32. Klagen is een keuze

Over de ongezellige maar bruikbare ideeën van het existentialisme

Er zijn van die theorieën die zo aansprekend zijn dat ze in korte tijd de wereld veroveren. Het existentialisme heeft duidelijke sporen nagelaten in de opvattingen van gewone mensen en … Kantoorbewoners. Maar dat weten de meesten niet. De opvatting over mensen als kiezende, vrije wezens is echter diep verankerd in onze allerdaagse opvattingen. Reclamemakers herinneren ons voortdurend hieraan: ‘wie wil jij morgen zijn?’ De vraag is echter of men zich wel zo vrij en kiezend voelt en gedraagt.

De mens is gedoemd tot vrijheid

Het existentialisme is een typische 20e eeuwse aangelegenheid. Maar de grondslagen voor deze filosofie zijn al in de 19e eeuw gelegd door denkers als Kierkegaard en Nietzsche. Zij inspireerden vervolgens Heidegger en natuurlijk Sartre die in de jaren vijftig en zestig het existentialisme bij het grote publiek bracht. In die periode kreeg de stroming het gezicht van het naoorlogse Parijs, erg studentikoos, met zwarte coltruien, intellectualistische debatten in benauwde zaaltjes en kelders (existentialisten rookten veel en vooral pijp) en een cultuur van opstandig pessimisme. Heel anders was het kleurige, bloemrijke verzet van de hippiegeneratie in de jaren zestig en zeventig, maar hun sombere voorgangers hebben welzeker de deur opengezet naar de typische tegencultuur van de jongeren van de Flower Power.

De invloed van het existentialisme was merkbaar in literatuur, film, politiek, in jongerenbewegingen en in theologie. Het werd mode, en is als zodanig weggeëbd. Maar belangrijke existentialistische ideeën zijn verder uitgewerkt in het postmodernisme. Wat ik vooral opmerkelijk vind, is te ontdekken dat de ‘filosofie van vandaag’ van alle kanten een existentialistische blijkt te zijn. Alleen kennen niet veel mensen de oorspronkelijke zienswijzen nog.

L’existence précède l’essence
Jean Paul Sartre was behalve filosoof ook toneelschrijver en links activist. Hij maakte de ideeën van het existentialisme bekend. Alhoewel beweerd wordt dat zijn levensvriendin Simone de Beauvoir hem in feite in alles overtrof, bleef hij de held en werd zij ‘slechts’ heldin van de opkomende emancipatiebeweging. Dat Sartre een held was werd nog eens bevestigd in 1964 toen hij de Nobelprijs voor de literatuur mocht ontvangen … maar deze weigerde. Hij ‘wenste zich niet tot instelling te laten transformeren.’ Dat komt toch niet vaak voor!

In een bondig en toegankelijk boekje uit 1946 vat Sartre zijn ideeën samen (L’existentialisme est un humanisme). Het boekje is in feite een verslag van enkele lezingen die hij gaf, waarin hij zich verdedigt tegen alle kritiek die het existentialisme te verduren kreeg. Centraal in Sartre’s filosofie staat de uitspraak ‘L’existence précède l’essence’: het bestaan gaat aan de wezensbepaling vooraf. De schepping volgt niet op de gedachte, zoals de gelovers van Genesis denken. Existentialisten trekken de gedachte dat God niet bestaat (‘Gott ist Tot’ van Friedrich Nietzsche) tot in de uiterste consequentie door. En dit houdt in dat er tenminste ‘één wezen is dat bestaat alvorens het door enigerlei begrip nader bepaald kan worden’. En dat is de menselijke werkelijkheid. Ofwel: niemand kon de mens verzinnen voordat-ie bestond. De mens was er eerst en niet God.

De mens is het enige dier voor wie het bestaan een probleem is dat moet worden opgelost (Erich Fromm).

De mens ís niets; hij kan alleen iets wórden. En hoewel dit paradoxaal klinkt, wordt hij alleen wat hij van zichzelf maakt. Het existentialisme is typisch een filosofie waarin een aantal thema’s liggen besloten. Ik noem er enkele.

Het leven zin geven. De mens krijgt niet alleen het leven: de mogelijkheid dit zelf in te vullen komt er gratis bij. Er is geen script, geen almacht, geen algemeen geldende moraal die voorschrijft wat we moeten zijn en hoe we moeten leven. Er is geen menselijke ‘natuur’ waar we op moeten lijken, geen ‘moraal’ waar we aan moeten voldoen. Het leven heeft geen zin; we moeten het zin geven. Dit wordt zelf-actualisatie genoemd, aan de hand van een ‘zelfontwerp’. Je bént niets, je wórdt iets.

Dit is een belangrijk thema in het licht van de zinloosheid die zoveel Kantoorbewoners ervaren. Managers en adviseurs doen erg hun best om medewerkers ervan te doordringen zelfsturend te zijn in de loopbaanplanning en in het eigen leerproces. In de praktijk is dit echter op veel Kantoren nauwelijks in te vullen. De vrijheid die men zegt te bieden, is vaak een wassen neus en de ‘sturing’ die iedereen ‘zelf’ ter hand kan nemen, moet binnen nauw omschreven grenzen plaatsvinden. Het werk is en blijft voor veel mensen zinloos en vervreemdend en hen ertoe aanzetten om er in existentialistische zin iets moois van te maken heeft veel weg van treiteren. Maar daarmee is de kous níet af.

Keuzes maken. Een mooi thema in het gedachtengoed van het existentialisme is zelfverloochening. Veel mensen lopen weg voor de vrijheid om keuzes te maken die het leven in essentie biedt. Erich Fromm noemde dat angst voor de vrijheid. Zij vertonen niet-authentiek, of onwaarachtig gedrag door zich te verschuilen achter beperkingen en onmogelijkheden. Ze nemen geen verantwoordelijkheid voor hun keuzes uit existentiële angst. Kunnen kiezen is confronterend, omdat je te maken krijgt met de gevolgen van je keuzes. Overigens is niet-kiezen in essentie ook een keuze.

Ik krijg vaak te maken met medewerkers die door hun managers naar een training ‘gestuurd’ zijn. Niet zelden leidt dit tot gemopper en geklaag. Vraag je echter door naar de werkelijke achtergronden dan blijkt dat maar weinigen er voor uitkomen dat ze gekomen zijn uit angst. De consequenties van het weigeren van de ‘uitnodiging’ zijn bijna nooit concreet en er zijn weinig serieuze pogingen ondernomen om de confrontatie met het management aan te gaan. Liever worden zulke pogingen bij voorbaat als vruchteloos afgedaan dan daadwerkelijk ondernomen. De sullige waarheid achter dit verschijnsel is echter dat al die klagende en onvrijwillig aanwezige medewerkers vergeten dat ze dus wel degelijk ervoor ‘gekozen’ hebben er te zijn. In vrijheid en bij vol verstand zijn ze allen present en nemen vervolgens níet de verantwoordelijkheid voor hun aanwezigheid. De existentialist noemt dat ontrouw zijn aan jezelf.

Atlas draagt de wereld

Atlas draagt de wereld

Verantwoordelijk voor jezelf. En dat is waar het in de Kantoorlog meermaals op stukloopt. In de verwrongen verhoudingen op Kantoor denken medewerkers dat ze afhankelijker zijn dan ze werkelijk zijn en denken managers dat ze invloedrijker zijn dan ze werkelijk zijn. De existentialistische opvatting hierover is dat het bestaan je de keuzevrijheid geeft om er iets van te maken, maar ook dat de mens daar ten volle voor verantwoordelijk is. In de eerste plaats voor jezelf maar – gelukkig – vervolgens ook voor de anderen. Want ‘als wij de vrijheid willen, ontdekken wij dat ze geheel afhankelijk is van de vrijheid van de anderen, en dat de vrijheid van de anderen afhankelijk is van de onze’ (Sartre, L’existentialisme est un humanisme, 1946). De mens staat níet alleen in de wereld en zal rekening houden met de anderen. Maar dat beneemt hem níet de vrijheid om zélf te kiezen, elke keer opnieuw. En de ontzagwekkende angst die dát oproept kan volgens Sartre oprechte ‘walging’ oproepen. De leegte van het bestaan, de nietsigheid van het zijn is voor velen een angstwekkend uitzicht.

Toch denk ik dat we daar nu, vijftig jaar later, anders over zijn gaan denken. We zijn vertrouwd geraakt met vérgaand individualisme en elke dag lijken de keuzemogelijkheden in het leven toe te nemen, daar zorgt het kapitalisme wel voor. In Kantoren heerst echter nog een groot en merkwaardig verschuilen. Er wordt met hete aardappels gegooid, er worden apen op elkaars schouder gezet en er wordt onder het maaiveld gedoken. De angst om ergens voor te gaan staan, af te wijken, keuzes te maken en de consequenties daarvan te aanvaarden is groot. Terwijl daar éigenlijk in onze goed beschermde arbeidsverhoudingen en in onze overdadige welvaart weinig reden toe is.

Een streng optimisme

Het existentialisme is vaak pessimisme en zelfs nihilisme verweten. Existentialisten zouden de mens van God beroofd hebben en hem ‘in de wereld hebben geworpen’ met niets meer dan een angstaanjagende vrijheid. Een vrijheid die zo groot is dat je je verlaten voelt. Sartre verwerpt deze kritiek stellig. Hij meent dat de leer die de mens als kiezend en verantwoordelijk wezen centraal stelt in feite optimistisch is.

Toch valt niet te ontkennen dat het existentialisme van de jaren vijftig, met name in uitingen zoals film en literatuur erg sombertjes is. Wanneer existentialisten het hebben over ‘in de wereld geworpen worden’ spreken ze over die wereld meestal in nare bewoordingen: ziekte, oorlog, hebzucht en frustratie. Maar zo kort na de Tweede Wereldoorlog is dat ook wel te begrijpen.

De Kantoorlog is onze eigen schepping
En dit brengt ons op het thema engagement. Waar existentialisten destijds voor stonden was actie! Werkloos toezien ontslaat je niet van verantwoordelijkheid: wie onrecht bekijkt maar zwijgt maakt toch vuile handen. In Sartre’s tijd werd op deze gedachte zwaar ingezet door links radicalen en neo-marxisten. Wie deze ideeën echter ontdoet van de rooie saus ontdekt een aantal verrassend actuele boodschappen.

Ook in het moderne Kantoor (en in de hele samenleving trouwens) hoor je ónder de klaagzang steeds het impliciete excuus van machteloosheid (zie hoofdstuk 16). Het heeft tóch geen zin. Het ís al geprobeerd. Wat haalt míjn gedrag nou uit?
Mét de existentialisten van toen voel ik soms zoveel verveling bij deze collectief verzonnen machteloosheid. Of de schepping nou Goddelijk is of niet, hij is welzeker schitterend. En als wij passief blijven toezien hoe we langzaam maar zeker deze planeet afbreken dan maken we allemaal vuile handen. En als wij de Kantoorlog laten voortwoeden dan dragen we uiteindelijk allemaal de mistroostigheid van de slachtoffers.

In de end we will remember not the words of our enemies, but the silence of our friends (Marten Luther King).

Het moderne verlangen naar zelfsturing en empowerment is een herhaling van thema’s. We zijn aan dat verlangen inmiddels een eindje tegemoet gekomen, maar we hebben dat niet altijd slim gedaan. We namen de vrijheid, maar ontliepen de verantwoordelijkheid. De obsessie met economische groei en de onbevredigbare verlangens van de consument maakt ons gemakzuchtig en gretig. Dag in dag uit worden ons wereldproblemen gepresenteerd maar we halen de schouders op. Heeft tóch geen zin.

Het zal niet meevallen om als individu een verschil te maken. Maar er is één omgeving waarop je dagelijks invloed kunt uitoefenen. Er is een kleine groep mensen, dícht bij jezelf die je elke dag ontmoet en waarmee je een bescheiden revolutie kunt ontketenen. Op Kantoor, met je collega’s kun je eenvoudigweg ophouden met de absurde Kantoorlog. Je kúnt uit de klaagzang stappen en stoppen met roddelen. Je kunt naar je manager stappen en zeggen dat hij een niksnut is. Je kunt je medewerkers toespreken en zeggen dat ze verwend zijn. Het is écht een mogelijkheid om het Kantoor vaarwel te zeggen als je er niet gelukkig wordt. Misschien is het angstig, misschien moet je een veer laten. Maar je hebt de keuze.

Maat en moraal
Protagoras leefde in de vijfde eeuw voor Christus. Hij was een sofist, een rondreizende denker die zijn kennis onderwees om ervan te leven. Van hem zijn drie belangrijke uitspraken bekend, die vijfentwintig eeuwen later zonder veel problemen met het existentialisme kunnen worden verenigd. Allereerst beweerde Protagoras dat het bestaan van God niet bewezen kon worden. Bovendien stelde hij dat de mens in staat is om een zwak argument sterk te doen lijken en omgekeerd. In het Athene van toen was retoriek, het kunnen spreken in het openbaar, één van de belangrijkste middelen om te onderwijzen en te beïnvloeden. Veel geschreven werd er immers niet. Waarheid en moraal waren voor Protagoras dus relatief en subjectief. Hij heeft zichzelf veel bewonderaars verworven, maar ook veel critici en vijanden.

Zijn meest bekende uitspraak is: de mens is de maat der dingen. Mensen – en dus geen God en ook geen algemeen geldende moraal – bepalen de waarde, de waarheid en de waarachtigheid van alles. Maat is geen werkelijkheid die onafhankelijk van mensen bestaat. Het voorbeeld dat hij daarbij gebruikt is dat eenzelfde kamer voor de ene persoon koud kan zijn en voor de andere persoon warm. Tot op zekere hoogte kunnen wij dat begrijpen en kunnen we verschillende oordelen over eenzelfde situatie met elkaar verenigen. Zou één van die personen echter een dwaas standpunt innemen, bijvoorbeeld dat het ‘steenkoud’ is in een normaal verwarmde kamer, dan weten we dat hij in zijn oordeel ‘mateloos’ is. En over dat oordeel beslissen wij uiteindelijk zelf.

In zijn boek Wholeness and the implicit order (1985) schrijft de natuurkundige David Bohm ook over maat. Hij laat zien dat ‘maat’ eigenlijk twee betekenissen heeft. Maat is een afgesproken eenheid, een hoeveelheid en kan als zodanig gebruikt worden om een heelheid te verdelen. Een lengte kan in afgemeten stukjes worden opgeknipt. Een tweede betekenis van maat legt hij uit als ‘de maat der dingen’. Een subjectief maatbegrip, afgeleid van het Latijnse ‘mediri’ dat genezen betekent. Maat is ook een verhouding, een ‘ratio’, die onder meer rede betekent. Bohm wijst erop dat de oude Grieken sterk leefden naar het principe van maat houden. Zelfbeheersing, redelijkheid en matiging werden als belangrijke deugden gezien. Maat is beslist niet alleen de vergelijking met een uitwendige standaard, maar evenzeer het aanvoelen van een innerlijke verhouding.

Protagoras en de maat der dingen

Protagoras en de maat der dingen

De conclusie die je kunt trekken is dat het bij het nemen van beslissingen altijd gaat om het in acht nemen van de maat der dingen. De maat houden en de natuurlijke verhoudingen respecteren is de verzekering dat de mens in vrijheid niet uit de bocht vliegt. Sartre stelt dat er geen algemene moraal is. Mensen zullen die steeds opnieuw moeten uitvinden. Zij zullen in zelfbeschikking altijd ‘de anderen’ tegenkomen en zich daarmee moeten verhouden – meten. Moraal – zo voeg ik toe – ontstaat aldus door in harmonie te leven met de maat der dingen.

In het moderne Kantoorleven is de menselijke maat verloren gegaan. Als God dood is, als er geen algemeen geldende moraal meer is en als de nadelen van onze welvaart zó groot worden, dan kunnen we niet passief toezien hoe het er op Kantoren aan toe gaat. Organisaties zijn de meesterwerken van onze cultuur, ze zijn allesbeheersend en bepalen in grote mate het welzijn van bijna alle mensen. Dat schept verplichtingen die helaas niet altijd worden nagekomen. Organisaties moeten zich vóór alles ten doel stellen de aarde mooi te laten en mensen gelukkig te maken. Hoe gecompliceerd en ondoorzichtig ze ook zijn; we hebben ze wel degelijk zélf gemaakt. En hoe machteloos we ons soms ook voelen; we hébben een keuze. Laten we organisaties gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld: wel-zijn.

Ik hoorde ooit dat op de Kalverstraat elke dag een schoonmaakploeg bezig duizenden plakjes kauwgum weg te krabben. En als ze aan het eind zijn beginnen ze weer opnieuw. Kleine beetjes maken er een puinhoop van. Maar kleine beetjes kunnen ook een paradijs maken. Sartre noemt het existentialisme geen pessimisme maar een ‘streng optimisme’. Misschien moeten we weer wat strenger worden voor elkaar en voor onszelf. Dat belooft wat voor deel V.

25. Van nature goed

Over sociaal-darwinisme en morele armoede op de werkvloer

Om te kunnen ontsnappen aan de Kantoorlog is een andere opvatting over werk en organisatie nodig. Veranderende wereldbeelden zijn in het verleden soms behoorlijk radicaal geweest. De evolutietheorie heeft onze denkbeelden over het ontstaan van leven totaal gewijzigd. Maar niet alleen als illustratie van een paradigmaverschuiving is deze theorie interessant. Zij is ook bruikbaar als verklaring voor het ontstaan van Kantoorleed.

Van Darwin tot Dawkin

Voordat de evolutietheorie bestond ging men ervan uit dat de schepping er altijd was zoals hij geweest was. Aanwijzingen voor verdwenen soorten – door de vonds van fossielen –  kon men verklaren met  ‘catastrofes’, zoals de zondvloed. En voor het ontstaan van geheel nieuwe soorten had men ook logische verklaringen. Muizen konden bijvoorbeeld ontstaan uit een mengsel van graankorrels met vuil wasgoed.

Het recht van de sterkste
Pas met het werk van Charles Darwin (1809-1882) brak het idee door dat levensvormen zich stap voor stap ontwikkelen, alleen zo langzaam dat deze ontwikkeling in een mensenleven niet waar te nemen valt. Darwin’s evolutietheorie was baanbrekend en is nog steeds van invloed op onze opvattingen over het leven op aarde. Minder bekend is dat de wetenschapper Alfred Russel Wallace, een man uit een lagere sociale klasse dan Darwin, al jaren eerder eveneens een evolutietheorie had ontwikkeld. Darwin heeft diens werk wel een speciale vermelding gegeven, maar gunde liever zichzelf de eer als uitvinder van de evolutietheorie de geschiedenis in te gaan. En zo geschiedde.

Een Amerikaanse aap, een ateles, die dronken was geworden van de jenever, raakte het nooit meer aan, en was dus wijzer dan vele mensen (Darwin).

In zijn beroemde On the origin of species (1859) presenteert hij zijn belangrijkste ideeën. Pikant is dat Darwin, fervent gelovige en kind van de Victoriaanse tijd, daarin nog zwijgt over de afstamming van de mens. Pas in later werk (The descent of man, 1871) introduceert hij de aap als voorouder van mensen, tot grote woede van kerkvorsten.

De evolutietheorie wordt wel de meeste invloedrijke theorie genoemd ná de bijbel. En inderdaad, in het licht van Darwins ideeën wordt het scheppingsverhaal vooral een filosofische metafoor, en het paradijs een sprookjesachtige utopie (zie hoofdstuk 24). Het algemene beeld over het ontstaan van leven ging in ieder geval even drastisch op de schop als het beeld van het heelal in de tijd van Galileï en Copernicus.

De invloed van Darwin’s ontdekkingen dringt ook diep door in de wereld van Kantoorbewoners. In organisaties lijkt het soms veel op een Darwinistische ‘struggle for life’. Een strijd op leven en dood om schaarse bronnen, om macht en invloed, om de gunsten van de klant en om de weg naar de top. Keer op keer laten Kantoorstrategen ons geloven dat het in de huidige economie om ‘overleven’ gaat (zie hoofdstuk 33) en dat alleen ‘de sterksten zullen winnen’.  De evolutiemetafoor wordt gretig gebruikt, en dan vooral in haar oorlogszuchtige betekenis: in het gesprek op Kantoor zijn uitstervende rassen, mutaties en selectie aan de orde van dag. Het is meestal ieder voor zich en het recht van de sterkste.

De biologische berg
Is de oorsprong van de mens een vraag die voor velen met de evolutietheorie min of meer lijkt opgelost, over de bedoeling van de mens woedt als altijd nog een levendig debat. Stephen Jay Gould, één van de beroemdste biologen van deze tijd, stelt nuchtertjes dat de evolutie van het leven op aarde in feite geen enkele bedoeling heeft. Een belangwekkend interview met hem staat in Een schitterend ongeluk (naar de gelijknamige vpro-serie door Wim Kayzer, 1993). Hij zegt dat de loop der geschiedenis eigenlijk contingent is en dus afhangt van allerlei toevallige gebeurtenissen. Als de dinosaurussen niet waren uitgestorven, zouden zij nog steeds heersen over de aarde en zou er geen intelligent leven zijn ontstaan. In de tijd van de dino’s waren de zoogdieren klein en ze kwamen evolutionair gezien niet zoveel vooruit in concurrentie met de grote reptielen. En aangezien dinosaurussen in de 150 miljoen jaar dat ze bestonden geen indrukwekkende intelligentie hebben ontwikkeld, is het onwaarschijnlijk dat ze dat in dit millennium wél zouden hebben gedaan.

Kantoorlog sociaal darwinismeGould vindt dat Darwin meestal geheel verkeerd begrepen wordt. Diens theorie gaat met name over aanpassing van soorten aan de omgeving en natuurlijk selectie. Dat daar tegenwoordig vooral de principes van ‘het recht van de sterkste’ uit gehaald wordt past in een deterministisch wereldbeeld waarin mensen zichzelf als het topje van de biologische berg beschouwen. Niet alleen superieur maar ook nog het eindpunt.

En hoe briljant dat eindpunt is geeft te denken als je beschouwt dat evolutionair gezien de mens nog pas een oogwenk bestaat (er is al drie en een half miljard jaar leven op aarde), maar wél als enige soort het vermogen heeft ontwikkeld om zich niet alleen aan de omgeving aan te passen (zoals alle andere soorten), maar deze omgeving ook volstrekt te domineren. De mens heeft de even unieke als bedenkelijke gave zichzelf te kunnen uitroeien, en de hele schepping erbij. En we zijn al aardig op weg (zie hoofdstuk 33).

Egoïstische genen
In 1976 schreef Richard Dawkins zijn bestseller over een genetische uitleg van Darwin, The selfish gene. Het misleidende effect van deze titel is dat vaak gedacht wordt dat Dawkins wil beweren dat de mens in wezen egoïstisch is. Maar dat is niet wat hij bedoelt. In een reductionistische visie op het darwinisme veronderstelt hij dat de motor van de evolutie het voortplanten van genen is, niet van organismen. Zonder het gen een bewustzijn te willen toedichten, noemt hij het toch ‘zelfzuchtig’ omdat het uitsluitend gericht zou zijn op het zo succesvol mogelijk overdragen van zichzelf. Het ontstaan van variaties en eigenschappen in organismen is in wezen bijzaak. Dieren en mensen zijn een soort voortplantingsmachines: zij zijn er voor de genen en niet andersom. Wie over Dawkins leest komt vaak de oude biologengrap tegen: ‘Een kip is slechts de manier waarop een ei meer eieren maakt’.

Dawkins visie is nogal mistroostig als je op zoek bent naar de bedoeling van het leven. In vele interviews toont hij zich overigens een maatschappelijk geëngageerd en optimistisch mens. Zo fulmineert hij tegen het opdringen van religie door ouders aan kinderen, waarschuwt hij tegen genetische manipulatie en schreef hij een open brief aan Prins Charles die zich in zijn ogen onterecht afzette tegen de verdiensten van de wetenschap. Hij betreurt ook zeer het feit dat moderne sociaal-darwinisten zijn theorieën gebruiken als argument voor hun verdorven opvattingen.

Sociaal-darwinisme
Hoe de gedachten van Darwin door mensen kunnen worden misbruikt laat bij uitstek het sociaal-darwinisme zien: een stroming die eind 19e eeuw ontstond en die zich éénzijdig richtte op het principe van ‘survival of the fittest’. Met dit principe werden sociale (wan)toestanden op wetenschappelijke manier recht gepraat. Het bestaan van klassenverschillen, oorlogen en het domineren van volkeren was een onvermijdelijk – en daarmee te rechtvaardigen – evolutionair oerprincipe. En zo zouden ook verschillen tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ volken kunnen worden verklaard (en gebillijkt), wat gezien de minieme genetische verschillen tussen mensenrassen volkomen onzin is.

Ook deze gedachte is diep doorgedrongen in de organisatierealiteit. Verschillen tussen hogere en lagere klassen zijn er nog heel normaal, ondanks de illusie van gelijkheid (zie hoofdstuk 23) die er gecreëerd wordt. Ik voorzie echter dat er organisaties zullen ontstaan die daadwerkelijk op de principes van gelijkheid en gelijkwaardigheid zijn gebaseerd (zie hoofdstuk 36). Daartoe is het nodig om minder in termen van ‘hoger’ en ‘beter’ te denken. De mens ís niet het eindpunt van de evolutie. Hoewel Darwin betrapt is op racistische uitspraken, was het in zijn tijd vrij normaal om de blanke mens als kroon op de schepping te zien. Ironisch is dat Darwin niets wist van het bestaan van chromosomen, Mendels erfelijkheidswetten en het door mensen ingrijpen in het natuurlijke selectieproces. Maar tegenwoordig weten we beter.

De vooraanstaande plaats van rivaliteit in het evolutiedenken kenmerkt ook het leven op kantoor: er is te weinig plaats voor zorg, mededogen en troost.

De neef van Darwin, Sir Francis Galton, was de grondlegger van de Eugenics Movement. De doelstelling van deze wetenschap is het verbeteren van de menselijke soort, zeg maar zoals wij in het Westland onze tomaten tot ongekende proporties hebben opgeblazen. Dat dit niet zo’n lollige gedachte is, bewijzen overigens gruwelijke experimenten hiermee in communistisch Rusland en nazi-Duitsland. De ontwikkeling van een Arisch ras werd in eugenics als een biologische noodzaak gezien. De vergelijking is misschien ongepast, maar de ‘verbeterslagen’ die we in veel organisaties zien en de golven van onnatuurlijke selectie (‘preventief ruimen’ volgens Jaap Peters en Judith Pouw, 2005) hebben wel eens verdacht veel weg van rassenverbetering. De monocultuur die in Kantoren nagestreefd wordt (zie hoofdstuk 14) brengt echter dezelfde smakeloosheid met zich mee die de Nederlandse tomaat tegenwoordig heeft. Daarom zal er in de toekomst echt werk gemaakt moeten worden van diversiteit in organisaties.

Van nature goed?

De ontwikkelingsgeschiedenis van dieren en mensen kan ook van een hele andere kant worden belicht. Frans de Waal ging op zoek naar de evolutionaire wortels van moraal, geweten en altruïsme, en de betekenis hiervan voor het overleven van de soort.

Het schuldgevoel van apen
Frans de Waal, Nederlander van geboorte, is professor aan de Emory University in Atlanta. In zijn bekende Van nature goed (1997) onderzoekt hij onder meer sociale intelligentie bij primaten en komt met schitterende voorbeelden over verzoeningsgedrag bij apen, troost en hulp bij walvissen, rouwverwerking bij olifanten, schuldgevoel bij honden en een moreel geweten bij onze meest directe voorouders: de primaten. Ontroerend zijn voorbeelden van gehandicapte dieren die ondanks hun ongeschiktheid tot overleven tóch volwassen konden worden. Het sociaal systeem bij verschillende diersoorten toont zich tolerant en hulpvaardig ten opzichte van zwakkeren, in weerwil van de strikt darwinistische opvattingen.

Overigens hoeven we de dierenwereld heus niet te disneyficeren: zó romantisch is de keiharde afstraffing die je te beurt valt wanneer je als aap of wolf de regels overtreedt nou ook weer niet. Maar duidelijk is het wél, en dát is iets dat in de meeste Kantoren ontbreekt. Duidelijkheid. De Waal vindt het tijd worden om de ethiek uit handen te nemen van de filosofen en haar te biologiseren. Ook hij vindt dat Darwins principe van ‘survival of the fittest’ te vaak wordt gebruikt als rechtvaardiging voor ongemeen harde competitie tussen mensen.

Het zoeken naar moraal bij mensen en dieren is een ethisch mijnenveld. In zekere zin kan De Waal als een vertegenwoordiger van de sociobiologie worden gezien, de wetenschap die zoekt naar evolutionaire verklaringen voor gedrag van dieren en dus ook mensen. De sociobiologie, zo genoemd door Edward Osborne Wilson in 1975, heeft zich vaak moeten verdedigen tegen verdachtmakingen als zou zij in feite een nieuw soort sociaal-darwinisme zijn. Vandaar dat deze wetenschappers zich ook graag ‘gedragsecologen’ noemen. Hoe het ook zij, over de relatie tussen evolutie en moraal zijn de meningen sterk verdeeld. De Waal zet zich af tegen mensen als Dawkins en Gould. Deze laatste huldigt de opvatting dat de natuur in principe géén moraal heeft. Dat mensen toch moraal hebben ontwikkeld komt omdat we anders elkaar simpelweg zouden uitmoorden. Bovendien is de ontwikkeling van moraal nu eenmaal een onontkoombaar bijproduct van ons bewustzijn.

Na lezing van Van nature goed ben je er aardig van overtuigd dat typisch ‘menselijke’ eigenschappen misschien niet zo uniek zijn. Het maakt enerzijds bescheiden, maar nodigt ook uit om ons vernuft in te zetten voor wat ‘goed’ is voor de schepping.

Morele armoede op de werkvloer
De Waal bepleit respect voor de natuur in al haar wreedheid én goedheid. Hij toont zich bezorgd over een mensheid die zichzelf boven alles verheft. Hij ziet de overeenkomsten in morele ontwikkeling tussen mensen en apen, maar níet in het nemen van verantwoordelijkheid! Dat doet denken aan de ideeën van Stephen Jay Gould, die stelt dat intelligentie misschien dan wel toeval is, maar nu mensen het tóch hebben kunnen ze maar beter verantwoordelijkheid nemen voor de schepping. Dat is wel het minste wat we kunnen doen sinds Darwin deze schepping voorgoed uit handen van Onze Lieve Heer heeft genomen.

Met weinig fantasie kunnen we de schaduwzijden van de menselijke soort voor de geest halen. En wie verbeeldingskracht mist, kijkt in de krant of zet de televisie aan. De Kantoorlog echter, woedt vaak in stilte, is verstopt onder hrm-procedures en wordt gemaskeerd door economische praatjes. Wantoestanden kwamen in de vorige eeuw nog voor, en anders in ‘sweatshops’ in lagelonenlanden. Hier zogezegd niet.

Maar de slachtoffers weten anders. Zij hebben meegemaakt dat er op Kantoor wel degelijk een vorm van sociaal-darwinisme heerst en dat het er heus survival of the fittest is. En ja, er was na de jaren zestig in veel organisaties een gezapigheid en luiheid ontstaan die niet meer kon worden meegenomen naar de jaren tachtig. En tot aan vandaag worden er grote bedrijven, instellingen en organisaties verbaasd wakker in een wereld die veel harder en dreigender is dan vroeger. Dus opschudden, doorkammen en bezuinigen is vaak nodig en goed geweest. Maar we zijn de maat een beetje kwijt. In veel Kantoren is er geen enkele ruimte meer voor mededogen, zorgzaamheid, troost en luieren. De strijd om het bestaan is té hard geworden en de verschraling van de ‘habitat’ heeft nu ook de vitaliteit van de overlevers aangetast. De Waal toont aan dat de noodzaak van opoffering, toewijding en barmhartigheid in sociale systemen even wezenlijk is als hiërarchie, regelhandhaving en competitie. Door Kantoren steeds meer te modelleren naar het beeld van de ‘selfish gene’ maken we er inderdaad een ‘warzone’ van die vele slachtoffers eist. Ik denk daarom dat er meer ethisch bewustzijn in organisaties nodig is (zie hoofdstuk 34).

Wat ons menselijk maakt is wellicht dat we kaal zijn en op twee benen lopen, zoals Plato beweerde: maar wel ‘met brede nagels’, nadat Diogenes hem spottend een kaalgeplukte kip presenteerde als Plato’s Mens. Verder is de scheidslijn tussen mens en dier soms akelig dun. Niet alleen hebben dieren moreel besef, gevoelens van affectie, afkeer en angst, het vermogen tot het afstemmen van gedrag op verwachtingen, sociale status en schuldgevoel. Omgekeerd kunnen mensen maar wát makkelijk hun menselijkheid vergeten en zich als ‘beesten’ gaan gedragen.