32. Klagen is een keuze

Over de ongezellige maar bruikbare ideeën van het existentialisme

Er zijn van die theorieën die zo aansprekend zijn dat ze in korte tijd de wereld veroveren. Het existentialisme heeft duidelijke sporen nagelaten in de opvattingen van gewone mensen en … Kantoorbewoners. Maar dat weten de meesten niet. De opvatting over mensen als kiezende, vrije wezens is echter diep verankerd in onze allerdaagse opvattingen. Reclamemakers herinneren ons voortdurend hieraan: ‘wie wil jij morgen zijn?’ De vraag is echter of men zich wel zo vrij en kiezend voelt en gedraagt.

De mens is gedoemd tot vrijheid

Het existentialisme is een typische 20e eeuwse aangelegenheid. Maar de grondslagen voor deze filosofie zijn al in de 19e eeuw gelegd door denkers als Kierkegaard en Nietzsche. Zij inspireerden vervolgens Heidegger en natuurlijk Sartre die in de jaren vijftig en zestig het existentialisme bij het grote publiek bracht. In die periode kreeg de stroming het gezicht van het naoorlogse Parijs, erg studentikoos, met zwarte coltruien, intellectualistische debatten in benauwde zaaltjes en kelders (existentialisten rookten veel en vooral pijp) en een cultuur van opstandig pessimisme. Heel anders was het kleurige, bloemrijke verzet van de hippiegeneratie in de jaren zestig en zeventig, maar hun sombere voorgangers hebben welzeker de deur opengezet naar de typische tegencultuur van de jongeren van de Flower Power.

De invloed van het existentialisme was merkbaar in literatuur, film, politiek, in jongerenbewegingen en in theologie. Het werd mode, en is als zodanig weggeëbd. Maar belangrijke existentialistische ideeën zijn verder uitgewerkt in het postmodernisme. Wat ik vooral opmerkelijk vind, is te ontdekken dat de ‘filosofie van vandaag’ van alle kanten een existentialistische blijkt te zijn. Alleen kennen niet veel mensen de oorspronkelijke zienswijzen nog.

L’existence précède l’essence
Jean Paul Sartre was behalve filosoof ook toneelschrijver en links activist. Hij maakte de ideeën van het existentialisme bekend. Alhoewel beweerd wordt dat zijn levensvriendin Simone de Beauvoir hem in feite in alles overtrof, bleef hij de held en werd zij ‘slechts’ heldin van de opkomende emancipatiebeweging. Dat Sartre een held was werd nog eens bevestigd in 1964 toen hij de Nobelprijs voor de literatuur mocht ontvangen … maar deze weigerde. Hij ‘wenste zich niet tot instelling te laten transformeren.’ Dat komt toch niet vaak voor!

In een bondig en toegankelijk boekje uit 1946 vat Sartre zijn ideeën samen (L’existentialisme est un humanisme). Het boekje is in feite een verslag van enkele lezingen die hij gaf, waarin hij zich verdedigt tegen alle kritiek die het existentialisme te verduren kreeg. Centraal in Sartre’s filosofie staat de uitspraak ‘L’existence précède l’essence’: het bestaan gaat aan de wezensbepaling vooraf. De schepping volgt niet op de gedachte, zoals de gelovers van Genesis denken. Existentialisten trekken de gedachte dat God niet bestaat (‘Gott ist Tot’ van Friedrich Nietzsche) tot in de uiterste consequentie door. En dit houdt in dat er tenminste ‘één wezen is dat bestaat alvorens het door enigerlei begrip nader bepaald kan worden’. En dat is de menselijke werkelijkheid. Ofwel: niemand kon de mens verzinnen voordat-ie bestond. De mens was er eerst en niet God.

De mens is het enige dier voor wie het bestaan een probleem is dat moet worden opgelost (Erich Fromm).

De mens ís niets; hij kan alleen iets wórden. En hoewel dit paradoxaal klinkt, wordt hij alleen wat hij van zichzelf maakt. Het existentialisme is typisch een filosofie waarin een aantal thema’s liggen besloten. Ik noem er enkele.

Het leven zin geven. De mens krijgt niet alleen het leven: de mogelijkheid dit zelf in te vullen komt er gratis bij. Er is geen script, geen almacht, geen algemeen geldende moraal die voorschrijft wat we moeten zijn en hoe we moeten leven. Er is geen menselijke ‘natuur’ waar we op moeten lijken, geen ‘moraal’ waar we aan moeten voldoen. Het leven heeft geen zin; we moeten het zin geven. Dit wordt zelf-actualisatie genoemd, aan de hand van een ‘zelfontwerp’. Je bént niets, je wórdt iets.

Dit is een belangrijk thema in het licht van de zinloosheid die zoveel Kantoorbewoners ervaren. Managers en adviseurs doen erg hun best om medewerkers ervan te doordringen zelfsturend te zijn in de loopbaanplanning en in het eigen leerproces. In de praktijk is dit echter op veel Kantoren nauwelijks in te vullen. De vrijheid die men zegt te bieden, is vaak een wassen neus en de ‘sturing’ die iedereen ‘zelf’ ter hand kan nemen, moet binnen nauw omschreven grenzen plaatsvinden. Het werk is en blijft voor veel mensen zinloos en vervreemdend en hen ertoe aanzetten om er in existentialistische zin iets moois van te maken heeft veel weg van treiteren. Maar daarmee is de kous níet af.

Keuzes maken. Een mooi thema in het gedachtengoed van het existentialisme is zelfverloochening. Veel mensen lopen weg voor de vrijheid om keuzes te maken die het leven in essentie biedt. Erich Fromm noemde dat angst voor de vrijheid. Zij vertonen niet-authentiek, of onwaarachtig gedrag door zich te verschuilen achter beperkingen en onmogelijkheden. Ze nemen geen verantwoordelijkheid voor hun keuzes uit existentiële angst. Kunnen kiezen is confronterend, omdat je te maken krijgt met de gevolgen van je keuzes. Overigens is niet-kiezen in essentie ook een keuze.

Ik krijg vaak te maken met medewerkers die door hun managers naar een training ‘gestuurd’ zijn. Niet zelden leidt dit tot gemopper en geklaag. Vraag je echter door naar de werkelijke achtergronden dan blijkt dat maar weinigen er voor uitkomen dat ze gekomen zijn uit angst. De consequenties van het weigeren van de ‘uitnodiging’ zijn bijna nooit concreet en er zijn weinig serieuze pogingen ondernomen om de confrontatie met het management aan te gaan. Liever worden zulke pogingen bij voorbaat als vruchteloos afgedaan dan daadwerkelijk ondernomen. De sullige waarheid achter dit verschijnsel is echter dat al die klagende en onvrijwillig aanwezige medewerkers vergeten dat ze dus wel degelijk ervoor ‘gekozen’ hebben er te zijn. In vrijheid en bij vol verstand zijn ze allen present en nemen vervolgens níet de verantwoordelijkheid voor hun aanwezigheid. De existentialist noemt dat ontrouw zijn aan jezelf.

Atlas draagt de wereld

Atlas draagt de wereld

Verantwoordelijk voor jezelf. En dat is waar het in de Kantoorlog meermaals op stukloopt. In de verwrongen verhoudingen op Kantoor denken medewerkers dat ze afhankelijker zijn dan ze werkelijk zijn en denken managers dat ze invloedrijker zijn dan ze werkelijk zijn. De existentialistische opvatting hierover is dat het bestaan je de keuzevrijheid geeft om er iets van te maken, maar ook dat de mens daar ten volle voor verantwoordelijk is. In de eerste plaats voor jezelf maar – gelukkig – vervolgens ook voor de anderen. Want ‘als wij de vrijheid willen, ontdekken wij dat ze geheel afhankelijk is van de vrijheid van de anderen, en dat de vrijheid van de anderen afhankelijk is van de onze’ (Sartre, L’existentialisme est un humanisme, 1946). De mens staat níet alleen in de wereld en zal rekening houden met de anderen. Maar dat beneemt hem níet de vrijheid om zélf te kiezen, elke keer opnieuw. En de ontzagwekkende angst die dát oproept kan volgens Sartre oprechte ‘walging’ oproepen. De leegte van het bestaan, de nietsigheid van het zijn is voor velen een angstwekkend uitzicht.

Toch denk ik dat we daar nu, vijftig jaar later, anders over zijn gaan denken. We zijn vertrouwd geraakt met vérgaand individualisme en elke dag lijken de keuzemogelijkheden in het leven toe te nemen, daar zorgt het kapitalisme wel voor. In Kantoren heerst echter nog een groot en merkwaardig verschuilen. Er wordt met hete aardappels gegooid, er worden apen op elkaars schouder gezet en er wordt onder het maaiveld gedoken. De angst om ergens voor te gaan staan, af te wijken, keuzes te maken en de consequenties daarvan te aanvaarden is groot. Terwijl daar éigenlijk in onze goed beschermde arbeidsverhoudingen en in onze overdadige welvaart weinig reden toe is.

Een streng optimisme

Het existentialisme is vaak pessimisme en zelfs nihilisme verweten. Existentialisten zouden de mens van God beroofd hebben en hem ‘in de wereld hebben geworpen’ met niets meer dan een angstaanjagende vrijheid. Een vrijheid die zo groot is dat je je verlaten voelt. Sartre verwerpt deze kritiek stellig. Hij meent dat de leer die de mens als kiezend en verantwoordelijk wezen centraal stelt in feite optimistisch is.

Toch valt niet te ontkennen dat het existentialisme van de jaren vijftig, met name in uitingen zoals film en literatuur erg sombertjes is. Wanneer existentialisten het hebben over ‘in de wereld geworpen worden’ spreken ze over die wereld meestal in nare bewoordingen: ziekte, oorlog, hebzucht en frustratie. Maar zo kort na de Tweede Wereldoorlog is dat ook wel te begrijpen.

De Kantoorlog is onze eigen schepping
En dit brengt ons op het thema engagement. Waar existentialisten destijds voor stonden was actie! Werkloos toezien ontslaat je niet van verantwoordelijkheid: wie onrecht bekijkt maar zwijgt maakt toch vuile handen. In Sartre’s tijd werd op deze gedachte zwaar ingezet door links radicalen en neo-marxisten. Wie deze ideeën echter ontdoet van de rooie saus ontdekt een aantal verrassend actuele boodschappen.

Ook in het moderne Kantoor (en in de hele samenleving trouwens) hoor je ónder de klaagzang steeds het impliciete excuus van machteloosheid (zie hoofdstuk 16). Het heeft tóch geen zin. Het ís al geprobeerd. Wat haalt míjn gedrag nou uit?
Mét de existentialisten van toen voel ik soms zoveel verveling bij deze collectief verzonnen machteloosheid. Of de schepping nou Goddelijk is of niet, hij is welzeker schitterend. En als wij passief blijven toezien hoe we langzaam maar zeker deze planeet afbreken dan maken we allemaal vuile handen. En als wij de Kantoorlog laten voortwoeden dan dragen we uiteindelijk allemaal de mistroostigheid van de slachtoffers.

In de end we will remember not the words of our enemies, but the silence of our friends (Marten Luther King).

Het moderne verlangen naar zelfsturing en empowerment is een herhaling van thema’s. We zijn aan dat verlangen inmiddels een eindje tegemoet gekomen, maar we hebben dat niet altijd slim gedaan. We namen de vrijheid, maar ontliepen de verantwoordelijkheid. De obsessie met economische groei en de onbevredigbare verlangens van de consument maakt ons gemakzuchtig en gretig. Dag in dag uit worden ons wereldproblemen gepresenteerd maar we halen de schouders op. Heeft tóch geen zin.

Het zal niet meevallen om als individu een verschil te maken. Maar er is één omgeving waarop je dagelijks invloed kunt uitoefenen. Er is een kleine groep mensen, dícht bij jezelf die je elke dag ontmoet en waarmee je een bescheiden revolutie kunt ontketenen. Op Kantoor, met je collega’s kun je eenvoudigweg ophouden met de absurde Kantoorlog. Je kúnt uit de klaagzang stappen en stoppen met roddelen. Je kunt naar je manager stappen en zeggen dat hij een niksnut is. Je kunt je medewerkers toespreken en zeggen dat ze verwend zijn. Het is écht een mogelijkheid om het Kantoor vaarwel te zeggen als je er niet gelukkig wordt. Misschien is het angstig, misschien moet je een veer laten. Maar je hebt de keuze.

Maat en moraal
Protagoras leefde in de vijfde eeuw voor Christus. Hij was een sofist, een rondreizende denker die zijn kennis onderwees om ervan te leven. Van hem zijn drie belangrijke uitspraken bekend, die vijfentwintig eeuwen later zonder veel problemen met het existentialisme kunnen worden verenigd. Allereerst beweerde Protagoras dat het bestaan van God niet bewezen kon worden. Bovendien stelde hij dat de mens in staat is om een zwak argument sterk te doen lijken en omgekeerd. In het Athene van toen was retoriek, het kunnen spreken in het openbaar, één van de belangrijkste middelen om te onderwijzen en te beïnvloeden. Veel geschreven werd er immers niet. Waarheid en moraal waren voor Protagoras dus relatief en subjectief. Hij heeft zichzelf veel bewonderaars verworven, maar ook veel critici en vijanden.

Zijn meest bekende uitspraak is: de mens is de maat der dingen. Mensen – en dus geen God en ook geen algemeen geldende moraal – bepalen de waarde, de waarheid en de waarachtigheid van alles. Maat is geen werkelijkheid die onafhankelijk van mensen bestaat. Het voorbeeld dat hij daarbij gebruikt is dat eenzelfde kamer voor de ene persoon koud kan zijn en voor de andere persoon warm. Tot op zekere hoogte kunnen wij dat begrijpen en kunnen we verschillende oordelen over eenzelfde situatie met elkaar verenigen. Zou één van die personen echter een dwaas standpunt innemen, bijvoorbeeld dat het ‘steenkoud’ is in een normaal verwarmde kamer, dan weten we dat hij in zijn oordeel ‘mateloos’ is. En over dat oordeel beslissen wij uiteindelijk zelf.

In zijn boek Wholeness and the implicit order (1985) schrijft de natuurkundige David Bohm ook over maat. Hij laat zien dat ‘maat’ eigenlijk twee betekenissen heeft. Maat is een afgesproken eenheid, een hoeveelheid en kan als zodanig gebruikt worden om een heelheid te verdelen. Een lengte kan in afgemeten stukjes worden opgeknipt. Een tweede betekenis van maat legt hij uit als ‘de maat der dingen’. Een subjectief maatbegrip, afgeleid van het Latijnse ‘mediri’ dat genezen betekent. Maat is ook een verhouding, een ‘ratio’, die onder meer rede betekent. Bohm wijst erop dat de oude Grieken sterk leefden naar het principe van maat houden. Zelfbeheersing, redelijkheid en matiging werden als belangrijke deugden gezien. Maat is beslist niet alleen de vergelijking met een uitwendige standaard, maar evenzeer het aanvoelen van een innerlijke verhouding.

Protagoras en de maat der dingen

Protagoras en de maat der dingen

De conclusie die je kunt trekken is dat het bij het nemen van beslissingen altijd gaat om het in acht nemen van de maat der dingen. De maat houden en de natuurlijke verhoudingen respecteren is de verzekering dat de mens in vrijheid niet uit de bocht vliegt. Sartre stelt dat er geen algemene moraal is. Mensen zullen die steeds opnieuw moeten uitvinden. Zij zullen in zelfbeschikking altijd ‘de anderen’ tegenkomen en zich daarmee moeten verhouden – meten. Moraal – zo voeg ik toe – ontstaat aldus door in harmonie te leven met de maat der dingen.

In het moderne Kantoorleven is de menselijke maat verloren gegaan. Als God dood is, als er geen algemeen geldende moraal meer is en als de nadelen van onze welvaart zó groot worden, dan kunnen we niet passief toezien hoe het er op Kantoren aan toe gaat. Organisaties zijn de meesterwerken van onze cultuur, ze zijn allesbeheersend en bepalen in grote mate het welzijn van bijna alle mensen. Dat schept verplichtingen die helaas niet altijd worden nagekomen. Organisaties moeten zich vóór alles ten doel stellen de aarde mooi te laten en mensen gelukkig te maken. Hoe gecompliceerd en ondoorzichtig ze ook zijn; we hebben ze wel degelijk zélf gemaakt. En hoe machteloos we ons soms ook voelen; we hébben een keuze. Laten we organisaties gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld: wel-zijn.

Ik hoorde ooit dat op de Kalverstraat elke dag een schoonmaakploeg bezig duizenden plakjes kauwgum weg te krabben. En als ze aan het eind zijn beginnen ze weer opnieuw. Kleine beetjes maken er een puinhoop van. Maar kleine beetjes kunnen ook een paradijs maken. Sartre noemt het existentialisme geen pessimisme maar een ‘streng optimisme’. Misschien moeten we weer wat strenger worden voor elkaar en voor onszelf. Dat belooft wat voor deel V.