voor te gaan staan, af te wijken, keuzes te maken en de consequenties daarvan te aanvaarden is groot. Terwijl daar éigenlijk in onze goed beschermde arbeidsverhoudingen en in onze overdadige welvaart weinig reden toe is.

Een streng optimisme

Het existentialisme is vaak pessimisme en zelfs nihilisme verweten. Existentialisten zouden de mens van God beroofd hebben en hem ‘in de wereld hebben geworpen’ met niets meer dan een angstaanjagende vrijheid. Een vrijheid die zo groot is dat je je verlaten voelt. Sartre verwerpt deze kritiek stellig. Hij meent dat de leer die de mens als kiezend en verantwoordelijk wezen centraal stelt in feite optimistisch is.

Toch valt niet te ontkennen dat het existentialisme van de jaren vijftig, met name in uitingen zoals film en literatuur erg sombertjes is. Wanneer existentialisten het hebben over ‘in de wereld geworpen worden’ spreken ze over die wereld meestal in nare bewoordingen: ziekte, oorlog, hebzucht en frustratie. Maar zo kort na de Tweede Wereldoorlog is dat ook wel te begrijpen.

De Kantoorlog is onze eigen schepping
En dit brengt ons op het thema engagement. Waar existentialisten destijds voor stonden was actie! Werkloos toezien ontslaat je niet van verantwoordelijkheid: wie onrecht bekijkt maar zwijgt maakt toch vuile handen. In Sartre’s tijd werd op deze gedachte zwaar ingezet door links radicalen en neo-marxisten. Wie deze ideeën echter ontdoet van de rooie saus ontdekt een aantal verrassend actuele boodschappen.

Ook in het moderne Kantoor (en in de hele samenleving trouwens) hoor je ónder de klaagzang steeds het impliciete excuus van machteloosheid (zie hoofdstuk 16). Het heeft tóch geen zin. Het ís al geprobeerd. Wat haalt míjn gedrag nou uit?
Mét de existentialisten van toen voel ik soms zoveel verveling bij deze collectief verzonnen machteloosheid. Of de schepping nou Goddelijk is of niet, hij is welzeker schitterend. En als wij passief blijven toezien hoe we langzaam maar zeker deze planeet afbreken dan maken we allemaal vuile handen. En als wij de Kantoorlog laten voortwoeden dan dragen we uiteindelijk allemaal de mistroostigheid van de slachtoffers.

In de end we will remember not the words of our enemies, but the silence of our friends (Marten Luther King).

Het moderne verlangen naar zelfsturing en empowerment is een herhaling van thema’s. We zijn aan dat verlangen inmiddels een eindje tegemoet gekomen, maar we hebben dat niet altijd slim gedaan. We namen de vrijheid, maar ontliepen de verantwoordelijkheid. De obsessie met economische groei en de onbevredigbare verlangens van de consument maakt ons gemakzuchtig en gretig. Dag in dag uit worden ons wereldproblemen gepresenteerd maar we halen de schouders op. Heeft tóch geen zin.

Het zal niet meevallen om als individu een verschil te maken. Maar er is één omgeving waarop je dagelijks invloed kunt uitoefenen. Er is een kleine groep mensen, dícht bij jezelf die je elke dag ontmoet en waarmee je een bescheiden revolutie kunt ontketenen. Op Kantoor, met je collega’s kun je eenvoudigweg ophouden met de absurde Kantoorlog. Je kúnt uit de klaagzang stappen en stoppen met roddelen. Je kunt naar je manager stappen en zeggen dat hij een niksnut is. Je kunt je medewerkers toespreken en zeggen dat ze verwend zijn. Het is écht een mogelijkheid om het Kantoor vaarwel te zeggen als je er niet gelukkig wordt. Misschien is het angstig, misschien moet je een veer laten. Maar je hebt de keuze.

Maat en moraal
Protagoras leefde in de vijfde eeuw voor Christus. Hij was een sofist, een rondreizende denker die zijn kennis onderwees om ervan te leven. Van hem zijn drie belangrijke uitspraken bekend, die vijfentwintig eeuwen later zonder veel problemen met het existentialisme kunnen worden verenigd. Allereerst beweerde Protagoras dat het bestaan van God niet bewezen kon worden. Bovendien stelde hij dat de mens in staat is om een zwak argument sterk te doen lijken en omgekeerd. In het Athene van toen was retoriek, het kunnen spreken in het openbaar, één van de belangrijkste middelen om te onderwijzen en te beïnvloeden. Veel geschreven werd er immers niet. Waarheid en moraal waren voor Protagoras dus relatief en subjectief. Hij heeft zichzelf veel bewonderaars verworven, maar ook veel critici en vijanden.

Zijn meest bekende uitspraak is: de mens is de maat der dingen. Mensen – en dus geen God en ook geen algemeen geldende moraal – bepalen de waarde, de waarheid en de waarachtigheid van alles. Maat is geen werkelijkheid die onafhankelijk van mensen bestaat. Het voorbeeld dat hij daarbij gebruikt is dat eenzelfde kamer voor de ene persoon koud kan zijn en voor de andere persoon warm. Tot op zekere hoogte kunnen wij dat begrijpen en kunnen we verschillende oordelen over eenzelfde situatie met elkaar verenigen. Zou één van die personen echter een dwaas standpunt innemen, bijvoorbeeld dat het ‘steenkoud’ is in een normaal verwarmde kamer, dan weten we dat hij in zijn oordeel ‘mateloos’ is. En over dat oordeel beslissen wij uiteindelijk zelf.

In zijn boek Wholeness and the implicit order (1985) schrijft de natuurkundige David Bohm ook over maat. Hij laat zien dat ‘maat’ eigenlijk twee betekenissen heeft. Maat is een afgesproken eenheid, een hoeveelheid en kan als zodanig gebruikt worden om een heelheid te verdelen. Een lengte kan in afgemeten stukjes worden opgeknipt. Een tweede betekenis van maat legt hij uit als ‘de maat der dingen’. Een subjectief maatbegrip, afgeleid van het Latijnse ‘mediri’ dat genezen betekent. Maat is ook een verhouding, een ‘ratio’, die onder meer rede betekent. Bohm wijst erop dat de oude Grieken sterk leefden naar het principe van maat houden. Zelfbeheersing, redelijkheid en matiging werden als belangrijke deugden gezien. Maat is beslist niet alleen de vergelijking met een uitwendige standaard, maar evenzeer het aanvoelen van een innerlijke verhouding.

Protagoras en de maat der dingen

Protagoras en de maat der dingen

De conclusie die je kunt trekken is dat het bij het nemen van beslissingen altijd gaat om het in acht nemen van de maat der dingen. De maat houden en de natuurlijke verhoudingen respecteren is de verzekering dat de mens in vrijheid niet uit de bocht vliegt. Sartre stelt dat er geen algemene moraal is. Mensen zullen die steeds opnieuw moeten uitvinden. Zij zullen in zelfbeschikking altijd ‘de anderen’ tegenkomen en zich daarmee moeten verhouden – meten. Moraal – zo voeg ik toe – ontstaat aldus door in harmonie te leven met de maat der dingen.

In het moderne Kantoorleven is de menselijke maat verloren gegaan. Als God dood is, als er geen algemeen geldende moraal meer is en als de nadelen van onze welvaart zó groot worden, dan kunnen we niet passief toezien hoe het er op Kantoren aan toe gaat. Organisaties zijn de meesterwerken van onze cultuur, ze zijn allesbeheersend en bepalen in grote mate het welzijn van bijna alle mensen. Dat schept verplichtingen die helaas niet altijd worden nagekomen. Organisaties moeten zich vóór alles ten doel stellen de aarde mooi te laten en mensen gelukkig te maken. Hoe gecompliceerd en ondoorzichtig ze ook zijn; we hebben ze wel degelijk zélf gemaakt. En hoe machteloos we ons soms ook voelen; we hébben een keuze. Laten we organisaties gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld: wel-zijn.

Ik hoorde ooit dat op de Kalverstraat elke dag een schoonmaakploeg bezig duizenden plakjes kauwgum weg te krabben. En als ze aan het eind zijn beginnen ze weer opnieuw. Kleine beetjes maken er een puinhoop van. Maar kleine beetjes kunnen ook een paradijs maken. Sartre noemt het existentialisme geen pessimisme maar een ‘streng optimisme’. Misschien moeten we weer wat strenger worden voor elkaar en voor onszelf. Dat belooft wat voor deel V.

16. De achterkant van klagen

Over mopperen in de verwenmaatschappij en verplicht optimisme

Als ik het verhaal over Kantoorellende vertel dan komt er na enige tijd bij mijn toehoorders steevast de verzuchting dat er ook wel ‘heel makkelijk’ geklaagd wordt. Medewerkers en managers zijn het hier trouwens over eens. Eerst is er de herkenning, maar dan komt de vraag of er eigenlijk wel zoveel reden tot klagen is. Kan het zo zijn dat het mopperen ook de weg van de minste weerstand is? De klaagzang klinkt soms vals en dat maakt lastig om er alsmaar ‘begrip’ voor te hebben.

Strategieën tegen de onvrede

Er zijn verschillende manieren om met onvrede om te gaan (zie hoofdstuk 1) en Klagen is er één van. Er zijn ook mensen die er voor kiezen om níet aan het organisatieleven mee te doen (zie hoofdstuk 30). Maar voor hen die dat wel doen, zijn er twee niet-productieve strategieën: mentale afwezigheid en verongelijkt klagen. Ik ga nog één keer op beide in.

Je hersens bij de poort
Sinds een tijdje is er een nieuwe term ‘in de markt gezet’: mentale afwezigheid. Hans Visser introduceert deze term in 2004 in een interview met Trouw om het gedrag van mensen te typeren die ‘wel op de zaak zijn, maar niet met de zaak bezig’. Volgens hem ontstaat deze houding vooral wanneer mensen zich in omstandigheden bevinden waar ze geen macht over hebben: ze plegen dan ‘stil verzet’, of zoals een inmiddels zelfstandige collega-adviseur zei: ze nemen mentaal ontslag.

Op zich is dit verschijnsel al zo oud als er werknemers bestaan. De term sabotage ontstond in de eerste fabrieken van de Industriële Revolutie. Als het de werknemers niet zinde werd er een klomp (in het Frans ‘sabot’) tussen de tandwielen van de machines gegooid zodat de boel even op adem kon komen. Effectief en minder link dan openlijk staken. Een moderne variant is het zogenaamde pocket veto. Deze term stamt van het recht van de Amerikaanse president om een wetsvoorstel tegen te houden binnen tien dagen nadat het is ingediend. Als hij dat recht niet gebruikt, en dus in zijn zak houdt, wordt het voorstel automatisch wet. Nu gebruiken organisatiekundigen deze term vaak voor de stille macht die medewerkers hebben om ‘ja’ te zeggen maar ‘nee’ te doen. Dat ‘veto’ heb je als moderne werknemer in je zak omdat in moderne organisaties mensen elkaar maar heel zelden aanspreken op het niet nakomen van afspraken. Managers en veranderkundigen worden er wanhopig van omdat de weerstand tegen veranderen ermee ondergronds gaat.

Mentale afwezigheid is mij ooit al eens door operators van een grote raffinaderij beschreven. Zij waren zich er ten volle van bewust dat zij ’s ochtends bij het aanvangen van de dienst ‘hun hersens bij de poort’ lieten liggen. En die managers en adviseurs maar proberen om al deze medewerkers te ‘empoweren’. En daar zit ‘m voor mij precies de angel. Ik heb meer dan eens het gevoel gehad dat veel Kantoorbewoners helemáál niet zo zielig zijn. Dat ze misschien wel gék worden van slechte managers en betweterige adviseurs, maar dat ze écht wel weten dat ze de kantjes er van aflopen, het er een beetje flauw bij laten zitten en dus hun hersens bij de poort laten liggen.

Het is maar goed dat de mens geen staart heeft, anders werd je moe van al dat geklaag dat er geen reden tot kwispelen is (Jan Blokker).

In zekere zin laat de klagende Kantoorbewoner zich infantiliseren en kiest de weg van de minste weerstand. Maar ik zie óók wel dat het Kantoorbewoners soms onmógelijk wordt gemaakt en dat de verleiding ontzettend groot is om het bijltje erbij neer te gooien. ‘Ze zoeken het maar uit’ is soms een volstrekt begrijpelijke en menselijke reactie.Corinne Maier roept in 2004 in haar bestseller Bonjour Paresse (in ons land uitgebracht als: Liever lui) de uitgebuite werknemers op tot luiheid. Een moderne vorm van sabotage en een bewuste vorm van mentaal absenteïsme. Medewerkers moeten nét genoeg doen om het loonstrookje te verdienen.

Verzet bevalt mij wel. Stil verzet niet. Met álle begrip voor de machtsverschillen, de kennisachterstanden en de voor mijn part minder ontwikkelde debatteervaardigheden van de werkvloer kan ik de stiekeme, klagerige lijdzaamheid van veel Kantoorbewoners niet waarderen.

Ziektewinst en aangeleerde afhankelijkheid
De tweede niet-productieve strategie is niet doen alsof je neus bloedt en op halve kracht verder, maar dat is mopperen. Ik ga ervan uit dat klagers aan het klagen éigenlijk geen plezier beleven. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom ze het dan toch doen: machteloosheid, masochisme of ziektewinst.

MachteloosheidIn de sociale psychologie is een bekend begrip ‘geleerde afhankelijkheid’. Een onderzoek met dieren toont aan hoe dat werkt. Honden worden in een kooi gezet waarin ze elektrische schokken krijgen. Wat ze ook doen, niets kan dat voorkomen. Uiteindelijk liggen ze alleen nog stil op de grond te kermen. Daarna worden deze honden in een kooi geplaatst waarin het maken van een eenvoudig sprongetje de elektrische schok kon voorkomen. De honden zijn níet in staat deze truc te leren, in tegenstelling tot ‘verse’ honden. Met mensen werkt het soms net zo. Laat ze lang genoeg ervaren dat hun gedrag geen effect heeft op hun welzijn en ze worden passief en afhankelijk. In de Kantoorlog hebben veel Kantoorbewoners geleerd dat het ‘tóch niets uitmaakt’: hun gedrag is niet merkbaar van invloed op het leven op Kantoor. Je hoort vaak verhalen over wat er allemaal al geprobeerd is en hoe dat tot niets heeft geleid: ‘Ze luisteren toch niet’. Het spreekt voor zich dat je deze klacht veel vaker hoort bij werknemers die al erg lang op Kantoor verblijven. Ze liggen op de grond te kermen. Deze geleerde afhankelijkheid is bijzonder moeilijk te doorbreken. Maar we hebben hier niet te maken met honden, maar met mensen. Hoe treurig hun geschiedenis soms ook is, het heeft geen enkele zin om in het verongelijkte klagen te blijven hangen. Tenzij er nog iets anders in het spel is. Misschien levert het klagen ook iets op.

Masochisme – Niet onvernoemd mag blijven Erich Fromm, die in 1941 zijn Escape from freedom publiceerde. Hij stelde dat de moderne mens zich weliswaar allerlei vrijheden heeft toegeëigend, maar in feite voor deze vrijheid op de vlucht slaa. De overweldigende leegte die het verdwijnen van Kerk en Staat als hoeders der natie achterlaat (zie hoofdstuk 17) verleidt de vereenzaamde mens tot vluchten. Eén van de vluchtstrategieën noemt Fromm het zoeken naar autoriteit. De psychologie onder deze strategie is onder meer het masochisme. De angst voor de vrijheid wordt bezworen met het vernietigen van de eigen persoonlijkheid. Liever zich willoos en ondergeschikt maken dan verantwoordelijkheid te moeten nemen voor de vrijheid. De pijn die dat veroorzaakt is niet het gewenste doel, maar de prijs die wordt betaald. Het klagen en vingerwijzen van Kantoorbewoners zouden we kunnen zien als een vorm van masochisme. Niemand schept er echt genoegen in, maar het ongemak ervan is eenvoudigweg de prijs die wordt betaald voor het niet hoeven kiezen.

ZiektewinstGerelateerd aan het vorige is dit begrip dat uit medische hoek komt. Want hoewel we in eerste instantie ziekte als onwenselijk ervaren, zijn er veel gevallen bekend waarin ziek zijn de patiënt eigenlijk veel oplevert. Aandacht en zorg bijvoorbeeld, of geen verantwoordelijkheid hoeven te dragen. En dit gaat veel verder dan domweg simuleren. We hebben het hier ook over mensen die zichzelf in zo’n briljant verhaal hebben gemanoeuvreerd dat ze zich écht ziek voelen. In de tijden van Freud, begin vorige eeuw kenden we de hysterische vrouwen, die zonder medische oorzaak blind of verlamd werden. Het was hun ontsnappingsroute uit gekmakende burgerlijkheid en vrouwenonderdrukking. Ziekte met winst, het klinkt dwaas maar ook zo logisch. Zielig doen, jezelf zwak maken, het strijdtoneel afhinkelen … het levert ook iets op. En dat is wat misschien zoveel van die Kantoorbewoners eens zouden moeten nagaan. Wat is voor hen de kick van het klagen? Waarom zitten ze al jaren lijdzaam toe te zien hoe om hen heen (!) er zo geblunderd wordt. Is het niet ook een beetje sensatiezucht? En leedvermaak? Is het grote klagen niet ook op een dieper niveau een enorme klacht over zichzelf?

Is er reden tot klagen?

Nederland is een verwenmaatschappij. Alles wordt steeds mooier en luxer. We kunnen het hele jaar door verse aardbeien kopen en we vliegen de hele wereld over om ergens op een warm strand te kunnen liggen. Kantoren waren van binnen nog nooit zo fraai, werktijden nog nooit zo goed geregeld en randvoorwaarden zijn er in overvloed: kinderopvang, scholingsmogelijkheden, vertrouwenspersonen, cafétariabeloning, reiskostenvergoedingen, medezeggenschapsorganen, vrijdagmiddagborrels, stoelmassages, personeelskrantjes, boodschappendiensten, geldautomaten, thuiswerkmogelijkheden, ontwikkelgesprekken, bedrijfsrestaurants, geventileerde rookkamers en acht soorten cappuccino op elke gang. Al deze verworven ‘rechten’ lijken me soms te overvloedig bij de steeds grotere afkeer van ‘plichten’ die ik zie. Bovendien, zo valt in Positive psychology (2004) van Lundin te lezen, zal het wegnemen van onaangename omstandigheden iemand niet persé gelukkig maken. De mooi aangeklede Kantoren kunnen dus blijkbaar niet voorkomen dat mensen er ongelukkig worden.

Decadentie en hedonisme
Twee begrippen die vaak in één adem worden genoemd, en dan meestal in afkeurende zin. Zoals steevast door critici van de jaarlijkse Gay Pride in Amsterdam. Zij noemen telkens weer de feestvierende en verklede vrolijkheid op een botenparade ‘decadent’ en ‘hedonistisch’. Makkelijk gezegd door deze hetero’s die zich al hun hele leven kunnen wentelen in de luxe van ‘gewoon’ en ‘zichtbaar’ zijn.

Decadentie wordt vaak gebruikt om het verval van een samenleving te beschrijven, zoals het Romeinse rijk in de nadagen. Ik moet denken aan het stripalbum van Asterix genaamd De Helvetiërs. Op de eerste pagina’s wordt het decadente en verdorven Zwitserse gewest geschetst, waar de Romeinen zich schransend op orgies tegoed doen aan bizarre gerechten en waar normverval ze brengt tot wrede straffen voor hen die een spelletje verliezen. ‘Met een steen om de nek het meer in’ roept de meute gierend van het lachen. Decadentie was echter een stroming in de kunst en de literatuur aan het eind van de 19e eeuw waarin verheerlijking van het schone werd gezocht, inderdaad, gemêleerd met een zeker cultuurpessimisme. Vooral ingegeven door het besef dat de maakbaarheidsidealen niet altijd opgingen. Wij associëren decadentie meestal met perversie, overvloed en einde-der-tijden. Niet toevallig dat in de jaren negentig ook de Nederlandse beschaving niet zelden decadentie verweten werd.

Hedonisme of optimisme?

Hedonisme of optimisme

De Socialistische Partij hekelt zelfs vierkant het hedonisme in de samenleving. Gemakzuchtig individualisme heeft volgens Jan Marijnissen de collectieve solidariteit verdrongen (Volkskrant van 16 september 2000). Het neoliberalisme van de Paarse kabinetten is daar de hoofdschuldige van. Hedonisme is van oorsprong een filosofische stroming die genieten van het leven als hoogste doel propageert. De Griekse wijsgeer Epicurus beschreef het hedonisme meer als de kunst van het genieten en als hanteren van verlangens dan als het egoïstisch najagen van zoveel mogelijk plezier. Die laatste betekenis heeft het tegenwoordig namelijk en in de enorme welvaart die ons land de laatste decennia ten deel valt noemen cultuurcritici het gedrag van de gemiddelde, verwende burger dan ook afkeurend ‘hedonistisch’.

In de uitwassen van een decadente en hedonistische (lees: egoïstische) samenleving zonder gevoel voor maat en beheersing kan ik me niet verheugen. Maar in de zeurderige Nederlandse cultuur van genieten-moet-je-eerst-verdienen vind ik ook niet veel troost. Gaat het ons een keer behoorlijk goed, worden we weer decadent en hedonistisch bevonden. Laten we eerlijk zijn: boven de rivieren wordt nog stééds meewarig over het Carnaval van beneden de rivieren gedaan. En hoe gemakkelijk verlok je al die tolerante Nederlanders niet tot uitspraken over de ‘luiheid’ van alles wat rond of beneden de Mediterranee woont! De Noord-Nederlandse zuurgraad is onveranderd hoog; welvaart of niet. Je moet hier eerst een bijna-dood ervaring hebben om van elke dag te kunnen genieten. En in die cultuur is klagen tot kunst verheven. Nederlanders klagen veel en graag en de Kantoorlog voorziet ze hiervoor ruimschoots van munitie.

Optimisme is de opdracht
Nederland behoort niet alleen tot de welvarendste landen ter wereld, we scoren in internationale geluksonderzoeken steevast in de hoogste regionen (zie bijvoorbeeld de World Database of Happines van Ruut Veenhoven op het internet).

Het Sociaal Cultureel Rapport 2004 van het CPB weet echter te melden dat Nederlanders tevreden zijn over hun privé-situatie maar erg somber over de ontwikkelingen in de samenleving. Lang niet al dat pessimisme is gebaseerd op feiten; de welvaart zal in ons land nog steeds toenemen, zo is de voorspelling. Maar het vertrouwen in de samenleving is laag en het geweeklaag klinkt luid door in de gangen op Kantoor. Het NIVEL in Utrecht onderzocht dat 23 procent van de Nederlanders een slechte geestelijke gezondheid heeft, meer dan enkele jaren daarvoor. Werkdruk is daarvan een belangrijke oorzaak.

Toch is er geen reden om het bijltje erbij neer te gooien. Yvonne Zonderop schrijft in de Volkskrant van 18 januari 2005: ‘Optimisme is een opdracht’, naar een uitspraak van de wetenschapsfilosoof Karl Popper. Als dat zo zou zijn, dan hebben mensen dus iets te willen en iets te kiezen. En dat klopt volgens mij. De achterkant van de medaille is dat de meeste van die ongelukkige Kantoorbewoners veel meer keuzes hebben dan ze denken. Bijna iedereen heeft de vrijheid het onfortuinlijke Kantoor te verlaten. Of om de leuke dingen belangrijker te maken. In zijn overzichtsartikel ‘Subjective well-being’ (2004) schrijft Ed Diener, één van de bekendste geluksonderzoekers, met nadruk: ‘It appears that the way people perceive the world is much more important to happiness than objective circumstances’. Het zal wel even fors aanpoten zijn, maar er is dus hoop. Kantoorbewoners kúnnen zich bevrijden uit hun psychische gevangenis (zie hoofdstuk 18). De belangrijkste voorwaarde daarbij is dat zij ophouden met vingerwijzen en de hand in eigen boezem durven te steken.

Er is nog een reden voor optimisme. Juist door alle welvaart zijn we misschien in staat om daar een beetje afstand van te nemen. Geld maakt niet gelukkig, dat is lang en breed onderzocht. Mensen zijn op zoek naar meer, en het is de materiële welvaart die ons in staat stelt om deze zoektocht zonder al te veel offers te kunnen doen. We hebben de luxe er iets van te maken!

Er is veel reden tot Klagen op Kantoor, en dat gebeurt dan ook volop. Het verdient alle aandacht om te kijken hoe we dat ongeluk kunnen wegnemen. Maar ik stel ook vast dat het klagen tot kunst is verheven. De oplossing voor de onvrede ligt daarom natuurlijk in de eerste plaats bij de Klagers zelf. En daarnaast is het de morele plicht van beslissers, eigenaren en machthebbers om de organisaties waarmee ze werken ook te gebruiken voor dat waar iedereen uiteindelijk naar op zoek is: geluk.