9. Een maatschappij van organisaties

Over de vraag of er nog ruimte is tússen de organisaties

Je zou je schouders kunnen ophalen over de ellende op Kantoren. Maar dat doe ik niet. Er worden teveel mensen naar van. Bovendien hebben organisaties teveel invloed op ons dagelijks leven. De samenleving is een dicht en dik gesponnen web van organisaties waaraan bijna geen mens kan ontsnappen. Deze georganiseerde samenleving heeft een prijs. Ik wil stilstaan bij de groeiende invloed van organisaties op ons leven en het dominerende karakter ervan.

Een dichtgemetselde maatschappij

Soms rij ik door ons Nederlandse landschap en dan denk ik: zou er nog ergens een klein stukje grond zijn, misschien ter grootte van een theedoek, waar mensen nog niet gekomen zijn? Onaangeraakt? Zijn er misschien smalle strookjes maagdelijk Holland tussen de wegen, de huizen en de Kantoren door? Niet in een park en ook niet in een ‘recreatiegebied’. Gewoon zomaar.

Zoiets kun je je ook afvragen over de Organisatielandkaart. Zijn er nog stukjes samenleving die niet door organisaties zijn opgeslokt? Zijn er wellicht terreinen die vergeten zijn, ter grootte van een bureau, ongereguleerd, tussen de instellingen, bedrijven en Kantoren door? Niet in een ‘kunstenaarsbroedplaats’ en ook niet in een gedoogzone. Gewoon zomaar.

Steeds meer in handen van bedrijven

Steeds meer in handen van bedrijven

Ik vind het een nogal sombere gedachte dat er bijna geen plek meer te verzinnen is waar nog ongerepte chaos en vrijheid is. We leven in een tijd waarin letterlijk elke vierkante millimeter onderwerp is van management en marketing. Een gemiddeld mens is lid van tientallen organisaties, waarvan sommige veel invloed hebben op het privé-leven. Wat vroeger nog een vanzelfsprekend privé-domein was is nu toegeëigend door organisaties en onderwerp van regelgeving. Het zal niet lang duren of mijn moeder zal een niet-werknemers verklaring moeten invullen voor het wekelijks oppassen op haar kleinkind. Kinderzorg is immers een potentiëel ‘economische activiteit’.

Ook de openbare ruimte wordt steeds meer ingenomen door organisaties, die overal hun merktekens achterlaten. Een dieptepunt daarvan zag ik tijdens de Kerst van 2004, toen op de Dam in onze hoofdstad de nationale kerstboom grotendeels aan het zicht onttrokken was door het logo van een sponsor. Het winterse ‘chalet’ ernaast was een informatiestand van datzelfde bedrijf. De huiskamer van Nederland uitgeleverd als reclamebord door een smakeloos pact tussen gemeente en bedrijfsleven.

The ugly face
Dat wij een samenleving van organisaties zijn, is volgens Peter Drucker (The new society of organizations, 1992) pas een vanzelfsprekendheid geworden na de Tweede Wereldoorlog. Een typisch Nederlands woord ontstond om de geïnstitutionaliseerdheid van de samenleving aan te duiden: verzuiling. Maar hoewel de zuilen zijn onttakeld is de macht van organisaties niet afgenomen. Integendeel. In een maatschappij waarin individuele vrijheid luidkeels gepropageerd wordt, is de regelzucht van overheden en de invloed van bedrijven almaar groeiende. Organisaties zijn zich steeds meer met individuen aan het bemoeien. Ze worden gedefiniëerd als burgers, kiezers, consumenten, cliënten, leden of belanghebbenden en ingepakt in een web van regels en voorschriften, onderzoeken, adviezen, marketingstunts en beleidsvoornemens. Organisaties hebben een enorme invloed op het leven van mensen en dat is niet altijd wenselijk. Ze hebben grote macht, die steeds groter wordt en het is – dat staat elke dag in de krant – lang niet altijd zeker of hun belangen precies dezelfde zijn als die van de burger, de consument of de belanghebbende.

In hun doelgerichtheid dienen organisaties niet altijd de belangen van de samenleving. In hun concurrentievermogen ontwikkelen ze een macht die oncontroleerbaar wordt. En in hun specialisatie vormen ze een kennisknooppunt waar niemand tegenop kan. Organisaties zijn vaak ondemocratisch, ondoorzichtig en onbeheersbaar.

In Nederland is de verhouding woonmeters op kantoormeters grofweg tien staat tot één. De leegstand in kantoren bedraagt een kleine 15 procent. Er is nog steeds een tekort aan woningen.

Gareth Morgan beschrijft in zijn Images of organization hoe organisaties gezien kunnen worden als instrumenten om anderen te domineren (Hoofstuk 9, The ugly face, 1986). Eén van de effecten van modern organiseren is dat in het streven naar meer winst de arbeidsmarkt (doelbewust) gesegmenteerd wordt in groepen hoger opgeleide professionals en laag opgeleide onderknuppels. Het is niet toevallig dat de zwakkere groepen in de samenleving, zoals immigranten en kleurlingen, in dit segment zijn oververtegenwoordigd. Met hun invloed op deze oneerlijke klassevorming laten organisaties hun ‘lelijke’ gezicht zien.

Ook Naomi Klein (No-Logo, 2000) snijdt dit probleem aan. In hun niet te stuiten zucht naar recordwinsten hebben grote bedrijven massaal de productie naar lage-lonenlanden verplaatst. De arbeidsomstandigheden aldaar zijn huiveringwekkend. En als gevolg daarvan – hoewel de vergelijking eigenlijk ongepast is, zo erkent ook Klein – is het met de kwaliteit van arbeid in het westen al niet beter gesteld. Het succes voor aandeelhouders wordt betaald met massa-ontslagen, grote baanonzekerkheid en een enorme toename van – vaak vrij geestdodend – werk in de dienstverlening (vooral horeca, detailhandel en eenvoudig administratief werk, zoals klantenservice) en in de uitzendbranche. Het psychologische contract tussen werkgevers en werknemers is op losse schroeven komen te staan. Joanna Ciulla (The working life, 2000) noemt dit het verraad van de organisatie. Het sterkst doen deze effecten zich voor in het bedrijfsleven, maar hebben we niet jaren gekend waarin ook non-profitorganisaties en overheden ‘bedrijfsmatiger’ moesten leren werken? De meeste werknemers zijn kostenpost, en dat weten ze.

De silent take-over
Hoewel er veel kritiek is op de definitieve overwinning van het kapitalisme lijkt het alsof er geen kruid meer tegen gewassen is. Na de val van de Berlijnse muur in 1989 is het ‘voorwaarts mars’ gegaan met de vrije handel op wereldschaal. Noreena Hertz, in het kielzog van Naomi Klein, hekelt dit verschijnsel in The silent takeover (2001). De veelzeggende ondertitel van haar politieke pamflet is ‘Global capitalism and the death of democracy’. In datzelfde jaar verscheen een artikel van haar in The Observer met de titel ‘Why we must stay silent no longer’. Via internet werd dit artikel razendsnel zeer populair, het werd een manifest voor de anti-globalisten (zie hoofdstuk 33). Hertz stelt dat overheden zich in rap tempo overgeven aan de macht van de grote ondernemingen. Onder het mom van vrije handel, geheel naar de leer van Nobelprijs-econoom Milton Friedman (‘De enige verantwoordelijkheid van organisaties is winst maken’), trekken overheden zich terug en bekommeren zich slechts om de vrije markt, waarin burgers worden ‘gereduceerd’ tot consumenten. Die hebben trouwens toch al geen vertrouwen meer in de overheid: hun stem telt wel maar maakt niets uit, volgens Hertz. Overheden worden vleugellam gemaakt en gemanipuleerd. Enerzijds door bedrijven die dreigen werkgelegenheid naar het buitenland te verplaatsen. En anderzijds door instellingen als de World Trade Organization, die maatregelen van overheden tegen onethisch handelende bedrijven terugfluit als ‘overtreding’ van de internationale afspraken over vrije handel.

Steeds groter, steeds machtiger
De ‘silent takeover’ werd overigens al langer geleden opgemerkt. In 1962 bijvoorbeeld, schreef Robert Presthus in zijn boek The organizational society dat onze maatschappij steeds meer ‘in handen komt’ van organisaties en bedrijven. Een trend die in de eerste decennia van de vorige eeuw is ingezet. Presthus bespreekt het verschijnsel oligarchie: de neiging van grote organisaties om naar een evenwicht te zoeken waarbij een beperkt aantal grote spelers de markt domineert. Het belangrijkste middel daarbij is schaalvergroting door fusie. Meer dan veertig jaar geleden beschreef hij deze tendensen nauwgezet, en we mogen stellen dat deze oligarchische hunkering zich op mondiale schaal volledig heeft doorgezet. Organisaties zijn machtsfactoren geworden waar landen jaloers op kunnen zijn. Gareth Morgan laat zien dat de omzet van grote bedrijven het BNP van bepaalde landen veruit overtreft. Er is een situatie ontstaan waarbij democratische overheden het afleggen tegenover zeer ondemocratische bedrijven. Wij kennen in ons eigen land inmiddels voldoende voorbeelden hiervan, waarbij collectief eerbare belangen moeten wijken voor bedrijfsbeslissingen. Welke zenders op de kabel? Welke investering in onze energieproductie? Welk gevechtsvliegtuig wordt gekocht? Bedrijven trekken aan de touwtjes, de overheid is dienend, speelt ze zelfs in de kaart. Alles om vooral de internationale ‘concurrentiepositie’ niet in gevaar te brengen.

Wie protesteert?

Wie protesteert?

En het einde is nog niet in zicht. Naomi Klein wijst in dit verband op de effecten van het besluit van Ronald Reagan om begin jaren tachtig de anti-trustwetgeving in Amerika naar de vuilnisbelt te verwijzen. Vrije handel werd het parool en zo geschiedde. De ene megafusie na de andere monsterovername werd aangekondigd. Dit geldt overigens niet alleen voor bedrijven, maar (inmiddels) voor elk denkbaar type organisatie. Belangenverenigingen, scholen, overheden, uitvoeringsinstanties, kunstinstellingen: iedereen wil groter groeien. Recent hebben wij in ons land daar nog een beslissing over moeten nemen toen er over de Europse grondwet moest worden gestemd. Fuseren is ook bij politici in de mode. Ook overheden doen aan ‘branding’, ontwerpen logo’s en worden ‘klantgericht’.

Organisaties domineren hun werknemers

Ik sprak drie mensen van een grote gemeente en zag op het jasje van één van hen een speldje met een slogan die het vernuft van de gemeente moest aanprijzen. Het was zo klein dat je het alleen kon lezen wanneer je op knuffelafstand kwam staan. Toen ik ernaar vroeg, begon het gezelschap wat ongemakkelijk te lachen: ‘Tsja, dit hebben ze onlangs uitgedeeld, maar we weten niet zo goed wat we ermee moeten’. Ik vroeg me af waarom de bedenkers van deze reclamestunt niet net zo opzichtig te werk waren gegaan als de life-stylemerken, die hun logo’s inmiddels tot design-element van hun producten hebben gemaakt. Voelden ze zich gegêneerd of voelden ze aan dat hun collega’s misschien niet zo met hun werkgever te koop wilden lopen?

Gevoelsterreur
Organisaties worden steeds meer een ‘merk’ waarin consumenten en werknemers moeten ‘geloven’. Uiteraard is het verháál dat de onderneming er is voor deze consumenten en werknemers, maar de werkelijkheid is omgekeerd. Zij zijn er voor het bedrijf. Organisaties roepen altijd om het hardst dat de mate waarin zij zich kunnen aanpassen aan de omgeving een succesfactor is. Maar inmiddels zijn de rollen omgedraaid. De omgeving heeft zich maar aan te passen aan de organisatie. De wordingsgeschiedenis van Microsoft is daarvan een even karikaturaal als huiveringwekkend voorbeeld. Zij laten de wereld wel ‘ns eventjes door hún vensters kijken.

Charles Perrow (Complex organizations, 1972) stelt dat grote organisaties niet alleen goederen en diensten voortbrengen, maar óók onze mentaliteit vormen, onze levensbeslissingen beïnvloeden en onze menselijkheid definiëren. Deze enorme macht van organisaties ligt in handen van slechts enkele mensen. Presthus beschreef in zijn tijd exact dezelfde trends, en we kunnen nu zeggen dat ze niet zijn gekeerd; in tegendeel, ze zijn verergerd en vergroot.

Natuurlijk zijn de werkgevers hierin dominant, vooral nu zij zich ook hebben toegelegd op het actief beïnvloeden van de mindset van medewerkers. Werkinstructies en toezicht zijn uit de tijd. Daarom moeten Kantoorbewoners worden ‘gevormd’ en ‘ontwikkeld’ totdat ze ‘vanzelf’ het juiste commitment hebben, loyaal zijn aan de organisatie en ‘zelfsturend’ precies dat doen wat de organisatie nuttig acht.

De samengebundelde macht van organisaties dringt ons mensen bepaalde normen en waarden op die deze organisaties in het licht van hun primaire doelstelling nodig hebben.

De samengebundelde macht van organisaties dringt ons, individuele mensen, bepaalde normen en waarden op die deze organisaties in het licht van hun primaire doelstellingen nodig hebben. Organisaties verlangen van hun medewerkers een verregaande loyaliteit en medewerkers kunnen veel maatschappelijk en persoonlijk wenselijke doelen uitsluitend nog realiseren vía deze organisaties. Ook Presthus stelt dat er naast alle verworvenheden die organisaties veroorzaken, óók hoge persoonlijke en maatschappelijke kosten zijn. Mensen die in het ‘belang van de organisatie’ ontrouw aan de eigen persoonlijkheid worden zullen vervreemd raken, en dat is dan ook wat er nu aan de  hand is. Noreena Hertz legt een rechtstreeks verband tussen de verslechterde omstandigheden in de samenleving, zowel voor werklozen als voor werkenden en de enorme stijging van het gebruik van antidepressiva.

Maar wij zijn toch die organisatie?
Een belangrijk kritiekpunt op Klein, Hertz, Presthus en de andere onheilsprofeten ligt in de vraag in hoeverre organisaties kunnen worden gezien als instellingen ‘los’ van mensen. Ze zijn immers door mensen bedacht dus je zou kunnen zeggen dat wij dit alles onszelf ‘aandoen’. Gibson Burrel (De bijdrage van Foucault, 1989) bespreekt de visie van Michel Foucault en laat zien dat organisaties angstwekkend veel lijken op gevangenissen (zie hoofdstuk 24) en andere controlerende instituten. Zij beheersen ons leven, bepalen de norm en oefenen een subtiele, corrigerende invloed uit. Dit doen zij dermate subtiel en onbewust, en we zijn dit zo normaal gaan vinden dat het niet meer opvalt. In die zin zullen medewerkers, burgers, klanten en óók de meeste managers en politici allerminst het gevoel hebben dat ze organisaties meeontwerpen. Ze voelen zich inderdáád ónderworpen aan gedrag en eisen ván de organisatie. Alsof het een eigenstandig ding is. Charles Perrow noemt dit de ‘institutie-opvatting’ van organisaties. Hij waarschuwt ervoor niet zo naïef te zijn om organisaties te zien ‘in’ een samenleving alsof het twee verschillende werelden zijn. Veeleer ís de samenleving een geïnstitutionaliseerd geheel van overlappende, aansluitende, elkaar beïnvloedende organisaties. Wie daaraan wil ontsnappen moet zich letterlijk aan de eigen haren uit het moeras trekken (zie hoofdstuk 18). En dat is slechts een klein aantal gegeven. Dat zouden dan wellichtg die ‘kenniswerkers’ moeten zijn, waarvan we er in Nederland steeds meer krijgen. Zij hebben volgens Peter Drucker het geluk dat zij zélf de productiemiddelen bezitten. Hierin ligt volgens mij inderdaad een kiem voor verandering. Ook voor werknemers die nu nog veel te vaak denken dat ze volledig afhankelijk zijn van organisaties.

We kennen in Nederland een grote mate van ‘arbeidsrust’, en zelfs na jaren van loonmatiging wordt er weinig geprotesteerd. Blijkbaar is de welvaart nog steeds hoog genoeg en de minder bedeelden hebben vaak tijdelijk werk of behoren tot minder mondige bevolkingsgroepen. Het ongenoegen over het gebrek aan welzijn uit zich niet zozeer in opstanden en stakingen, maar – op z’n best – in klagen, en anders in onverschilligheid of ziekte. Er wordt door politici en maatschappijkritici geklaagd over verloedering van de samenleving, gebrek aan normen en waarden en vooral aan het uiteenvallen van sociale structuren. Wanneer gaan we nou eens het verband zien met precies diezelfde verschijnselen in arbeidsorganisaties?

De invloed van organisaties is zo groot dat we het gebrek aan welzijn voor hun medewerkers niet mogen negeren. Mensen kunnen ervoor kiezen de Kantoren vaarwel te zeggen, maar die keuze is ontzettend lastig. Bovendien, lijkt de kwelling van Kantoren zich niet alleen te beperken tot medewerkers, maar gutst het over de randen van het Kantoor tot ver in de samenleving. Kantoren produceren behalve goederen en diensten ook onwelzijn waarmee zij het maatschappelijk milieu danig besmetten.