11. Het geprofessionaliseerde bestaan

Over de verstoorde verhouding tussen werken en leven

De meeste mensen hebben een vreselijke hekel aan wachten. Bij de kassa, aan de telefoon, in de file. Aan wachten kunnen we geen nuttige betekenis hechten. Het is als de rand van de pizza of als het gat tussen wal en schip: je kunt er niets mee. Dat komt omdat we onszelf een bestaan hebben gecreëerd waarin het gewone leven geprofessionaliseerd wordt. De klok dicteert ons ritme van negen tot vijf. Een pauze is normaal, maar wachten is tijdverspilling. Niet productief.

Het beroep als roeping  

Mensen zijn deels dieren en proberen net als hen in leven te blijven. Maar behalve dat houden zij zich ook bezig met opvoeden, oorlog voeren, godsdienstig zijn en kunst maken. Met al hun bezigheden produceren zij veel meer dan wat ze nodig hebben om te overleven in fysieke zin. Mensen scheppen, behalve voedsel, huizen en kleding, ook cultuur, wetenschap, onderwijs, zorg, diensten en ideeën. En een deel van die bezigheden noemen wij werken. De plek die werken in het leven inneemt, is in de loop van de menselijke geschiedenis sterk veranderd. Werken is een van de ‘rest’ van het leven afgescheiden activiteit geworden, maar wel één die misschien wel de meest centrale positie inneemt in een mensenleven.

Werken geeft zin aan het leven
Volgens Joanne Ciulla in The Working Life (2000) is het fundament voor het huidige arbeidsethos gelegd in de Reformatie; een periode van religieuze hervorming die op de Renaissance volgde. Luther en Calvijn speelden daarin een hoofdrol. Zij beschouwden werk niet alleen als een middel om in leven te blijven, maar vooral ook als een eerbetoon aan God. In het zestiende-eeuwse Europa waren veel boeren werkloos geraakt door onteigening van grond door de adel en door verbeterde landbouwtechnieken. Bovendien was de populatie in die eeuw bijna verdubbeld. Talloze zwervers en vagebonden hielden zich op in en bij de steden. Waren zij ooit nog een min of meer normaal deel van de maatschappij, tijdens de Reformatie werden zij door invloedrijke predikanten afgeschilderd als lui. Werken werd steeds meer gezien als een morele verplichting.

De werkzame beroepsbevolking bestaat uit mensen van 15-64 jaar die betaald werk hebben van twaalf uur of meer per week (definitie CBS).

Hoewel de arbeidsmoraal door de tijd heen steeds sterk is veranderd, is de morele component nooit verdwenen. Wat echter een belangrijke toevoeging is geworden, is dat werk behalve nodig en nuttig, ook nog leuk moet zijn. Wat wij van Kantoren verwachten, is niet alleen dat we er ons brood verdienen. We willen ons er ontplooien, onszelf uitvergroten en ongekende welvaart scheppen. We willen vakanties, vioolles en facelifts. Werken is daarmee definitief een doel op zich geworden. Door werk vormt de mens zijn identiteit, ontplooit hij zijn talenten en neemt hij ‘deel’ aan het maatschappelijke leven. Niet werken is bijna synoniem geworden met je buiten de orde plaatsen. De paradox is daarbij dat velen in romantische dagdromen schijnen te verlangen naar een leven waarbij je niet meer moet werken. Wat je zou doen als je de loterij zou winnen is een bekend gedachtespelletje. Bij nadere beschouwing zouden velen zich dan willen bevrijden van de plicht te werken voor een baas. Vrijheid lijkt daarbij het ideaal te zijn, maar werkloosheid en luieren staan uiteindelijk niet op het verlanglijstje. Werken geeft zin en status aan het leven:  het is de legitimatie van ons bestaan geworden.

Alleen betaald werk telt
Werken is dus een morele plicht, en daarbij denken we met name aan betaald werk. Niet God bepaalt dat je op deze wereld mag zijn, maar je sofi-nummer.
Het heeft jaren van emancipatie gekost om ervoor te zorgen dat vrouwen óók mogen en kunnen werken. De keerzijde hiervan is echter dat het tijdenlang verdacht was als je ‘gewoon huisvrouw’ wilde zijn. Gelukkig wordt daar nu een stuk normaler over gedaan, maar in ons geëconomiseerde denken is het bestaan van een huisvrouw nog steeds moeilijk te definiëren. Betaald werk is de norm.

Leven uitbesteden om te werken

Leven uitbesteden om te werken

Dat ervaart ook de – tegenwoordig weer groeiende – groep ‘werklozen’. Een term die natuurlijk veel verraadt over de verborgen opvattingen in onze cultuur. Want wíe zegt dat iemand die een werkloosheidsuitkering heeft (als dat de definitie is van een werkloze) geen werk doet? Vatten wij werk niet véél te beperkt op? Als iets dat alleen maar ‘professioneel’, erkend, verenigd in beroepsgroepen, beschermd door de wet, bewaakt door de bonden en gediplomeerd kan worden uitgevoerd? Betaalde arbeid is in veel opzichten de enige definitie van een zinvol leven, zo stelt ook Wilhelm Schmid in Levenskunst (2004).

Deze beperkte opvatting van werken geeft organisaties enorm veel status. Zij zijn het immers die tegenwoordig de mogelijkheid creëren een zinvol leven te hebben. En zij kunnen deze macht ook behoorlijk doen gelden, zagen we in het vorige hoofdstuk.
We zouden onszelf een dienst bewijzen wanneer we alle andere scheppende, niet betaalde activiteiten van mensen (weer) als even belangrijk zouden gaan zien als werken. Opvoeden, schoonmaken, verzorgen, nadenken, oogsten, behoeden, verbeteren, ontdekken, ontwikkelen en vooruitduwen. Al deze constructieve bezigheden zijn in mijn ogen legitieme invullingen van het bestaan. In dat opzicht bestaat er eigenlijk niet zoiets als ‘parttime werk’. Schmid stelt dat werk eigenlijk ‘levenswerk’ is: de vormgeving van het leven.

Een gekunsteld bestaan

Toen mensen een achternaam gingen kiezen werd vaak het beroep gekozen. In die tijd was Wim Kok waarschijnlijk geen premier. In die tijd was je beroep en wie je was waarschijnlijk meer vanzelfsprekend één. Jan Visser was nou eenmaal visser en iedereen wist wat een visser doet en wat voor bestaan dat inhield. Ik zie tegenwoordig nog niet zo snel iemand zich Hendrik de Tegelverkoper noemen, of Rob Regisseur.

Ik zie echter een merkwaardige tegenstelling. Tegenwoordig krijgt werken een minder centrale, allesbepalende rol in ons leven. Vrije tijd is inmiddels iets wat als minstens zo nastrevenswaardig wordt beschouwd. Alsof tijd niet altijd van jou was. Anderzijds is werken wel een ‘manier van leven’ geworden. Wat ik bedoel is dat het er veel op lijkt dat we niet alleen professioneel zijn in ons werk, maar bovendien in ons hele leven. Zelfs in onze vrije tijd

Balans werk-privé
Er is veel aandacht voor de vraag hoe we een ‘balans’ kunnen vinden tussen privé en werk. Want werken is weliswaar gedefinieerd als de belangrijkste bezigheid in ons leven, we zien ook dat het wel eens teveel van het goede is. En dat kan mensen ziek maken en doen ‘opbranden’ (hoofdstuk 2).

De balansproblematiek heeft allerlei nieuwe woorden toegevoegd aan onze taal, zoals – om er maar een paar te noemen – arbeidsduurverkorting (in de grimmige jaren tachtig de oplossing voor werkloosheid), parttime werken (bij wet nu officieel een ‘recht’ van de meeste werknemers), zorgverlof (zodat vrouwen én mannen het gezinsleven beter kunnen combineren met werk) en telewerken (niet alléén om files op te lossen).

Hoe nuttig deze oplossingen ook kunnen zijn; ze raken niet aan een meer fundamenteel probleem. Namelijk dat in de beleving van de moderne mens werken en leven twee in principe gescheiden activiteiten zijn geworden. Met hun eigen locaties, gebouwen, tijden en uniformen. De eerder genoemde visser had daar niet zo’n last van. Hij leefde in een vissershut, was getrouwd met een vissersvrouw, at dagelijks verse vis, droeg zijn visserskleren en rook waarschijnlijk de hele dag naar vis. Zo niet voor de Kantoorbewoner. Voor hem zijn werken en leven kunstmatig van elkaar gescheiden (zie hoofdstuk 30). Daarom is voor hem een autorit met een stropdas om, op weg naar een klant ‘werken’. Maar wanneer hij in diezelfde auto, op dezelfde snelweg naar het strand rijdt, dan is hij aan het ‘leven’. Inderdaad: iemand die tijdens het werk niet (meer) leeft, die krijgt natuurlijk een probleem met de werk-privé balans.

Hè hè, eindelijk niksdoen, is de absurdistische verzuchting op het Spaanse strand. Je kunt toch overal besluiten om ‘niks te doen’?

Pauline Terreehorst schetst in Het Boerderijmodel (Wenken voor een postmodern gezin, 1994) het telewerkend gezin als de oplossing voor milieu-, balans- en zorgproblemen. Het huis wordt grondstation, een communicatieknooppunt. Een moderne, zelfvoorzienende informatieboerderij eigenlijk. Maar het risico lijkt me dat hierdoor het hele leven, óók thuis, geprofessionaliseerd wordt. Ik zou liever zoeken naar manieren om werk weer meer als een vanzelfsprekend onderdeel van het leven te zien. Dan hoeft het huis niet als werkstation te worden gezien.

Het leven wordt gemanaged
Er is in de media veel aandacht geweest voor de ‘overagendering’ van ons bestaan. Elke minuut is volgepland en moet een bestemming hebben. Het leven wordt niet meer geleid; het wordt gemanaged. Het gezin is geen bestaansreden meer; het is een project. Kinderen en zorg worden uitbesteed en partners organiseren kwaliteitstijd met elkaar. Zelfs ‘niks doen’ gebeurt onder professionele begeleiding, met je krent in een zandzak in een stiltecentrum. En dit is geen karikatuur; dit is het dagelijks leven van velen. En in dat dagelijks leven zijn er een paar kleine signalen die de absurditeit ervan verraden. Zo kunnen we bijvoorbeeld bepaalde activiteiten géén plaats meer geven: reistijd bijvoorbeeld. Of boodschappen doen. Wachten, opruimen of voor sommige mensen zelfs slapen!! Het zijn de randen van de pizza geworden. Je doet het nog wel, maar je ziet ze als ‘randvoorwaardelijke’ activiteiten. Of erger nog: als tijdverspilling.

Huis als werkstation

Huis als werkstation

Wat deze vervreemdende situatie verder versterkt, is dat de ‘professionalisering’ van het werken zich ook heeft uitgestrekt over de andere domeinen van ons bestaan. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het privé-leven is steeds minder gewoon en zomaar. Genieten doe je niet zomaar; genieten doe je met hulpmiddelen. In een pretpark of met een gamecomputer. Plezier hebben doe je niet spontaan, maar doe je op afspraak. ‘Hè hè, eindelijk niksdoen’, is de verzuchting op het Spaanse strand. Maar is dat niet absurdistisch? Je kunt toch overal en altijd besluiten ‘niks’ te doen (zie hoofdstuk 38)? Ook opvoeden doe je niet zomaar; dat doe je professioneel. En eten doe je niet zomaar: je hebt een ‘voedingspatroon’. Alles is professioneel te begeleiden en te verbeteren, zélfs doodgaan. Ook dát doe je liever niet meer ‘zomaar’.

En leren wordt geïnstitutionaliseerd
Elk dier op deze aardbol heeft het ingebouwde vermogen en de ingebouwde drang om precies dat te leren wat het nodig heeft om te overleven. Een mensenkindje heeft dat vermogen en dat verlangen ook. Maar zodra we het arme schaap naar school sturen worden leven en leren wreed van elkaar gescheiden (zie hoofdstuk 21). Mijn zuster Jacquelien bracht voor de eerste keer haar dochtertje Didi naar school. Didi vond het leuk en was opgewonden. Maar Jacquelien zei: ‘Het is zo zielig dat ze niet beseft dat ze nu voor minimaal twintig jaar in een structuur is terecht gekomen’. Leren is niet meer iets dat natuurlijk gebeurt, dat het leven vanzelf aanbiedt en dat hier en daar geholpen kan worden door contact met oudere, wijzere medemensen. Leren is opleiden geworden en studeren. Leren is sterk geïnstitutionaliseerd, met als effect dat we het leren verleren. We zijn té vaak niet meer in staat om elk uur van de dag de lessen te trekken uit wat het leven ons aan wijsheid te bieden heeft.

Ons hele bestaan is geprofessionaliseerd en geïnstitutionaliseerd. Sluipenderwijs wordt het dagelijkse leven steeds minder gewoon en vanzelfsprekend. En omdat deze ontwikkelingen zich relatief langzaam voltrekken, is het moeilijk ze nog waar te nemen. Het enige dat er bij veel mensen nog gebeurt is dat ze ergens een ‘gevoel’ hebben dat het niet klopt. De beste indicator is daarbij het moment waarop je iets lachwekkend absurd vindt. Bijvoorbeeld wanneer je je realiseert dat je een beoordelingsgesprek met je kind aan het voeren bent of wanneer je met je partner een vergadering zit te plannen.

Mensen worden ongelukkig van hun gekunstelde bestaan. Ze genieten minder van het leven. Ze zien vakantie als een taak en opvoeden wordt iets resultaatgericht. Ze denken dat ‘collega’s’ en ‘klanten’ iets anders zijn dan ‘mensen’. En ze voelen dat ze meer een human do-ing zijn geworden dan een human be-ing.

Kantoor als thuis
Ondertussen doen Kantoren hun best om de indringendheid van hun invloed zo goed mogelijk te verdoezelen. De omgangsvormen worden steeds ‘familiairder’. Kledingvoorschriften zijn officieel afgeschaft (en op dress-down Friday mag je je ‘normaal’ kleden: hoe absurd), maar spelen in de ongrijpbare bedrijfscultuur nog steeds een onmisbare rol. De arbeidsrelatie is ‘ontzakelijkt’. Liever niet meer praten over een werkcontract, maar over een verbinding aangaan. Er is een woord als ‘thuiswerken’ bedacht, wat in feite een onzinnig woord is. Want werken doe je, zoals gezegd, sowieso nooit alleen op Kantoor. We doen alsof werken nét zo leuk is als het echte leven. Ik heb meermalen gezien dat in de ‘corporate values’ woorden staan als ‘passie’ en ‘commitment’. Managers schreeuwen dat medewerkers ‘er honderd procent voor moeten gaan’ alsof dat de normaalste zaak van de wereld is. Bij de commandotroepen kan ik me daar nog iets bij voorstellen, maar in een Kantoor vind ik zoiets op de keper beschouwd nogal bizar. En de praktijk geeft me gelijk. Want veel Kantoorbewoners gaan er allerminst honderd procent voor en dat is maar goed ook.

Organisaties hebben in de verhouding tussen werken en leven een merkwaardige plaats ingenomen. Het zijn wonderlijke bouwsels, waarin mensen niet echt schijnen te ‘leven’, waarin ze zich anders voordoen dan ‘thuis’, waaraan ze tóch een hoop status en legitimatie voor hun bestaan ontlenen en waarin ze 40 uur per week dingen zitten te doen waarvan ze – als je ze diep in het hart kijkt – eigenlijk niet snappen wat voor relatie het nog heeft met het goede, het schone en het ware.

9. Een maatschappij van organisaties

Over de vraag of er nog ruimte is tússen de organisaties

Je zou je schouders kunnen ophalen over de ellende op Kantoren. Maar dat doe ik niet. Er worden teveel mensen naar van. Bovendien hebben organisaties teveel invloed op ons dagelijks leven. De samenleving is een dicht en dik gesponnen web van organisaties waaraan bijna geen mens kan ontsnappen. Deze georganiseerde samenleving heeft een prijs. Ik wil stilstaan bij de groeiende invloed van organisaties op ons leven en het dominerende karakter ervan.

Een dichtgemetselde maatschappij

Soms rij ik door ons Nederlandse landschap en dan denk ik: zou er nog ergens een klein stukje grond zijn, misschien ter grootte van een theedoek, waar mensen nog niet gekomen zijn? Onaangeraakt? Zijn er misschien smalle strookjes maagdelijk Holland tussen de wegen, de huizen en de Kantoren door? Niet in een park en ook niet in een ‘recreatiegebied’. Gewoon zomaar.

Zoiets kun je je ook afvragen over de Organisatielandkaart. Zijn er nog stukjes samenleving die niet door organisaties zijn opgeslokt? Zijn er wellicht terreinen die vergeten zijn, ter grootte van een bureau, ongereguleerd, tussen de instellingen, bedrijven en Kantoren door? Niet in een ‘kunstenaarsbroedplaats’ en ook niet in een gedoogzone. Gewoon zomaar.

Steeds meer in handen van bedrijven

Steeds meer in handen van bedrijven

Ik vind het een nogal sombere gedachte dat er bijna geen plek meer te verzinnen is waar nog ongerepte chaos en vrijheid is. We leven in een tijd waarin letterlijk elke vierkante millimeter onderwerp is van management en marketing. Een gemiddeld mens is lid van tientallen organisaties, waarvan sommige veel invloed hebben op het privé-leven. Wat vroeger nog een vanzelfsprekend privé-domein was is nu toegeëigend door organisaties en onderwerp van regelgeving. Het zal niet lang duren of mijn moeder zal een niet-werknemers verklaring moeten invullen voor het wekelijks oppassen op haar kleinkind. Kinderzorg is immers een potentiëel ‘economische activiteit’.

Ook de openbare ruimte wordt steeds meer ingenomen door organisaties, die overal hun merktekens achterlaten. Een dieptepunt daarvan zag ik tijdens de Kerst van 2004, toen op de Dam in onze hoofdstad de nationale kerstboom grotendeels aan het zicht onttrokken was door het logo van een sponsor. Het winterse ‘chalet’ ernaast was een informatiestand van datzelfde bedrijf. De huiskamer van Nederland uitgeleverd als reclamebord door een smakeloos pact tussen gemeente en bedrijfsleven.

The ugly face
Dat wij een samenleving van organisaties zijn, is volgens Peter Drucker (The new society of organizations, 1992) pas een vanzelfsprekendheid geworden na de Tweede Wereldoorlog. Een typisch Nederlands woord ontstond om de geïnstitutionaliseerdheid van de samenleving aan te duiden: verzuiling. Maar hoewel de zuilen zijn onttakeld is de macht van organisaties niet afgenomen. Integendeel. In een maatschappij waarin individuele vrijheid luidkeels gepropageerd wordt, is de regelzucht van overheden en de invloed van bedrijven almaar groeiende. Organisaties zijn zich steeds meer met individuen aan het bemoeien. Ze worden gedefiniëerd als burgers, kiezers, consumenten, cliënten, leden of belanghebbenden en ingepakt in een web van regels en voorschriften, onderzoeken, adviezen, marketingstunts en beleidsvoornemens. Organisaties hebben een enorme invloed op het leven van mensen en dat is niet altijd wenselijk. Ze hebben grote macht, die steeds groter wordt en het is – dat staat elke dag in de krant – lang niet altijd zeker of hun belangen precies dezelfde zijn als die van de burger, de consument of de belanghebbende.

In hun doelgerichtheid dienen organisaties niet altijd de belangen van de samenleving. In hun concurrentievermogen ontwikkelen ze een macht die oncontroleerbaar wordt. En in hun specialisatie vormen ze een kennisknooppunt waar niemand tegenop kan. Organisaties zijn vaak ondemocratisch, ondoorzichtig en onbeheersbaar.

In Nederland is de verhouding woonmeters op kantoormeters grofweg tien staat tot één. De leegstand in kantoren bedraagt een kleine 15 procent. Er is nog steeds een tekort aan woningen.

Gareth Morgan beschrijft in zijn Images of organization hoe organisaties gezien kunnen worden als instrumenten om anderen te domineren (Hoofstuk 9, The ugly face, 1986). Eén van de effecten van modern organiseren is dat in het streven naar meer winst de arbeidsmarkt (doelbewust) gesegmenteerd wordt in groepen hoger opgeleide professionals en laag opgeleide onderknuppels. Het is niet toevallig dat de zwakkere groepen in de samenleving, zoals immigranten en kleurlingen, in dit segment zijn oververtegenwoordigd. Met hun invloed op deze oneerlijke klassevorming laten organisaties hun ‘lelijke’ gezicht zien.

Ook Naomi Klein (No-Logo, 2000) snijdt dit probleem aan. In hun niet te stuiten zucht naar recordwinsten hebben grote bedrijven massaal de productie naar lage-lonenlanden verplaatst. De arbeidsomstandigheden aldaar zijn huiveringwekkend. En als gevolg daarvan – hoewel de vergelijking eigenlijk ongepast is, zo erkent ook Klein – is het met de kwaliteit van arbeid in het westen al niet beter gesteld. Het succes voor aandeelhouders wordt betaald met massa-ontslagen, grote baanonzekerkheid en een enorme toename van – vaak vrij geestdodend – werk in de dienstverlening (vooral horeca, detailhandel en eenvoudig administratief werk, zoals klantenservice) en in de uitzendbranche. Het psychologische contract tussen werkgevers en werknemers is op losse schroeven komen te staan. Joanna Ciulla (The working life, 2000) noemt dit het verraad van de organisatie. Het sterkst doen deze effecten zich voor in het bedrijfsleven, maar hebben we niet jaren gekend waarin ook non-profitorganisaties en overheden ‘bedrijfsmatiger’ moesten leren werken? De meeste werknemers zijn kostenpost, en dat weten ze.

De silent take-over
Hoewel er veel kritiek is op de definitieve overwinning van het kapitalisme lijkt het alsof er geen kruid meer tegen gewassen is. Na de val van de Berlijnse muur in 1989 is het ‘voorwaarts mars’ gegaan met de vrije handel op wereldschaal. Noreena Hertz, in het kielzog van Naomi Klein, hekelt dit verschijnsel in The silent takeover (2001). De veelzeggende ondertitel van haar politieke pamflet is ‘Global capitalism and the death of democracy’. In datzelfde jaar verscheen een artikel van haar in The Observer met de titel ‘Why we must stay silent no longer’. Via internet werd dit artikel razendsnel zeer populair, het werd een manifest voor de anti-globalisten (zie hoofdstuk 33). Hertz stelt dat overheden zich in rap tempo overgeven aan de macht van de grote ondernemingen. Onder het mom van vrije handel, geheel naar de leer van Nobelprijs-econoom Milton Friedman (‘De enige verantwoordelijkheid van organisaties is winst maken’), trekken overheden zich terug en bekommeren zich slechts om de vrije markt, waarin burgers worden ‘gereduceerd’ tot consumenten. Die hebben trouwens toch al geen vertrouwen meer in de overheid: hun stem telt wel maar maakt niets uit, volgens Hertz. Overheden worden vleugellam gemaakt en gemanipuleerd. Enerzijds door bedrijven die dreigen werkgelegenheid naar het buitenland te verplaatsen. En anderzijds door instellingen als de World Trade Organization, die maatregelen van overheden tegen onethisch handelende bedrijven terugfluit als ‘overtreding’ van de internationale afspraken over vrije handel.

Steeds groter, steeds machtiger
De ‘silent takeover’ werd overigens al langer geleden opgemerkt. In 1962 bijvoorbeeld, schreef Robert Presthus in zijn boek The organizational society dat onze maatschappij steeds meer ‘in handen komt’ van organisaties en bedrijven. Een trend die in de eerste decennia van de vorige eeuw is ingezet. Presthus bespreekt het verschijnsel oligarchie: de neiging van grote organisaties om naar een evenwicht te zoeken waarbij een beperkt aantal grote spelers de markt domineert. Het belangrijkste middel daarbij is schaalvergroting door fusie. Meer dan veertig jaar geleden beschreef hij deze tendensen nauwgezet, en we mogen stellen dat deze oligarchische hunkering zich op mondiale schaal volledig heeft doorgezet. Organisaties zijn machtsfactoren geworden waar landen jaloers op kunnen zijn. Gareth Morgan laat zien dat de omzet van grote bedrijven het BNP van bepaalde landen veruit overtreft. Er is een situatie ontstaan waarbij democratische overheden het afleggen tegenover zeer ondemocratische bedrijven. Wij kennen in ons eigen land inmiddels voldoende voorbeelden hiervan, waarbij collectief eerbare belangen moeten wijken voor bedrijfsbeslissingen. Welke zenders op de kabel? Welke investering in onze energieproductie? Welk gevechtsvliegtuig wordt gekocht? Bedrijven trekken aan de touwtjes, de overheid is dienend, speelt ze zelfs in de kaart. Alles om vooral de internationale ‘concurrentiepositie’ niet in gevaar te brengen.

Wie protesteert?

Wie protesteert?

En het einde is nog niet in zicht. Naomi Klein wijst in dit verband op de effecten van het besluit van Ronald Reagan om begin jaren tachtig de anti-trustwetgeving in Amerika naar de vuilnisbelt te verwijzen. Vrije handel werd het parool en zo geschiedde. De ene megafusie na de andere monsterovername werd aangekondigd. Dit geldt overigens niet alleen voor bedrijven, maar (inmiddels) voor elk denkbaar type organisatie. Belangenverenigingen, scholen, overheden, uitvoeringsinstanties, kunstinstellingen: iedereen wil groter groeien. Recent hebben wij in ons land daar nog een beslissing over moeten nemen toen er over de Europse grondwet moest worden gestemd. Fuseren is ook bij politici in de mode. Ook overheden doen aan ‘branding’, ontwerpen logo’s en worden ‘klantgericht’.

Organisaties domineren hun werknemers

Ik sprak drie mensen van een grote gemeente en zag op het jasje van één van hen een speldje met een slogan die het vernuft van de gemeente moest aanprijzen. Het was zo klein dat je het alleen kon lezen wanneer je op knuffelafstand kwam staan. Toen ik ernaar vroeg, begon het gezelschap wat ongemakkelijk te lachen: ‘Tsja, dit hebben ze onlangs uitgedeeld, maar we weten niet zo goed wat we ermee moeten’. Ik vroeg me af waarom de bedenkers van deze reclamestunt niet net zo opzichtig te werk waren gegaan als de life-stylemerken, die hun logo’s inmiddels tot design-element van hun producten hebben gemaakt. Voelden ze zich gegêneerd of voelden ze aan dat hun collega’s misschien niet zo met hun werkgever te koop wilden lopen?

Gevoelsterreur
Organisaties worden steeds meer een ‘merk’ waarin consumenten en werknemers moeten ‘geloven’. Uiteraard is het verháál dat de onderneming er is voor deze consumenten en werknemers, maar de werkelijkheid is omgekeerd. Zij zijn er voor het bedrijf. Organisaties roepen altijd om het hardst dat de mate waarin zij zich kunnen aanpassen aan de omgeving een succesfactor is. Maar inmiddels zijn de rollen omgedraaid. De omgeving heeft zich maar aan te passen aan de organisatie. De wordingsgeschiedenis van Microsoft is daarvan een even karikaturaal als huiveringwekkend voorbeeld. Zij laten de wereld wel ‘ns eventjes door hún vensters kijken.

Charles Perrow (Complex organizations, 1972) stelt dat grote organisaties niet alleen goederen en diensten voortbrengen, maar óók onze mentaliteit vormen, onze levensbeslissingen beïnvloeden en onze menselijkheid definiëren. Deze enorme macht van organisaties ligt in handen van slechts enkele mensen. Presthus beschreef in zijn tijd exact dezelfde trends, en we kunnen nu zeggen dat ze niet zijn gekeerd; in tegendeel, ze zijn verergerd en vergroot.

Natuurlijk zijn de werkgevers hierin dominant, vooral nu zij zich ook hebben toegelegd op het actief beïnvloeden van de mindset van medewerkers. Werkinstructies en toezicht zijn uit de tijd. Daarom moeten Kantoorbewoners worden ‘gevormd’ en ‘ontwikkeld’ totdat ze ‘vanzelf’ het juiste commitment hebben, loyaal zijn aan de organisatie en ‘zelfsturend’ precies dat doen wat de organisatie nuttig acht.

De samengebundelde macht van organisaties dringt ons mensen bepaalde normen en waarden op die deze organisaties in het licht van hun primaire doelstelling nodig hebben.

De samengebundelde macht van organisaties dringt ons, individuele mensen, bepaalde normen en waarden op die deze organisaties in het licht van hun primaire doelstellingen nodig hebben. Organisaties verlangen van hun medewerkers een verregaande loyaliteit en medewerkers kunnen veel maatschappelijk en persoonlijk wenselijke doelen uitsluitend nog realiseren vía deze organisaties. Ook Presthus stelt dat er naast alle verworvenheden die organisaties veroorzaken, óók hoge persoonlijke en maatschappelijke kosten zijn. Mensen die in het ‘belang van de organisatie’ ontrouw aan de eigen persoonlijkheid worden zullen vervreemd raken, en dat is dan ook wat er nu aan de  hand is. Noreena Hertz legt een rechtstreeks verband tussen de verslechterde omstandigheden in de samenleving, zowel voor werklozen als voor werkenden en de enorme stijging van het gebruik van antidepressiva.

Maar wij zijn toch die organisatie?
Een belangrijk kritiekpunt op Klein, Hertz, Presthus en de andere onheilsprofeten ligt in de vraag in hoeverre organisaties kunnen worden gezien als instellingen ‘los’ van mensen. Ze zijn immers door mensen bedacht dus je zou kunnen zeggen dat wij dit alles onszelf ‘aandoen’. Gibson Burrel (De bijdrage van Foucault, 1989) bespreekt de visie van Michel Foucault en laat zien dat organisaties angstwekkend veel lijken op gevangenissen (zie hoofdstuk 24) en andere controlerende instituten. Zij beheersen ons leven, bepalen de norm en oefenen een subtiele, corrigerende invloed uit. Dit doen zij dermate subtiel en onbewust, en we zijn dit zo normaal gaan vinden dat het niet meer opvalt. In die zin zullen medewerkers, burgers, klanten en óók de meeste managers en politici allerminst het gevoel hebben dat ze organisaties meeontwerpen. Ze voelen zich inderdáád ónderworpen aan gedrag en eisen ván de organisatie. Alsof het een eigenstandig ding is. Charles Perrow noemt dit de ‘institutie-opvatting’ van organisaties. Hij waarschuwt ervoor niet zo naïef te zijn om organisaties te zien ‘in’ een samenleving alsof het twee verschillende werelden zijn. Veeleer ís de samenleving een geïnstitutionaliseerd geheel van overlappende, aansluitende, elkaar beïnvloedende organisaties. Wie daaraan wil ontsnappen moet zich letterlijk aan de eigen haren uit het moeras trekken (zie hoofdstuk 18). En dat is slechts een klein aantal gegeven. Dat zouden dan wellichtg die ‘kenniswerkers’ moeten zijn, waarvan we er in Nederland steeds meer krijgen. Zij hebben volgens Peter Drucker het geluk dat zij zélf de productiemiddelen bezitten. Hierin ligt volgens mij inderdaad een kiem voor verandering. Ook voor werknemers die nu nog veel te vaak denken dat ze volledig afhankelijk zijn van organisaties.

We kennen in Nederland een grote mate van ‘arbeidsrust’, en zelfs na jaren van loonmatiging wordt er weinig geprotesteerd. Blijkbaar is de welvaart nog steeds hoog genoeg en de minder bedeelden hebben vaak tijdelijk werk of behoren tot minder mondige bevolkingsgroepen. Het ongenoegen over het gebrek aan welzijn uit zich niet zozeer in opstanden en stakingen, maar – op z’n best – in klagen, en anders in onverschilligheid of ziekte. Er wordt door politici en maatschappijkritici geklaagd over verloedering van de samenleving, gebrek aan normen en waarden en vooral aan het uiteenvallen van sociale structuren. Wanneer gaan we nou eens het verband zien met precies diezelfde verschijnselen in arbeidsorganisaties?

De invloed van organisaties is zo groot dat we het gebrek aan welzijn voor hun medewerkers niet mogen negeren. Mensen kunnen ervoor kiezen de Kantoren vaarwel te zeggen, maar die keuze is ontzettend lastig. Bovendien, lijkt de kwelling van Kantoren zich niet alleen te beperken tot medewerkers, maar gutst het over de randen van het Kantoor tot ver in de samenleving. Kantoren produceren behalve goederen en diensten ook onwelzijn waarmee zij het maatschappelijk milieu danig besmetten.