30. Ruim baan voor vrije geesten

Over de deserteurs en de dissidenten van de Kantoorlog

Na jaren van bezuinigen en uitknijpen gaat het er op Kantoor eigenlijk behoorlijk grimmig aan toe. In Nederland hebben we een arbeidsproductiviteit die behoort tot de hoogste ter wereld, en nóg is het niet genoeg. De druk op Kantoorbewoners is enorm en wie zich overgeeft aan luieren loopt het risico aangegeven te worden. De prikklok is vervangen door sociale controle en prestatiecontracten. Op Kantoor is het heel gewoon dat mensen elkaar op resultaten ‘afrekenen’. Maar gelukkig zijn er vrije geesten die zich hier van niets aantrekken. Zij doen er niet aan mee.

Vrijdenkers zonder beroep

Maakten we vroeger nog wel eens grappen over ambtenaren die de hele dag de krant zitten te lezen: niksdoen is er sinds de over elkaar buitelende bezuinigingsrondes niet meer bij. ‘Logisch’, zou je zeggen, ‘voor niksdoen word je immers niet betaald’. Toch schijnt er een groot verlangen te zijn naar niksdoen. Keer op keer hoor ik in workshops en ‘retraites’ Kantoorbewoners verzuchten dat het zo heerlijk is om eens te mogen nádenken. Om te kunnen uitwisselen ‘met de benen op tafel’. En hoe komt het dat we in de modernste kantoorontwerpen ineens ‘huiskamers’ en ‘cafés’ tegenkomen? Er is een enorme behoefte aan informele ruimte op Kantoor waar mensen ‘niets hoeven’.

In dure brainstormsessies en denktanks met creatieve werkvormen wordt geprobeerd Kantoorbewoners tot ‘vrij denken’ te bewegen. De ideeën worden snel genoteerd op flipover, want stel je voor dat zo’n idee teloor zou gaan. Het vrije denken is schaars op Kantoor, en daar kan geen huiskamer of café iets aan doen. Omdat de gedachten niet vrij zijn. Kantoren zijn repressief. De angst om er je mond open te doen is er echt en het is verbazingwekkend om te zien hoeveel managers daar totaal geen weet van hebben. Zij kunnen zich niet indenken wat hun medewerkers allemaal inslikken … en wat er dús afgeroddeld en geklaagd wordt.

Je hoeft niet mee te doen
Er zijn van die mensen voor wie al dat werken voor een baas niet zo hoeft. Die doen liever wat ze zélf willen. Vroeger werd dat ‘langharig werkschuw tuig’ genoemd, een uitvinding van de burgerlijke naoorlogse generatie om hippies en provo’s te typeren die in hun ogen liever blowend op de Dam rondhingen. Het is een oubollige term, maar nog altijd actueel: er is een website werkschuw.nl waarin iedereen kan lezen hoe je zo lang mogelijk zónder werk kunt blijven, hoe je sollicitaties kunt saboteren (vetvlek op je jas) en vlug weer ontslagen kunt worden. Het is humoristisch, maar het zal ook veel mensen ergeren. Want de heersende moraal is dat je dient te werken en je best moet doen om betaalde arbeid te krijgen (zie hoofdstuk 11). In een onderzoek van TNO Arbeid (Trends in arbeid, 2004) zeggen Nederlanders aan ‘werk’ meer belang te hechten dan aan ‘vrije tijd’ of aan ‘maatschappij’.

‘Ik ben toch een zigeuner!’. Het meisje deinst achteruit, spert haar mond open, kan eerst van schrik geen geluid uitbrengen (Uit: Arpad, de zigeuner).

Maar er is dus een deel van de bevolking dat geen deel uitmaakt van het benauwde Kantoorleven. Er zijn van die archetypische buitenbeentjes voor wie al die Kantoorellende niet opgaat. Zij hebben een leven waarin werken en leren volledig natuurlijk zijn geïntegreerd. Voor hen dus geen problemen met de balans werk-privé. Ik denk met name aan zwervers. Niet aan de door de samenleving uitgestoten daklozen van nu, maar aan de geromantiseerde versie: de landloper uit overtuiging. Ik denk ook aan kunstenaars. Niet de halfbakken wannabe’s van de hedendaagse hogescholen maar aan de ‘kunstenaar zijn is een roeping’-figuren. En ik denk aan monniken, niet omdat ze buitenbeentjes zijn (nu misschien wel) maar omdat ze zich in hun kloosters ook terugtrekken uit de maatschappij. Vér weg van Kantoren.

Van zwerver tot avant-garde
De eerste mensen waren zwervers, jagers en verzamelaars, totdat er steeds meer vaste nederzettingen ontstonden. Goed te verdedigen en handig om af te wachten of je ook kunt oogsten wat je gezaaid hebt. Jagers werden boeren, en boeren werden stedelingen. Het is interessant te zien hoe in het moderne extreem van de nederzetting, de grote stad, weer een nieuwe klasse van nomaden lijkt te zijn ontstaan. Steden zitten vól zwervers.

Uit het mechanisme stappen

Uit het mechanisme stappen

Een vaste verblijfplaats is nu de norm, maar er blijven altijd mensen en volkeren die er voor kiezen om níet mee te gaan in het harnas van de moderne maatschappij. Zigeuners trekken bijvoorbeeld al eeuwen door de wereld, hoewel hun vrijheid steeds meer is ingeperkt. Oorspronkelijk kwamen ze uit het noorden van India en Pakistan richting de Balkan. Sommigen beweren dat ze vanuit Egypte (vergelijk ‘gypsies’) naar het zuiden van Spanje trokken. De gevestigde orde kan niet goed omgaan met zwervende mensen. Ze worden sinds mensenheugenis weggemoffeld en onderdrukt. Tegelijkertijd wordt het zwerversbestaan ook geromantiseerd. In verhalen (Alleen op de wereld), op televisie (Swiebertje) en in opera’s (Il Trovatore). In de jaren zestig waren het de hippies die koketteerden met het zigeunerleven, als een manier om zich af te zetten tegen, of te bevrijden van de heersende orde. Blijkbaar wordt het zwerversleven geassocieerd met vrijheid, met vernieuwing, met spontaniteit en met leven bij de dag. Wie denkt aan een ‘bohémien’ denkt aan een levensgenieter, vaak niet wetend dat dit woord oorspronkelijk ‘hij uit Bohemen’ betekent. Zigeunerland dus. Ontstaan doordat een grote groep zigeuners in de 15e eeuw vanuit Tsjechië naar Frankrijk vluchtte. Veel later werd de term bohémien daar geassocieerd met een vrije, artistieke levensstijl, met avant-garde.

Kantoren hebben meer zwervers nodig. Ik denk letterlijk aan mensen met een ‘lege’ arbeidsovereenkomst, die niet zo gebonden zijn aan regels en structuren, die kansen kunnen grijpen, kunnen jagen en van afdeling naar afdeling trekken. Zij kunnen, net als de zigeuners, verhalen meebrengen, smeerolie worden in de organisatiecultuur en hun blik tot over de grens laten reiken. Er zou in veel organisaties meer vrijheid en meer chaos moeten zijn; meer lef ook.

De scheppende kracht van kunstenaars
Kunst is typisch iets van mensen. Ja, er zijn diersoorten die hun omgeving en zichzelf verfraaien. De prieelvogel versiert zijn nest met kleurige frutsels en poezen verzorgen hun snor. Maar het scheppen van objecten en beelden die niet primair in de eerste levensbehoefte voorzien, dat doen mensen. Kunstvormen zijn soms uit het leven gegrepen, zoals de jachttaferelen in grottekeningen, de vruchtbaarheidsbeeldjes van Afrikaanse stammen en de schilderijen van de oude Grieken. Naar verluid konden zij het dagelijkse leven zó natuurgetrouw schilderen, dat toeschouwers per ongeluk probeerden de druiven van het doek te plukken.

Maar kunst heeft zich ontwikkeld (zie hoofdstuk 26) en wat wel of geen kunst is, daar raken we tegenwoordig niet over uitgepraat. In het Guggenheim Museum zag ik ooit een dame per ongeluk een kunstwerk vernietigen. Zij trapte op een tl-buis die onderdeel was van een ‘kunstwerk’ dat bestond uit vier van die buizen. Een enorme plof en vervolgens doodse stilte. Ik lachte binnensmonds en wilde haar troosten. Zo’n stomme neonbuis is toch écht geen kunst, dacht ik, maar er moet een vrije geest geweest zijn die dat wél vond.

Ik denk bij ‘vrije geesten’ aan dat klassieke beeld van de kunstenaar die, tégen de armoede in, en tégen de gevestigde orde de héle dag bezig is met kunst maken. Vincent Van Gogh dus, en Karel Appel, om maar eens twee Nederlanders te noemen. Allebei naar het buitenland verdwenen, trouwens. Die gingen en gaan maar door. De ene bleef arm, de ander is schatrijk geworden.

De ‘echte’ kunstenaar laat zich niet imponeren door de heersende norm. Integendeel. Die gehoorzaamt liever een innerlijke kracht en ontwikkelt zich een leven lang. Kijk naar de levensloop van Pieter Mondriaan, die begon met een levensechte boom en eindigde in vierkantjes en primaire kleuren. Dat is pas ontwikkelen.

Daar kunnen ze in Kantoren wat van leren. Als je managers mag geloven, dan zouden ze graag willen dat al hun medewerkers nét zo’n roeping zouden hebben als Van Gogh, en zich net zo zouden ontwikkelen als Mondriaan. Zodat zij nét zo rijk zouden worden als Appel, denk ik dan. Kantoren hebben er geen geld voor, maar ze zouden meer kunstenaars moeten hebben. Die creativiteit brengen, die werken vanuit het hart. Die ongewone resultaten maken, met onverwachte combinaties, spannend en kleurig en ontroerend. Kunstenaars brengen esthetiek, verrassing en emotie. Van dat alles is er vaak veel te weinig in organisaties.

Monniken en het gewijde leven
Hoe groot de verschillen tussen de wereldgodsdiensten ook mogen zijn, ze kennen allemaal het kloosterleven. Monniken en nonnen over de hele wereld delen de roeping om zich volledig te wijden aan geloof of levensopvatting. Een belangrijke voorwaarde is daarbij dat zij zich als het ware terugtrekken uit het gewone leven. Het woord ‘klooster’ komt van het Latijnse claudere (sluiten). De extreme vorm hiervan verkoos de kluizenaar, die zich letterlijk levenslang liet opsluiten in een cel, vaak in of bij een kerk of klooster. Of ze trokken zich terug in een hutje in het bos of in een grot. Deze zonderlingen worden ook wel heremiet genoemd (eremia ís Grieks voor woestijn en eenzaamheid). In Ethiopië leven nog steeds kluizenaars in grotten in de woestijn. De heremiet wordt als tarotkaart vaak afgebeeld met een lantaarn in de hand. Hij is – door contemplatie wijs geworden – de brenger van het licht. Kluizenaars werden vaak als raadgevers gezien.

Voor de kloosterling is het leven iets minder eenzaam, maar hij deelt met de kluizenaar het zich terugtrekken uit de wereld. Soberheid, eenvoud, regelmaat, en meditatie moeten de broeder (of zuster) vrij maken van aardse beslommeringen. Hoe minder aandacht de buitenwereld vraagt, hoe beter de weg naar binnen kan worden gevonden.

In Kantoren gebeurt precies het tegenovergestelde. De druk van buiten is groot en lijkt steeds groter te worden. Kantoorbewoners worden om de oren geslagen met prestatiedwang en productiviteit. Het is ‘grow-or-go’. Voor reflectie is steeds minder tijd, dat wordt algauw meesmuilend afgedaan als ‘navelstaren’. Soms wordt geprobeerd in een conferentieoord in twee dagen tot ‘doorbraken’ in het denken te komen, maar daar zou de kluizenaar van vroeger natuurlijk om hebben geglimlacht. Die had daar een heel leven voor.

In de meeste organisatieculturen worden nu juist de zwervers weggepest en de monniken wegbezuinigd. En kunstenaars mogen alleen op het personeelsfeest komen. Ingehuurd. Het past absoluut niet in een tijd van kostenbewustzijn en afslanking, maar organisaties kunnen beslist meer monniken gebruiken. Rustige denkers, puzzelaars, op zoek naar een verfijnd begrip van de organisatiewerkelijkheid, in contact met de missie en de strategie.

Het zou wel eens verbazingwekkend veel kunnen ‘opleveren’ wanneer er veel meer tijd wordt vrijgemaakt in Kantoren voor ‘nietsdoen’ (zie hoofdstuk 38). Tijd waarin Kantoorbewoners mogen nadenken, naar buiten staren, mediteren of gedachtespelletjes doen. De ironie is dat veel Kantoorbewoners al veel bezig zijn met nietsdoen, met werkzaamheden die dusdanig ingeperkt of zinloos zijn dat ze als nietsdoen worden ervaren. Hoe kunnen al die bureaucratieën anders al jarenlang hetzelfde (of meer) werk blijven doen met minder mensen? Dat komt echt niet alleen door slimmer werken of door de computer. Dat komt óók omdat Kantoorbewoners vaak hebben geleerd op te houden met denken. Die zijn druk met bezig zijn.

Meer dissidenken op Kantoor

Het zou een stuk schelen in kantoren wanneer er meer ruimte komt voor vrije geesten. Mensen die de waarheid durven te spreken. Die niet alsmaar meegaan in de collectieve verzinsels en mooipraterij. Maar in Kantoren zijn we lief voor elkaar en tonen we respect voor verschillende standpunten, desnoods veinzen we het. Iedereen kletst over elkaar en niet mét elkaar. Er worden makkelijker afspraken gemaakt dan nagekomen en op disfunctioneren wordt men zelden rechtstreeks aangesproken. En áls er dan ’ns iemand écht iets zegt, hardop, dan wordt er collectief geschrokken. De durfal wordt dan óf langzaam als vreemd lichaam uitgedreven of tot held verklaard, maar in ieder geval buiten de orde geplaatst. En iedereen ziet en weet dat, dus de angst blijft.

Een gemeenschappelijk kenmerk van utopieën (zie hoofdstuk 24) is dat er een buitenstaander is of zelfs een ‘rebel’ die zich van de werkelijkheid losmaakt. Hij neemt een beschouwende of kritische positie in en stapt uit de vanzelfsprekendheid van de beschreven cultuur. Dit soort mensen heeft de kracht om zelfstandig te denken en nieuwe ideeën te vormen.

Soms wordt geprobeerd in een conferentieoord in twee dagen tot ‘doorbraken’ te komen, maar daar zou de kluizenaar van vroeger natuurlijk om hebben geglimlacht.

Ricardo Semler, bekend van zijn boek Maverick (In Nederland uitgegeven als Semco stijl, 1993) beschrijft hoe hij in zijn Braziliaans bedrijf Semco revolutionaire veranderingen doorvoerde. Zo schafte hij kledingvoorschriften af, introduceerde hij flexibele werktijden (toen erg bijzonder), ging actief samenwerken met de bonden, liet medewerkers hun eigen salaris bepalen en hun eigen baas kiezen en beoordelen. Maverick betekent zoveel als ‘dwarsligger’. Blijkbaar heeft het hem geen windeieren gelegd. Twintig jaar later publiceert hij The seven-day weekend (2003), waarin de balans privé-werk een centrale rol speelt. Het gaat goed met de dissident: voor hem is het altijd weekend.

Dat afwijkende meningen in de meeste Kantoren geen ruimte krijgen hoeft natuurlijk geen betoog. We kennen de Nederlandse uitdrukking ‘Je kop boven het maaiveld uitsteken’. Je moet van goeden huize komen wil je als dwarsligger tóch erkenning krijgen. Allereerst moet je iets te melden hebben want dwarsliggen zonder inhoud daar zit niemand op te wachten. Vervolgens moet je maling hebben aan de meerderheid en een sterk geloof in je eigen visie. En tenslotte moet je een kans krijgen. Ricardo Semler kreeg zo’n kans toen hij een zieltogend bedrijf in de schoot geworpen kreeg van zijn vader die met pensioen ging.

Het gevaar van socialisering
Organisaties doen er alles aan om ‘de neuzen dezelfde kant op’ te krijgen. Nieuwkomers worden ‘ingewerkt’, wat bij nadere beschouwing een vrij onprettige klank heeft. Socialisering is een krachtig mechanisme in organisaties. Nieuwelingen zijn bij uitstek onzeker en zoeken daarom actief naar ‘cues’ om betekenis te geven aan de nieuwe omgeving (een term van Karl Weick uit Sensemaking, 1995). Vriendelijke collega’s zullen hem of haar wel even snel uitleggen hoe het werkt, wat te doen en wat vooral níet te doen. Het is altijd weer leuk om te zien hoe nieuwe medewerkers zich de eerste weken nog dagelijks stijf in pak melden. Een collega van mij, zelfde jaargang als ik (nu weg), kreeg bij binnenkomst van onze directeur (ook weg) te verstaan zijn oorring liever uit te laten. Oorringen kun je zien en afdoen, maar afwijkende ideeën, da’s anders. Ik denk dat organisaties zouden moeten experimenteren met een actief dissidentenbeleid. Hoe dat er precies uit moet zien weet ik ook niet, want het klinkt net zo potsierlijk als het creëren van ‘broedplaatsen’ in de stad in de hoop dat er een avant-garde ‘groeit’. Maar alle medewerkers binnen de lijnen laten lopen werkt uiteindelijk ook niet.

Of we nu letterlijk zwervers, monikken en kunstenaars in huis halen of het als metafoor zien: er is in ieder geval een lastige vraag die moet worden beantwoord. Wat al deze figuren met elkaar gemeen hebben is dat ze zich niet laten betalen door een baas. Wie zichzelf verkoopt is niet vrij, en dat is nou juist waar het om is te doen.