28. Unidentified Flying Office

Over de scheppende kracht van het verlangen naar een andere wereld

Het woord paranormaal verraadt een machtsstrijd in ons denken. Para betekent ‘naast’. Er is blijkbaar in onze taal een woord om een denkwereld aan te duiden die niet normaal is, die er naast zit. Toch zijn er heel veel mensen overtuigd van het bestaan van verschijnselen die we niet kunnen zien en die we niet kunnen bewijzen. Daarbij wordt er vaak naar de Hemel gekeken. Christenen, astrologen en ufologen: ze kijken allen verlangend naar boven.

Verlangen naar een andere wereld

De fascinatie voor het paranormale is enorm en dat wordt keer op keer in onderzoek aangetoond. Messer en Griggs (1989) ondervroegen studenten en vonden dat 99 procent van hen gelooft in minimaal één van de volgende verschijnselen: channeling, helderziendheid, telepathie, psychische operaties, healing, psychokinese, uittredingen, levitaties, de Bermuda Driehoek, ufo’s, bewustzijn van planten, aura’s en geesten. Een onderzoek uit 1968 van Michel Gauquelin is beroemd: een groep mensen kreeg dezelfde horoscoop aangeboden. De onderzoeker vroeg in hoeverre men zich erin herkende. Ongeveer 90 procent gaf aan dat de hororscoop erg raak was, zonder uiteraard te weten dat deze horoscoop was opgesteld op basis van de gegevens van een seriemoordenaar (Rudolf Smit, Geloof in astrologie, 1991).

Ik wil hier stilstaan bij het gegeven dat er door zoveel mensen betekenis wordt gehecht aan werelden, verschijnselen, ervaringen en gevoelens waar in de dagelijkse praktijk op Kantoor nauwelijks iets mee gedaan wordt. De inspiratie, de spiritualiteit, het geloof of het bijgeloof dat in het eigen leven zoveel zin geeft wordt onder het mom van ‘zakelijkheid’ uit de wereld van organisaties gelaten. Het moet Kantoorbewoners in een vreemde spagaat brengen. Toch kan ook de ‘zakelijke’ wereld geheel opgaan in iets wat later als volstrekte flauwekul te boek komt te staan. Ik zal ingaan op één van de meest opmerkelijke verschijnselen die ooit serieus de voorpagina’s haalden: vliegende schotels.

Ufo’s in Roswell en Area 51
Vandaag hoor je er niet veel meer over, maar er is een tijd geweest dat ufo’s (Unidentified Flying Objects) een geliefd onderwerp waren in de media. De meest recente opleving van het geloof in bezoek van buitenaardse wezens is het – inmiddels grotendeels opgeloste – raadsel van de graancirkels. De media-aandacht voor dit fenomeen maakt evenwel duidelijk dat de fascinatie voor het buitenaardse onverminderd groot blijft.

Het gaat niet allene om de vraag of ufo’s werkelijk bestaan. Het gaat  ook om de ervaring dat we ze werkelijk kunnen bedenken.

De eerste golf van ufo-waarnemingen dateert van kort na de Tweede Wereldoorlog. In de tijd daarna waren er regelmatig mensen die beweerden een vliegende schotel te hebben gezien. Een van de merkwaardigste geschiedenissen in z’n soort is het zogenaamde Roswell incident. In juli 1947 worden in dit plaatsje in Nieuw Mexico – zo wil het verhaal – de wrakstukken geborgen van een neergestort ruimteschip, compleet met inzittenden. Er zou zelfs één overlevende zijn. Al gauw ontstaan er wilde geruchten en blijken er vele ‘getuigen’ te zijn. Ook majoor Marcel van de plaatselijke luchtmachtbasis, blijkt een ‘gelover’. ufo-onderzoeker Stanton Friedman zal bijna 30 jaar later, na een toevallige ontmoeting met majoor Marcel de hele boel weer oprakelen en schrijft er met Bill Moore een boek over (The Roswell incident, 1980). In de ufo-wereld blijkt de mythe over Roswell onuitroeibaar, ondanks het feit dat geen enkel hard bewijs bij nadere beschouwing overeind blijft staan. Vooral niet na het onderzoek van Kal Korff (The Roswell UFO crash, 1997). Hij ontrafelt elk zogenaamd bewijs en kraakt alle getuigenissen om aan te tonen dat het ‘mysterie’ niet meer is dan een opgeblazen verhaal van een neergestorte weerballon. Maar wel een verhaal dat in de enthousiaste geesten van ufo-gelovers decennia lang als proeve van buitenaards bezoek mocht gelden.

Geregeld waargenomen

Geregeld waargenomen

Grimmig aan het verhaal is de samenzweringstheorie die eraan is ontsproten. Juist omdat zóveel onzeker en onduidelijk bleef, ontstond er een voedingsbodem voor speculaties. Zo zou de Amerikaanse overheid de boel in de doofpot gestopt hebben, en zouden ze zich allang de superieure ufo-technologie eigen hebben gemaakt. Er zou zelfs een wereldwijde geheime regering zijn met de naam MJ-12, die contact heeft met ruimtewezens, zowel goede (blonde Nordics) als kwade (langneuzige Greys). Er zouden mensen worden uitgeleverd voor experimenten en geheime scenario’s zijn om de overbevolking op te lossen. En het ‘Star Wars’ project van Ronald Reagan was natuurlijk níet bedoeld om bommen van de Sovjets uit te schakelen, maar om aanvallen van ruimteschepen af te weren. Marcel Hulspas noemt deze fantasten de ufo-fascisten, en wijst op het antisemitische karakter van hun complottheorieën (De UFO-fascisten, 1995). Hij rapporteert in hetzelfde blad (Skepter) in 1998 over Area 51, de supergeheime (dus legendarische) Amerikaanse militaire basis in Nevada, waar niet alleen restanten van ufo’s zouden liggen, maar waar bovendien geëxperimenteerd wordt met een zwaartekrachtbrandstof Element 115. De geheime basis wordt thans omringd door ufo-watchers, die af en toe samenkomen in het café Little A-Le-Inn.

Of het nou fictie of feit is; er zal nog veel over geschreven worden. Wat ik fascinerend vind, is dat deze voorbeelden weer duidelijk maken dat je als enthousiast mens vaak gaat zien wat je wilt geloven. Medewerkers in Kantoren fantaseren er, aangevoerd door managers en geholpen door adviseurs, ook wat op los. Ze willen geloven dat efficiency het hoogste goed is en dat het nodig is dat belangrijke mensen in een pak lopen. Ze willen geloven in ‘groter is beter’ en ‘meten is weten’. Ze willen ook geloven in de ‘urgentie’ van veranderen en de ‘noodzaak’ tot continuïteit van het Kantoor. In veel trainingen, workshops en intervisiesessies heb ik moeiteloos kunnen aantonen dat de meeste van deze vanzelfsprekendheden nergens op berusten. Het zijn eigen werkelijkscreaties en gedachtespinsels die niet méér of minder geloofwaardig zijn dan het bestaan van ufo’s.

Waren de Goden Kosmonauten?
In 1969 publiceert Erich von Däniken zijn Erinnerungen an die Zukunft. Bij ons bekend onder de veelzeggende titel Waren de goden kosmonauten? Een bestseller van een Zwitser die met talloze voorbeelden aantoont dat er in de geschiedenis van de aarde absoluut intensief contact moet zijn geweest met buitenaardse wezens. In een stortvloed aan voorbeelden en argumenten neemt Von Däniken je mee in zijn semi-wetenschappelijke betoog en inderdaad: het klinkt bijzonder overtuigend. Hij vertelt over mysterieuze lijnpatronen van duizenden kilometers omvang op de vlakten in Peru. Over zeer oude landkaarten die alleen getekend konden zijn vanuit hoog boven de aarde. Over kalenders van de Inca’s, zichtlijnen in de piramide van Cheops en grottekeningen in Tibet van mensen met helmen. Zonder moeite herinterpreteert hij oude verhalen en geschiedschrijving tot lezingen over interstellaire contacten. Wie kritisch naar zijn verhaal kijkt valt op dat zijn krachtigste argument steeds weer is: er zijn té veel raadsels die we met gangbare kennis niet kunnen verklaren! Wat je ook van zijn ideeën kunt vinden, ze zijn in ieder geval bijzonder innovatief (zie hoofdstuk 39) en gedurfd, en dat is iets wat op Kantoren welkom zou zijn.

Waarom komen de kosmonauten niet terug – mag men zich met recht afvragen – om ook in onze tijd een duidelijk getuigenis af te leggen van hun bestaan? (Coll)

Uiteraard bleef zijn visie niet onopgemerkt bij de critici. Een voorbeeld is Pieter Coll die al in 1971 komt met zijn Geschäfte mit der Phantasie (Hebben zij gelijk? Aanval op Von Däniken e.a.). Wie eerst verbluft was over de nauwkeurigheid van het bewijs voor ruimtevaarders, staat nu wederom paf over de precieze ontleding van de redenaties van Von Däniken (en imitatoren). Stap voor stap laat Coll zien dat de ‘raadsels’ van Von Däniken vaak eenvoudige en logische verklaringen hebben en dat veel van het zogenaamde bewijs in feite bestaat uit onwetenschappelijke interpretaties, speculaties en zelfs vervalsingen. Coll schept er duidelijk genoegen in om Von Däniken te torpederen. Zijn schrijfstijl is een mengsel van ergernis en triomf. Hij laat geen spaan van hem heel. Einde van een illusie? Nee hoor! Von Däniken publiceert onverdroten verder. Er zijn tientallen miljoenen exemplaren van zijn boeken in bijna 30 talen verkocht. Hij hield duizenden lezingen, ontving onderscheidingen, eredoctoraten en werkte mee aan televisieseries. In 2003 opende hij een amusementspark in Interlaken met de naam Mystery Park, gebouwd rondom ‘de raadselen van de aarde’. Wie het laatst lacht, lacht het best moet hij wel denken.

Feit of fictie maakt geen verschil

Het is té gemakkelijk om deze geschiedenissen als kinderachtige anekdotes terzijde te schuiven. Aan de mogelijkheid van buitenaards leven wordt door bijna geen wetenschapper meer getwijfeld. Wat ik interessant vind is dat Von Däniken actief op zoek is gegaan naar het verklaren van allerlei verschijnselen búiten de gevestigde orde om. Ik ken zijn motieven verder niet – hij schijnt in zijn jonge jaren tot gevangenisstraf veroordeeld geweest te zijn wegens fraude  – maar hij deed in ieder geval niet ‘meer van hetzelfde’. En zijn onderzoek appelleert aan het gevoel van miljoenen mensen die vagelijk menen dat er ‘ergens’ nog meer is. Precies zo’n gevoel als de vele medewerkers hebben die dagelijks naar hun Kantoor sjokken om daar meer van hetzelfde te gaan doen.

Hebben zij gelijk?
Veel mensen geloven in horoscopen, ondanks het feit dat wetenschappelijk onderzoek steeds aantoont dat horoscopen niet veel méér voorspellen dan kansberekening (zie vooral het werk van Geoffrey Dean). De verhalen over vliegende schotels zijn opwindend, maar zijn niet met zekerheid te ‘bevestigen’. We kennen de verhalen van de oude, versleten oma die blij is te mogen sterven. Omdat zij er van overtuigd is naar de Hemel te gaan. Wat ons letterlijk en figuurlijk boven het hoofd hangt, is soms angstaanjagend en soms inspirerend. We kunnen ons daarin met wetenschap verdiepen, maar dat is volgens mij niet zo interessant. Daarom vind ik de titel van het werk van Pieter Coll veelzeggend: Hebben zij gelijk? Het is typisch een vraag die past bij de westerse wetenschappelijke methode. Een vraag die volledig voorbij gaat aan de mogelijkheid van een andere wereld. Door alles wat niet ‘keihard’ is, als onzin af te doen gaat er veel inspiratie, creativiteit en ‘mogelijkheid’ verloren.

Snelweg bij Area-51

Snelweg bij Area-51

In 1995 publiceert Rupert Sheldrake Seven experiments that could change the world. Hierin schetst hij in detail een aantal mogelijke onderzoeken die makkelijk en goedkoop zouden kunnen worden uitgevoerd om zijn theorieën te ‘bewijzen’ (zie hoofdstuk 20). Uiteraard is er erg veel kritiek op deze voorstellen gekomen. De experimenten zouden onwetenschappelijk zijn en niets kunnen bewijzen. Sheldrake begaat omgekeerd dezelfde fout als Coll. Hij probeert in de taal van de gevestigde orde iets hard te maken wat per definitie een ‘para-normale’ theorie is. Het heeft geen zin om een opvatting, die radicaal afwijkt van de gevestigde orde, te willen bewijzen met instrumenten ván die gevestigde orde. Dat is hetzelfde als de schoonheid van een schilderij van Vermeer gaan uitdrukken binnen de iso-systematiek.

Terreur van het normale denken
Zolang mensen van het paranormale slag zich vredig in huiskamers en op privé-congresjes met hun buitenzintuigelijke belevenissen bezig houden, is er niks aan de hand. We vinden het zelfs vermakelijk in namiddagse theeleut-televisie. Maar als zij zich gaan mengen in het echte leven van ‘normale’ mensen, dan komt er strijd. Als ze hun ‘idiote’ theorieën willen ‘bewijzen’ kunnen deze ‘zwevers’ de aanval verwachten, tot de rechter aan toe als het moet, zoals de Jomanda-Millecam affaire aantoont.

Om hun ideeën tóch met de ‘normale’ wereld te kunnen delen, maken ze gebruik van de taal van de wetenschap, voeren ze bewijzen aan en stellen logische redenaties op. Eén van de meest door hen gebruikte trucs is daarbij het ongelijk of het tekort van de huidige wetenschap aantonen. Ze stellen dus vragen waarop de gevestigde wetenschap nu géén antwoord weet, of ze vallen verklaringen aan die eigenlijk niet bevredigend zijn. Zij blijven echter een makkelijke prooi voor de kracht van de wetenschappelijke bewijsvoering. Het is voorspelbaar dat zij door sceptici overtuigend onderuit gehaald worden, maar dat is niet het punt. Het punt is dat zij in staat zijn geweest om met denkkracht en gevoel uit de huidige werkelijkheid te stappen en serieus de mogelijkheid te onderzoeken van een volstrekt ándere werkelijkheid. Ze vertrekken vanuit de overtuiging dát er UFO’s bestaan, dát planeten de levensloop beïnvloeden en zijn misschien naïef of romantisch maar zéér zeker óók in staat ‘uit-de-box’ te denken. En dat is nodig, want méér van hetzelfde werkt niet meer. In Kantoren zien we dat elke dag opnieuw. Daar wordt alweer veranderd en nóg een nieuwe structuur uitgedokterd. Maar medewerkers raken gewoon méér vervreemd en inspiratie is steeds verder te zoeken, ondanks de pogingen om Kantoren opnieuw te ‘bezielen’.

Intuïtief Management en Emotionele Intelligentie zijn hypes, maar zeer zeker ook indicaties voor de behoefte aan een echt andere manier van organiseren. Managers gebruiken tegenwoordig woorden als visie en bezieling, waarschijnlijk zonder te beseffen hoe dicht deze begrippen semantisch én inhoudelijk aanliggen tegen meer esoterische begrippen als visioen en ziel. We kennen legendarische verhalen van leiders die tot grote daden zijn gekomen door een visioen of bezieling. Mozes kreeg adviezen op de berg Sinaï en Marten Luther King had een droom. Volkeren hebben zich door de eeuwen heen op dit soort inspiratie gericht (let op ‘spirit’ in dit woord). Maar niks van dit alles op Kantoor. In de organisatie van nu is het een dooie, ontzielde boel. Computers zoemen er hun digitale preken en beleidsnotities zijn er de moderne Schriften. Maar er is een kracht die niet valt weg te organiseren, en dat is het buikgevoel van mensen. Dat zegt dat er iets niet klopt in al die gebouwen. Dat we mensen teveel behandelen als machines en dat organisaties het leven in de weg staan. Dit buikgevoel moet aangesproken worden, door emoties en intuïtie toe te staan, door over aspiraties en inspiratie te praten en door eerlijke confrontaties aan te gaan. Dat is geen overbodige luxe en ook geen navelstaarderij. Dat is broodnodig.

Stop de Kantoorlog!
Tegenwoordig hebben onderzoek en ruimtevaart de speculaties over buitenaards leven getemperd. Meldingen over ufo’s zijn er nauwelijks nog en cnn heeft de ‘War of the worlds’. Dat incident liet zien hoe realistisch fantasie kan worden. Het volgende bericht stond op 31 oktober 1938 op de voorpagina van de New York Times:

‘Radio Listeners in Panic, Taking War Drama as Fact: A wave of mass hysteria seized thousands of radio listeners throughout the nation between 3:15 and 9:30 o’clock last night when a broadcast of a dramatization of H.G. Well’s fantasy “The War of the Worlds” led thousands to believe that an interplanetary conflict had started with invading Martians spreading wide death and destruction in New Jersey and New York. The broadcast, which disrupted households, interrupted religeous services, created traffic jams and clogged communication systems was made by Orson Welles.’

Het oorlogsdrama wordt als ‘feit’ aangenomen, en creëert aldus échte paniek en écht gedrag. We kunnen werkelijkheden scheppen die méér dan fictieve gevolgen hebben. Wat Kantoren betreft, is mijn vraag deze: naar welk radiohoorspel luisteren de bestuurders van grote organisaties, waardoor we nu met al die échte gevolgen zitten op onze mooie kleine aarde? Het is tijd voor een radicale verandering. Het Kantoor moet tegen de vlakte. Werken vanuit een écht andere werkelijkheid.

20. Organiseren van de heelheid

Over organisaties in verbinding op collectief niveau

Een van de grootste tegenstellingen in organiseren is misschien wel de wens om een geheel te smeden van onderdelen. Enerzijds kijken we voortdurend naar organisaties als een verzameling van brokjes. Anderzijds zoeken we steeds ook weer naar die éénheid, dat geheel, die versmelting van alle onderdelen tot één, gelijkgerichte doeltreffendheid. Ik ben met dit hoofdstuk precies halverweg mijn betoog. Het is misschien wat abstract, maar voor mij raakt het de kern.

Holon, holisme en heelheid

In de organisatiekunde is de belangstelling voor een meer integrale, holistische benadering de laatste jaren sterk groeiende. Interessant aan deze ontwikkeling vind ik met name de indruk dat er bij weinigen twijfel over de wenselijkheid hiervan lijkt te bestaan. Met het grootste gemak vliegen termen als ‘collectief’, ‘wij’ en ‘holistisch’ over tafel. In ons land publiceerde Jaap Westerbos zijn Wereld wijd wij (2004), waarin een indrukwekkend overzicht staat van deze ontwikkelingen.

Niet te missen in de speurtocht naar heelheid is het begrip holon, geïntroduceerd door de Hongaar Arthur Köstler. Een holon (van het Griekse holos = heel) is een deel en een geheel tegelijk. Zoals het hart een orgaan is in zichzelf maar ook deel is van het lichaam of een afdeling een eenheid is maar ook een organisatiedeel. Complexe systemen bestaan uit een hiërarchie van holons. Een holon is onafhankelijk en afhankelijk tegelijk. In de natuur is een perfect voorbeeld hiervan een varen. Wanneer je een blad van een varen uitvergroot zie je eigenlijk weer de hele varen terug. Ook in systemen waarbij deze visuele gelijkenis zich minder duidelijk opdringt kun je toch aannemen dat elk deel het geheel in z’n totaliteit weerspiegelt. Voordat ik kijk hoe dit op organisaties van toepassing zou kunnen zijn wil ik eerst twee belangwekkende schrijvers introduceren: David Bohm en Rupert Sheldrake.

Impliciete orde
David Bohm is natuurkundige. Hij is één van de velen die, enthousiast over de ontwikkelingen in de nieuwe fysica, probeert de kwantumtheorie aan het grote publiek over te brengen. In Wholeness and the implicate order (1980) maakt hij duidelijk dat de wetenschap, bedoeld om geheimen van de natuur te ontraadselen, in feite voor steeds grotere vraagstukken komt te staan. Hij noemt het beroemde experiment van Heisenberg (dit is overigens duidelijker beschreven in Gary Zukav’s The Dancing Wu-Li Masters uit 1979). Kort gezegd komt dit experiment erop neer dat het observeren van elektronen afhankelijk is van de experimentele setting. Onder bepaalde omstandigheden zien we deeltjes, en onder andere omstandigheden zien we golven. Deze dualiteit tart de klassieke opvatting dat er één eenduidige, constante werkelijkheid is die we als onafhankelijk bestaand zouden kunnen leren kennen. De vraag is of we misschien meer ‘deelnemers aan’ dan ‘waarnemers van’ de werkelijkheid zijn. In met name oosterse filosofieën is deze gedachte helemaal niet nieuw, maar nu wordt deze ook door ‘harde’ experimentele natuurkunde ondersteund. En daarmee staat onze definitie van wat ‘waar’ en ‘werkelijk’ is op z’n zachtst gezegd onder druk.

Het kost geen moeite om deze gedachte op organisaties van toepassing te verklaren. Zonder banaal te willen worden: er zijn eenvoudige voorbeelden te geven. Wie de concurrent als vijandelijk ziet, zal ook vijandschap blijven zien. Wie vindt dat medewerkers steeds klagen, zal niet zien dat ze soms ook tevreden zijn. Wie streeft naar winstmaximalisatie zal nooit genoeg hebben.

he zou duidelijk absurd zijn om een einde te willen maken aan de draaikolken zonder de vormende activiteit van de rivier te veranderen (David Bohm).

Verder is Bohm er duidelijk over dat de reductionistische manier van kijken naar de wereld er de oorzaak van is dat we in onze samenleving nu voor onoplosbare problemen staan. Een gefragmenteerd wereldbeeld brengt ons in ernstige crises, zoals milieuvervuiling, vernietiging van het evenwicht in de natuur, economische en politieke wanorde en een levenssituatie die voor mensen lichamelijk en geestelijk ongezond is. Hij bouwt zijn betoog dan ook op naar een meer holistisch wereldbeeld, waarin dingen als één worden gezien.

Vast en vloeiend

Vast en vloeiend

Hiertoe introduceert hij een verschil tussen de expliciete orde en de impliciete orde. Met het eerste bedoelt hij alle materiële, uiterlijke manifestaties in de wereld om ons heen. Met het tweede bedoelt hij de onderliggende, onzichtbare samenhang van alles. Hij gebruikt de metafoor van een rivier met draaikolken. Deze vormen in het water zijn als de uiterlijk waarneembare en te onderscheiden ‘onderdelen’ van de fysieke wereld. Dit soort onderdelen ‘ontvouwen’ zich soms vanuit de impliciete orde. Maar we moeten niet vergeten dat zij tevens deel uitmaken ván de gehele rivier, van dezelfde substantie zijn en dat daarmee alle verschijnselen in het universum onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Bohm noemt dat de holobeweging. Deze gedachte trekt hij door naar het bewustzijn, waarvan hij beweert dat dit van dezelfde ‘substantie’ is als al het tastbare. Denken is dus in feite even tastbaar als aanraken. Bohm schept de mogelijkheid van een universum waarin alles met elkaar in verbinding staat en waarin de scheiding tussen lichaam en geest, tussen hard en zacht en tussen ding en gedachte niet langer opgaat. En dit is op z’n minst de moeite van het onderzoeken waard in Kantoren. Maar nu eerst naar Sheldrake.

Morfologische resonantie
Het werk van bioloog Rupert Sheldrake is opzienbarend. In 1981 verschijnt zijn eerste boek, A new science of life: The hypothesis of formative causation. Het gezaghebbende blad Nature verwerpt het boek stellig als ‘één van de beste kandidaten voor boekverbranding sinds jaren’. Deze reactie is typerend, omdat rationalisten die denken volgens de gevestigde wetenschappelijke tradities alles wat buiten de ‘orde’ valt radicaal afwijzen. En buiten de orde is de theorie van Sheldrake zeer zeker. Maar daarom niet minder – of juist daarom – interessant,  zo vindt inmiddels ook een groeiend legertje bewonderaars.

Centraal in zijn theorie is de gedachte dat de werkelijkheid zoals wij die thans denken te kennen slechts het topje van de ijsberg is. Alle natuurlijke systemen worden bezield, georganiseerd en gecoördineerd door morfogenetische velden. Deze velden – denk voor het gemak even aan een magnetisch veld, hoewel dit zijn theorie tekort doet – geven vorm aan de uiterlijke verschijning van deze wereld, in alle graden van complexiteit. Dus voor morfische eenheden zoals atomen, moleculen, kristallen, cellen, weefsels, organen, organismen, gedachten, gedragingen en zelfs gemeenschappen bestaan morfische velden die een inherent ‘geheugen’ bevatten. Deze velden hebben als het ware een script of een programma dat de uiterlijke vorm in de natuurlijke wereld bepaalt. Daarom groeit er uit een appelpitje een appelboom en geen eik. De relatie tussen velden en vormen ontstaat door een proces dat Sheldrake morfische resonantie noemt. De velden resoneren, trillen of ‘stempelen’ als het ware hun geheugen naar een werkelijkheid van vormen zoals wij die kunnen proeven, ruiken en voelen.

De implicaties van deze opvatting zijn enorm. Wie eenmaal van het bestaan van morfogenetische velden uitgaat, krijgt mogelijke verklaringen in handen voor verschijnselen als telepathie, synchroniciteit (zie hoofdstuk 40) en reïncarnatie. De initiële reactie van veel lezers zal zijn dat dit allemaal wel fraai klinkt maar dat het niets te maken heeft met de organisatiekunde. Maar dat bestrijd ik.

Een probleem voor veel Kantoorbewoners is dat ze denken toeschouwer te zijn van het Kantoor, geen deelnemer of schepper.

Sheldrake’s verhaal geeft mij een taal om anders naar organisaties te kijken. Hij beschrijft bijvoorbeeld termieten, die na een beschadiging van hun kasteel, als vanzelf de wond beginnen te dichten. Zónder met elkaar in contact te staan. De natuurlijke vorm van de termietenberg – vastgelegd in het morfogenetisch geheugen – stuwt het gedrag van de nijvere beestjes naar herstel van de oorspronkelijke bedoeling. Kunnen we naar organisaties van mensen kijken als eenheden met een ‘natuurlijke’ vorm, of een ‘vanzelfsprekende’ structuur? Dan kom je misschien tot verrassende analyses, waarbij een organisatie als ‘te groot’ of ‘ondergestructureerd’ tevoorschijn komt. Dan ontdek je misschien dat een bepaalde overname als een steen op de maag ligt of dat een onopgelost conflict de energie verkeerd richt. Dan ga je anders kijken naar de ‘cultuur’ op Kantoor. Sheldrake geeft veel voorbeelden van groepen dieren die van elkaar leren zonder (fysiek) in contact te zijn. Een apensoort op het ene eiland leert na duizenden jaren om een bepaalde vrucht eerst in de zee te weken alvorens deze te openen. In diezelfde periode leert ‘toevallig’ dezelfde soort apen op een ver weggelegen eiland precies dezelfde techniek. De gedachte is op z’n minst aanlokkelijk dat mensen in één organisatie op andere manieren met elkaar in ‘contact’ staan dan via vergadering, telefoon en computer. Er zijn inmiddels voorbeelden van bedrijven die bij een vergadering eerst op elkaar ‘intunen’ door meditatietechnieken alvorens met elkaar in dialoog te gaan. Gebruiken in Oosterse bedrijven lijken ook veel hierop. Wat wij hier in het Westen als bijgeloof wegschamperen is in andere werelddelen bittere ernst. Ik was ooit in Hongkong, waar ik mij verbaasde over het feit dat aan één kant van een wolkenkrabber alle ramen waren dichtgeplakt. De verklaring was eenvoudig: het gebouw was niet volgens de regelen van Feng Shui gemaakt, dus de Draak vormde aan die kant van het gebouw een bedreiging. Werknemers konden daar slechts werken achter de bescherming van een gordijn of een stapel dossiers.

Meer organisatie, minder eenheid

Zoals ik in de inleiding van dit hoofdstuk al aangaf stelt het huidige organiseren ons vaak voor een geweldige paradox. We proberen meer orde en eenheid te bereiken door het opknippen van taken, het onderscheiden van verantwoordelijkheden en het afbakenen van afdelingen. Deze neiging tot fragmentatie is in vrijwel alle organisaties onbedwingbaar.

De vijfde discipline
Peter Senge heeft een baanbrekend boek geschreven, The fifth discipline (1990), waarmee hij holistisch denken over organisaties voor gewone mensen begrijpelijk maakt. Volgens hem is het grootste struikelblok in organisaties de neiging om teveel op onderdelen te focussen. Hij pleit voor een meer integrale benadering van het totale systeem, en de dynamiek daarin. Ik noem een tweetal van zijn lessen.

Ten eerste maakt hij duidelijk dat oorzaak-gevolgrelaties meestal niet lineair zijn, maar circulair. Een eenvoudig voorbeeld is de wapenwedloop die we kenden tussen Rusland en Amerika. Voor beide grootmachten zag de wereld er lineair uit: zij meer wapens, dan wij ook meer wapens. Wie echter het hele systeem beziet herkent hoe twee rechte lijnen met elkaar eigenlijk een cirkel vormden, een opwaartse spiraal. De kunst is om in organisaties dergelijke cirkels, of patronen van oorzakelijkheid te ontdekken. Dat zal Kantoorbewoners helpen om zich minder ééndimensionaal op symptomen te richten.

Neiging tot fragmenteren

Neiging tot fragmenteren

Ten tweede beschrijft hij uitgebreid het verschijnsel feedback. In cirkels van oorzakelijkheid wordt informatie over de toestand van het systeem waargenomen en gebruikt om bij te sturen. Vaak zijn deze terugkoppelingen onzichtbaar, vooral als ze gerelateerd zijn aan impliciete normen. Een bedrijf dat bijvoorbeeld de productie wil opvoeren loopt dan tegen een impliciete norm op dat mensen er niet te hard moeten werken en goed voor zichzelf moeten zorgen. Omdat de norm onuitgesproken is wordt het zelfcorrigerende feedbackmechanisme niet herkend. Dat wordt dan weerstand tegen verandering genoemd. Wat feedbackmechanismen extra moeilijk te doorgronden maakt, is dat ze vaak een vertragingsfactor kennen: een reactie komt vaak pas later. Oorzaken en gevolgen liggen daardoor vaak onherkenbaar ver uit elkaar.

Senge waarschuwt ervoor onszelf teveel als toeschouwer van de organisatie te zien. We zijn deel van het systeem, en dus vaak ook deel van het probleem (zie hoofdstuk 17). Wie iets in de organisatie wil veranderen moet dus tegelijkertijd zijn verbinding ermee begrijpen als er ook afstand van kunnen nemen. Bijna altijd worden organisatie en omgeving als grotendeels (zo niet volledig) onafhankelijk van elkaar gezien en benaderd. En – indachtig Heisenberg – dat levert dan ook voortdurend bewijs daarvoor op. Daarom kunnen energiebedrijven de grootste vervuilers zijn én duurzame, groene energie aanbieden. Daarom kunnen klanten als koningen behandeld worden én medewerkers als voetvolk. En daarom raken grote Kantoren vaak erg in zichzelf gekeerd, ondanks met de mond beleden pogingen om open te staan voor de omgeving.

Organisaties richten bijna al hun aandacht op de expliciete, zichtbare aspecten van hun zijn, en verwaarlozen grotendeels de impliciete orde. Nieuwe structuren ontstaan meer op de tekentafel dan dat ze spontaan mogen ontstaan. Over veranderingen wordt meer ‘besloten’ dan dat ze worden ‘ontvangen’.

Een heel Kantoor
Ik zou het wel een mooi en gedurfd experiment vinden om in Kantoren op zoek te gaan naar de impliciete orde en naar de ondeelbare verbondenheid van alles. Dan zou ik me gaan afvragen of je wel ‘gezonde’ bedrijfsonderdelen van ‘ongezonde’ onderdelen zomaar kunt afscheiden. Bij een mens amputeer je toch ook niet zomaar allerlei lichaamsdelen? Dan zou ik me gaan afvragen hoe bepaalde discrepanties tussen ‘zeggen’ en ‘doen’ de orde aantasten. Dan ontstaat er een beeld dat een probleem ‘denken’ hetzelfde is als een probleem ‘maken’. En dan zie je ineens waar al die medewerkers eigenlijk over klagen. Die zijn ongelukkig door de ernstig versplinterde werkelijkheid waarin zij geacht worden tot superprestaties te komen. Zij moeten steeds het ene hier vinden en het andere dáár doen, voelen geweldige tegenstellingen en paradoxen in een Kantoor waarin de heelheid is uiteengerafeld in een soort structuur die alleen klopt in theorie, maar níet in de dagelijkse ervaring.

We hebben met verdeeldheden leren leven alsof die ‘normaal’ zijn, maar bij nadere beschouwing zijn ze volslagen absurd. Waarom zou je bijvoorbeeld ontzag voelen voor of vertrouwen hebben in een baas, die er uit ziet als een puffende, overspannen chaoot? Die bovendien in een veel grotere kamer zit dan jij? Is dat nou echt normaal? En hoe kun je als medewerker omgaan met de gedachte dat je in competitie moet zijn met een collega van een andere afdeling waar je elke donderdagavond mee tennist? Of hoe kun je innovatief en enthousiast je werk doen als je vrijwel geen zeggenschap hebt over je eigen toekomst in het bedrijf? Ik gebruik expres triviale voorbeelden, omdat ik vind dat júist daarin de absurditeit van het Kantoor het meest treffend is.

Ik leer van Sheldrake en Bohm dat we organisaties veel meer als een geheel moeten zien (zie hoofdstuk 35). En niet eens op zichzelf staand, maar in verbinding met de omgeving. Misschien zou een eenvoudige start kunnen zijn door in organiseerprocessen allereerst de aandacht te richten op de relaties en niet op de onderdelen (letterlijk). En vooral op de overeenkomsten en gezamenlijke belangen, en niet op de verschillen (letterlijk). Zoiets kan heel praktisch worden gemaakt zonder meteen al te esoterisch te worden. Managers en adviseurs hoeven níet bang te zijn. Integendeel, het dreigt nog eens inspirerend te worden!

De Kantoorlog zaait en oogst verdeeldheid en zal pas eindigen wanneer we alles in verbinding brengen. Laten we dus tóch maar dat gesprek aangaan over de ‘geest’ of het ‘bewustzijn’ van organisaties. Want dat het nu geestdodend is en niet bewust, daar zijn inmiddels wel genoeg bewijzen voor. En kunnen we niet veel meer aandacht geven aan intuïtie en gevoel, want rationele besluiten, daar hebben vaak vooral last van. Dus liever een heel ander gesprek dat misschien niet direct ‘resultaat’ oplevert dan meer van hetzelfde. Want dat werkt niet meer.