17. De zekerheidstragedies

Over postmodernisme en de grote verhalen die er nog steeds zijn

In 1789 wordt de Bastille bestormd, waarmee de Franse Revolutie begint. Dit moment wordt vaak ook gezien als de kroon op een nieuwe tijd, de Verlichting. Het moderne leven is begonnen. Twee eeuwen later valt de Berlijnse Muur, in 1989. En er lijkt weer een nieuwe tijd aangebroken, een tweede Verlichting, of moeten we zeggen een ‘new age’. Erg helder is het in deze nieuwe tijd voor veel mensen niet. Van moderne zekerheid naar postmoderne onzekerheid.

Het Cartesiaanse theater

We zijn in een tijd gekomen waarin het moeilijk kiezen is. Normen en waarden staan onder druk, gevestigde sociale structuren brokkelen af en nieuwe ontwikkelingen voltrekken zich sneller dan we kunnen bevatten. Bovendien zijn er de laatste vijftig jaar twee grote zekerheidstragedies te verwerken geweest.

De eerste zekerheidstragedie: God bestaat niet
Er zijn steeds minder mensen die het zelf hebben meegemaakt, maar denk je eens in hoe het geweest moet zijn kort na de Tweede Wereldoorlog. Midden in de puinhopen en de verwarring van de wederopbouw beginnen er grote groepen mensen te vertellen dat het Christendom niet deugt. Aan de andere kant van het inmiddels opgetrokken IJzeren Gordijn zweren de revolutionairen alles wat met God te maken heeft af. En in West Europa laat begin jaren vijftig het existentialisme van zich horen. Sartre brengt de uitspraak van Nietzsche (‘God is Dood’) naar het grote publiek, zet de mens centraal en zegt daar doodleuk bij: ‘We zijn gedoemd tot vrijheid’ en ‘Ontwerp je eigen leven maar’ (zie ook hoofdstuk 32). Dat was even slikken voor mensen die vertrouwden op een sturende hand.

De tweede zekerheidstragedie: alles is betrekkelijk
Gelukkig ging het economisch goed, in Duitsland zelfs ‘wonderbaarlijk’ goed (Wirtschaftswunder) en er ontstond vrolijke jeugdcultuur. Begin jaren zestig breekt het nieuwe positieve élan door met een beweging die we nu kennen als Flower Power en de Hippiegeneratie. Na het gezag van God is nu de beurt aan het gezag van de Ouders en de Staat en alles wat maar ouderwets en burgerlijk is. Seksuele vrijheid gaat hand in hand met vrijheid van gedachten. Uit die tijd stammen ook zeer kritische werken over de invloeden van het Kantoorleven en de macht van organisaties. En in dat vrije denken ontstaat een voedingsbodem voor een nieuwe generatie filosofen die rond de jaren tachtig van zich laat horen (Derrida, Lyotard, Foucault). En zij nemen ons die andere zekerheid af: namelijk de ‘moderne’ opvatting dat wetenschap objectief en kennis waar zou zijn. Daarom worden zij postmodern genoemd

De eerste Verlichting
Van een afstand ziet alles er kleiner uit, en zo is het ook met tijd. Daarom kunnen wij met gemak over een periode van eeuwen praten alsof het één tijdperk was. Het begin van de Verlichting is moeilijk aan te geven. Sommigen zeggen dat deze direct na de Renaissance aanving, begin 17e eeuw, of zelfs al in de Italiaanse Renaissance van de 15e eeuw. Anderen zeggen dat we pas eind 17e eeuw werkelijk over Verlichting mogen praten. De term ‘verlichting’ duidt erop dat de mens ‘ontwaakte’ uit eeuwen van vooral Christelijke denkterreur en middeleeuwse ‘domheid’. Vanaf dat moment is er een lange lijn door te trekken naar wat we nu ‘modern’ denken zouden kunnen noemen. In dat moderne denken is er een belangrijke plaats voor objectieve kennis, wetenschap, vooruitgangsdenken, logica, rationaliteit en een centrale plaats voor de mens als heerser over aarde.

Descartes moet het vaak ontgelden als de uitvinder van een reductionistisch wereldbeeld. de wereld is een machine die in onderdelen uit elkaar te halen is.

Eén van de grondleggers was René Descartes (1596-1650). Hij is beroemd vanwege zijn uitspraak Cogito Ergo Sum: ik denk dus ik besta. Descartes vroeg zich af wat waar en werkelijk was. Hij concludeerde dat het denkvermogen de enige betrouwbare bron was van inzicht over waarheid. In de filosofie wordt dit wel dualisme genoemd: materie en geest zijn van elkaar gescheiden. De mens is een denkend wezen en heeft bewustzijn. Met dit bewustzijn is hij in staat de materiële werkelijkheid afstandelijk te bekijken, er iets van te vinden en er kennis aan te onttrekken. Maar dit bewustzijn is een afspiegeling van de werkelijkheid, dus niet de werkelijkheid zelf. Daarom spreekt men wel eens van een Cartesiaans Theater: een voorstelling óver de werkelijkheid die zich in het bewustzijn afspeelt.

Mechanisch universum

Mechanisch universum

De grote machine
De Verlichting wordt vaak gezien als het begin van de ‘wetenschappelijke methode’. Isaac Newton (1642-1727) bouwt als natuurkundige voort op de ideeën van Descartes. Met zijn beroemde wetten over beweging en zwaartekracht heeft hij de basis gelegd voot de moderne fysica. Inmiddels wordt deze natuurkunde ‘klassiek’ genoemd, vooral door vertegenwoordigers van de kwantumtheorieën. Zo’n dertig jaar geleden ontstond er een stroom publicaties van fysici die de nieuwste opvattingen hierover graag voor het grote publiek toegankelijk wilden maken. Fritjof Capra (The tao of physics, 1975 en The Turning Point, 1982), Gary Zukav (The dancing Wu-Li masters, 1979) en David Bohm (Wholeness and the implicit order, 1980) zijn bekende voorbeelden. Door sommigen makkelijk afgedaan als New Age (dus zweverig), door anderen dankbaar aangegrepen als vertrekpunt voor (inderdaad) nieuwe opvattingen, óók over organisatie en management. Wie deze boeken leest kan zich bijna niet aan de indruk onttrekken dat er als het ware moet worden ‘afgerekend’ met de erfenis van de Verlichting. Descartes moet het daarbij vaak ontgelden als de uitvinder van een reductionistisch wereldbeeld. Daarmee wordt bedoeld dat sinds zijn tijd de wetenschap en de filosofie alleen nog naar de werkelijkheid konden kijken alsof het een Grote Machine was. Het universum als uurwerk. Kennis moet in die opvatting aan de wereld worden ontfutseld (dualisme) door haar in steeds kleinere brokstukjes op te delen. Dus chemici zoeken naar de allerkleinste deeltjes, biologen hakken de natuur aan mootjes en zelfs psychologen kijken naar zoiets ‘heels’ en prachtigs als de mens als een zak vol emoties, motieven en gedragingen.

De tweede Verlichting
Sinds enkele decennia echter lijkt er haast een nieuwe Verlichting te zijn aangebroken. En de zon schijnt ook nu in het Oosten op te komen. In de organisatiekunde is dit de tijd waarin er aandacht komt voor de managementsuccessen uit Japan. Amerikaanse ideeën (van Deming en Juran) over kwaliteit blijken daar bijzonder goed aan te slaan en worden teruggeëxporteerd naar het Westen. Japan, ooit nog een plagiaat plegende tweederangs economie, leert ons een lesje met MANS, Kaizen en kwaliteitscirkels (hoofdstuk 15). Wat we nu ‘operational excellence’ noemen is dáár uitgevonden. En met deze import van nieuwe organisatiekunde komt ook de aandacht voor organisatiecultuur. Ineens gaat het over normen en waarden, over symbolen en rituelen, over helden en mythen. In 1982 geven Peters en Waterman (In search of excellence) en Deal en Kennedy (Corporate cultures) het startsein.

De boodschap van de nieuwe Verlichting is in veel vormen vaak dezelfde: we moeten áf van de problemen waarvoor het Cartesiaanse Theater ons stelt. In de nieuwe tijd (inderdaad, New Age) is er geen plek meer voor de mechanistische benadering van het universum. Daar zijn inmiddels talloze publicaties aan gewijd. De mens is géén machine, de organisatie evenmin. Deze nieuwe inzichten zijn vernieuwend, inspirerend en uitdagend. En een belangrijk effect is dat wat ooit als onwrikbare zekerheid gold ineens aan het wankelen is geslagen. Wetenschap levert onzekere kennis, waarheid is betrekkelijk en de werkelijkheid is dus tóch niet zo wetmatig als de ‘logisch-positivistische’ academici ons wilden doen geloven. Wie hierover de mening wil vanuit zes verschillende invalshoeken, leze de verslagen van de interviews met kritische wetenschappers-filosofen die Wim Kayzer in 1993 onder de naam Een schitterend ongeluk maakte.

Er zijn veel zekerheden losgelaten, ook op Kantoor, maar er zijn niet zoveel andere zekerheden voor teruggekomen. Kantoorbewoners krijgen te maken met nieuwe opvattingen over samenwerken, en moeten ineens gaan ‘teamwerken’ na een training van twee dagen. Managers moeten coachend gaan leidinggeven en hebben eigenlijk geen idee hoe dat moet. Zelfsturing en empowerment moeten de afbrokkelende hiërarchie vervangen. Dat in de praktijk brengen is echter niet zo eenvoudig voor gewone mensen die jarenlang op de vingers getikt zijn. Prestatiecontracten en ontwikkelafspraken moeten de naar de vuilhoop verwezen bureaucratie compenseren. Maar niemand houdt zich aan de afspraken en sancties zijn er niet meer. Die zijn namelijk strijdig – zo wordt gedacht – met empowerment. Er is grote verwarring op Kantoor. De machine loopt niet soepel en de veranderaars zitten met de handen in het haar.

Na modern en postmodern komt … neomodern?

Het heeft er dus alle schijn van dat we nu een paar eeuwen van ‘moderne tijd’ moeten afsluiten. Voor dit gevoel is zelfs een naam uitgevonden: postmodernisme. Het valt niet mee om helder vast te stellen wat dat precies is, al was het maar omdat postmodernisme in verschillende denkrichtingen een heel verschillend gezicht heeft.

Organisatie is een projectie
Het postmodernisme is waarschijnlijk ontstaan in de kunst (zie hoofdstuk 26) en architectuur. We zien gebouwen waarin klassieke elementen (zuilen en tympanen) op een speelse, en soms goedkope, manier worden toegevoegd aan hyperstrakke glasconstructies. Ze lijken modern en klassiek tot een irrelevant onderscheid te willen maken, het ‘moderne’ zelfs te bespotten. In de wetenschapsfilosofie wordt het postmodernisme onder woorden gebracht als ‘het einde van de grote verhalen’ (Grandes Histoires). Postmoderne denkers stellen dat er geen grote waarheden meer bestaan. Er is een einde gekomen aan de tijd waarin er nog allesomvattende zekerheden zijn. De moderne tijd heeft in hoog tempo alles uitgevonden en alles mogelijk gemaakt wat de verbeelding kon produceren.

In plaats van dan dingen eerst de geschiedenis doorlopen voordat ze deel worden van onze erfenis, lopen ze nu direct de erfenis binnen (Baudrillard, De Vitale Illusie, 2000)

Jean Baudrillard stelt dat we in een tijd van obsceniteit leven (verwijzing….).  Omdat alles is uitgevonden rest ons niets dan smakeloos herhalen en combineren van bestaande thema’s. Er is geen creativiteit meer, alles is te zien, alles is meteen openbaar, alles is beschikbaar voor de massa. Reality-tv programma’s brengen het echte leven direct de huiskamer in. Het wachten is op een programma met de naam ‘de laatste snik’: kijken naar het sterven van mensen. Dát is pas obsceen. Echt en fictie zijn niet meer te onderscheiden, en het maakt ook niet meer uit. Media brengen ons in een staat van hyperrealiteit en uiteindelijk verveling. De media worden dan zélf nieuws, herhalen zichzelf, verwijzen naar zichzelf.

Obscene tegenstellingen

Obscene tegenstellingen

In de postmoderne organisatiekunde is ‘zelfverwijzing’ een belangrijk begrip. Wie immers zegt dat er geen waarheden meer bestaan zegt dat óók over diezelfde uitspraak. De bewering refereert dus aan zichzelf. In de organisatiekunde is het artikel ‘Modernism, postmodernism and organizational analysis’ van Gibson Burrell en Robert Cooper uit 1988 een mijlpaal. Het inzicht dat organisaties geen vanzelfsprekende betekenissen en doelen hebben, dat zij alleen projecties van mensen zijn, wordt daarmee geïntroduceerd. Organisaties zijn niet goed of slecht; ze existeren gewoon. Het postmodernisme noemt de mens die denkt alles te kunnen uitvinden en beheersen een narcistische rationalist.

In de postmoderne tijd wint betrekkelijkheid het van absolute waarheid. De zekerheidstragedie is dat de grootste tegenstellingen zij aan zij kunnen bestaan. Hoe verder we reizen, hoe kleiner de wereld. Hoe meer aandacht voor mensen op Kantoor, hoe eenzamer ze zich voelen. Meer beloning, minder tevredenheid. Zelfsturing leidt tot stuurloosheid, individualisme moet zich verenigen met de noodzaak tot synergie. Kantoren zitten zo vol tegenstellingen dat er moedeloosheid ontstaat. De nieuwe Verlichting roept dat we én-én moeten denken. Maar de gewone medewerker denkt nog steeds en-of. Het is een verwarrende tijd, met enorme ontwikkelingen. De schaalgrootte, de snelheid van communiceren en de afhankelijkheid van de computer. En in die verwarring vallen we van de ene veranderpoging in de andere. In de postmoderne organisatie gaan we onszelf inderdaad herhalen. Er zijn té weinig fundamentele doorbraken en uitzichten. Mijn vermoeden is dat medewerkers dit langzamerhand beginnen te doorzien. De kritiek op ‘moderne’ organisaties is niet van de laatste tijd, die klonk al luidkeels in de jaren vijftig en zestig. Maar er zijn thema’s aan toegevoegd, zoals verveling, apathie en zinloosheid.

Meer van hetzelfde werkt niet meer
Hoe kunnen we ontsnappen aan het nabootsen van al uitgeprobeerde organisatiekundige ideeën? Moeten we niet eerder naar een andere orde van organiseren? Descartes is natuurlijk niet de boosdoener. Maar ik ben het met veel van de nieuwe denkers wel eens dat we moeten ophouden met organisaties te bekijken alsof het machines zijn, waarin mensen als technische onderdeeltjes worden behandeld. Waar problemen kunnen worden opgelost door maar flink te ‘sleutelen’ in verandertrajecten die hun beloftes niet waarmaken. We weten al een halve eeuw, sinds de onderzoeken van Hawthorne van rond 1930, dat de zachte kant van organiseren (lees: mens, gevoel, intuïtie, eenheid, aandacht) ondergeschikt wordt gemaakt aan de harde kant van organiseren (lees: taak, verstand, besluitvorming, structuur, afrekenen). En ondanks vele verbeteringen zijn de meeste Kantoren nog steeds de bureaucratieën van toen. Ondanks de inzichten die in de loop van de tijd zijn veranderd, zijn medewerkers nog té veel productiemiddelen. De flexibele arbeidsmarkt maakt ze vervangbaar. Het coachend management laat ze aanmodderen in onbegrepen ‘zelfsturing’. Cultuurprogramma’s communiceren ‘company values’ waar niemand een boodschap aan heeft en tenslotte zijn er nog de zekerheidstragedies, die adviseurs hebben voortgebracht die álles betrekkelijk maken. Er is grote verwarring op Kantoor, maar één ding is wel duidelijk: meer van hetzelfde helpt niet meer.

De postmoderne mens zou geen ‘grote verhalen’ meer hebben, maar ervaart voortdurend dat die verhalen er volop zijn. Dat Nederland tolerant is, dat er een ‘war on terror’ gevoerd moet worden, dat globalisering goed is voor de welvaart, dat privatisering goed is voor kwakkelende overheidsbedrijven, en – onveranderlijk sinds de Verlichting – dat vooruitgang goed is. Dat er een scheiding nodig is van lichaam en geest, van denken en doen, van staf en lijn, van klant en medewerker, van werk en privé. Dat grote verhaal is nog springlevend.

12. Waarheid bestaat niet, leugens wel

Over het effect van collectieve leugens op Kantoor

De eerste Golfoorlog wordt een ‘clean war’ genoemd, terwijl er honderdduizenden slachtoffers zijn. In de tweede Golfoorlog kunnen we ons verbazen over de toespraken van de Iraakse Minister van Informatie, Said Al-Sahaf, die serieus blijft volhouden dat het regime volledig in controle is. Dat politici leugenaars zijn, is spreekwoordelijk. Maar op Kantoor kunnen ze er ook wat van. En dat maakt het leven als Kantoorbewoner er lang niet altijd plezieriger op.

Tussen authentiek en hypocriet

Wat liegen en eerlijkheid betref leren mensen al in de kindertijd – uitzonderingen daargelaten – minimaal drie zaken. Ten eerste dat waarheid en leugen verbonden zijn met normen: waarheid is goed; leugen is slecht. Maar ze leren ook in steeds grotere mate van verfijndheid dat waarheid en leugens zeer betrekkelijke begrippen zijn en dat het wel eens van de omstandigheden afhangt of je de waarheid ‘moet’ spreken. Om ‘goed’ over te komen zal het soms nodig zijn te ‘liegen’, zo ontdekken kinderen al snel. En tenslotte leren ze dat er sommige mensen zijn die kunnen uitmaken of iets waar is of niet. Als een moeder een stout kind straft, leert het kind dat een ander (iemand met gezag) kan uitmaken wat goed of slecht is.

Niet elk leugentje is om bestwil

Niet elk leugentje is om bestwil

Ook in de filosofie zijn er veel stromingen waarin gesteld wordt dat waarheid en werkelijkheid betrekkelijke begrippen zijn (zie hoofdstuk 18). De organisatiekunde heeft daar een flinke tik van meegekregen. Chris Argyris en Donald Schön zijn bekend om het onderscheid dat ze maken tussen de ‘espoused theory’ en de ‘theory-in-use’, eenvoudig gezegd: dat wat je zegt en denkt aan te hangen en dat wat je in de praktijk aan gedrag vertoont. Men kan daarbij niet zomaar van ‘liegen’ beticht worden, omdat mensen vaak domweg niet beseffen dat er een verschil is tussen wat ze zeggen en wat ze doen. Dat neemt niet weg dat Kantoorbewoners er behoorlijk gek van kunnen worden. Er zijn op Kantoor veel mooie verhalen over wat men zou willen zijn, terwijl de dagelijkse ervaring daarvan geheel verschilt. Een manager die zegt dat z’n deur altijd op staat, maar er nooit is bijvoorbeeld. Of een organisatie die zich naar buiten op de borst slaat om de service die het aan klanten verleent, maar intern zich niet lijkt te bekommeren om het welzijn van de medewerkers.

Mensen liegen nou eenmaal
In de Intermediair van juni 2003 stond een interessant artikel over liegen. Onderzoek toont aan dat mensen gemiddeld genomen twee keer per dag liegen. Soms om pijn bij een ander te voorkomen (leugentje om bestwil), maar vaak ook om er zelf beter van te worden. Een kwart van de Nederlandse sollicitanten liegt in zijn CV (maar men is zich daar niet altijd bewust van). Bovendien denken mensen gemiddeld genomen dat anderen vaker liegen dan zijzelf.

Niet alleen blijkt steeds meer dat Jezus niet alleen bepaalde uitspraken in de mond werden gelegd, maar ook dat hem, getuige fragmenten uit oude bronnen, nog achteraf de mond werd gesnoerd (Slavenburg, Valsheid in geschrifte, 1995).

Soms wordt er niet gelogen omdat de persoon daar zelf bewust voor kiest, maar omdat de omgeving daartoe aanzet. Over het aanpassingsgedrag van mensen in sociale systemen is veel geschreven. Milgram liet in zijn beroemde experimenten zien dat proefpersonen onder druk van een autoriteit (denk even aan je baas) bereid waren aan andere mensen stroomschokken toe te dienen. Asch onderzocht dat proefpersonen onder druk van groepsleden (denk even aan je collega’s) bereid waren openlijk hun mening te veranderen over het wel of niet even lang zijn van twee lijnen. Onder invloed van mensen in je omgeving kunnen opvatting en gedrag dus behoorlijk veranderen. De roep om authentiek gedrag van mensen in organisaties is op z’n minst problematisch.

Op zoek naar echtheid
Authenticiteit betekent: geloofwaardig, echt en betrouwbaar. Het Griekse ‘authos’ betekent ‘zelf’. Een schilderij is authentiek als het gemaakt is door degene wiens naam erop staat. Anders is het vals. In de organisatiekunde is de laatste jaren veel belangstelling voor authenticiteit. Vooral leiders zouden dat moeten zijn, zodat ze in al hun ‘waarachtigheid’ anderen zullen inspireren En daar zit natuurlijk wel wat in. Een leider die een vaag en onecht verhaal ophangt bezorgt zijn toehoorders pijn in de buik en kromme tenen. Een schitterende persiflage hierop is te zien in de BBC comedy The Office. Misschien is buikpijn ook wel onze beste graadmeter bij het bepalen van wat waar of onwaar en goed of slecht is. In Kantoren worden ook vreemde waarheden gefabriceerd, soms zo knap dat we er niet de vinger op kunnen leggen. Maar laat ik eerst een paar voorbeelden noemen van de dunne lijn tussen authenticiteit en hypocrisie.

Körperwelten: De fascinatie van echtheid
Dat is de titel van een tentoonstelling die in 2001 door Europa trok. De tentoonstelling laat geplastificeerde lijken en lichaamsdelen zien. Met een nieuwe techniek, ontwikkeld door professor Gunther von Hagens is het mogelijk om dood weefsel extreem goed en natuurgetrouw te conserveren. Met zóveel detail en kleur dat je het gevoel hebt rechtstreeks ín een levend mens te kijken. Het spreekt voor zich dat allerlei mogelijkheden van deze techniek zijn uitgeprobeerd, zoals het tonen van rokerslongen en ongeboren baby’s. Ook zitten twee gedaantes te schaken aan een tafeltje, de spieren ontbloot. In het voorwoord van de tentoonstellingsgids staat: ‘Dankwoord: wij bedanken de lichaamsdonateurs, zonder wie deze tentoonstelling niet mogelijk geweest zou zijn’. Ik ben gaan kijken in Brussel, in de slachthuizen nog wel, omdat dit in Nederland níet vertoond mocht worden. Dat was tegen de goede smaak. Het was inderdaad een enge vertoning, vooral omdat het zo ‘echt’ was, maar is een verbod in ons land, waar op TV de meest gewelddadige en bloederige films worden vertoond, nou goede smaak of hypocriet?

De Emmausgangers van Vermeer
Dat is de naam die meestervervalser Van Meegeren aan een in 1936 door hemzelf geschilderd doek gaf en waarmee hij vele kunstkenners jarenlang om de tuin heeft geleid. Van Meegeren beheerste de techniek van het vervalsen tot in de puntjes. Zo gebruikte hij origineel (dus authentiek) zeventiende-eeuws linnen en maakte hij zijn verf precies zo als Vermeer dat gedaan zou hebben. In 1937 verkocht hij zijn schilderij voor 520 duizend gulden (toen een astronomisch bedrag) aan het Museum Boijmans van Beuningen. In mei 1945 werd hij gearresteerd op verdenking van collaboratie met de Duitsers. Hij vertelde over zijn vervalsingen en werd eerst niet geloofd! Pas toen hij in de gevangenis – in voorarrest – in no-time een nieuwe vervalsing kon maken zag men dat de vervalser de waarheid sprak. De vraag is nu: waarom is een valse Vermeer, waarvan iedereen aanvankelijk de schoonheid bejubelde, na de ontmaskering minder waard?

Valsheid in geschrifte: de gespleten pen van bijbelschrijvers
Dit is de titel van een boek uit 1995 van Jacob Slavenburg, waarin hij haarfijn uit de doeken doet hoe ‘onwaar’ de Bijbel eigenlijk is. Hoewel minder romantisch dan De DaVinci Code, leest ook dit boek als een detective en brengt het vergelijkbare onthullingen. De vier evangeliën uit het Nieuwe Testament vormen niet alleen een uiterst beperkte selectie van alle oorspronkelijk bestaande evangeliën, ze zijn ook nog eens op duizenden punten niet overeenkomstig de originele geschriften. Sommige van die fouten ontstonden door interpretatieverschillen of vertaalproblemen (bijvoorbeeld van het Aramees, naar het Grieks, naar het Latijn). Maar veel afwijkingen zijn er doelbewust door de kerk ingebracht. Er is forse censuur gepleegd op de verhalen over onze Lieve Heer omdat het de heren kerkvorsten bijvoorbeeld niet goed uitkwam dat Jezus eigenlijk Maria Magdalena als de enige ware apostel naar voren schoof. Toch leven miljoenen Christenen naar de Schrift zoals die nu is. Is hun geloof daarin door deze ‘onthullingen’ nu minder waardevol?

Leugens op Kantoor

Mensen zijn, mede door hun vermogen tot intelligent nadenken, opgezadeld met een rekbaar waarheidsbegrip. En het is er in deze tijd bepaald niet gemakkelijker op geworden. Er wordt een grote aanslag gepleegd op begrippen als waarheid, zekerheid en goedheid (zie hoofdstuk 17) in een maatschappij die complex en pluriform is en bol staat van de paradoxen en tegenstellingen. ..  Het zou mooi zijn als in Kantoren, die zo’n belangrijke rol spelen in ons leven misschien wat houvast gevonden kon worden. Dan zouden werknemers tenminste één gemeenschap hebben waarin ze weten waar ze aan toe zijn. Maar ook op Kantoor is wordt het met de waarheid niet zo nauw genomen. Het gaat er soms grof aan toe, en daarin ligt volgens mij een belangrijke oorzaak van Kantoorellende.

Klokkenluiders: de nieuwe helden?
Organisaties kunnen flink frauderen, de kranten puilen uit van grote schandalen, ook in ons land. Ahold knoeit met de boeken, Shell knoeit met de oliereserves, de Bouwwereld knoeit met mededingingsregels, ministeries stellen projectkosten te laag voor, UWV verkwanselt gemeenschapsgeld en zo kunnen we echt eindeloos doorgaan. Leugens zijn aan de orde van de dag en de omvang ervan lijkt rechtevenredig met de grootte van de organisatie.

Wie trekt er aan de bel?

Wie trekt er aan de bel?

Een Klokkenluider is iemand die zulke misstanden wereldkundig maakt. Vroeger werden de klokken geluid als er brand was of ander gevaar. Er zijn twee soorten klokkenluiders: bekende en stiekeme. In dat laatste geval heet het klikken. Bekende klokkenluiders worden door het grote publiek vaak als helden gezien, maar hun eigen organisatie is doorgaans een stuk minder enthousiast. Paul van Buitenen bracht in 1998 een grote fraude bij de Europese Commissie aan het licht en werd door zijn werkgever op non-actief gezet. Het Ministerie van Defensie probeerde in 2001 Fred Spijkers geestelijk gestoord te laten verklaren nadat hij naar buiten bracht dat inferieure landmijnen dodelijke slachtoffers hadden geëist (Intermediair, september 2001). De FNV deed in 2000 een onderzoek met een anonieme meldlijn, en in 2001 volgde een studie van het IVA. De conclusie luidde dat een meerderheid van de klokkenluiders met ernstige negatieve gevolgen wordt geconfronteerd voor het buitenhangen van de vuile was: ontslag, degradatie, pesten, negeren, treiteren, intimideren et cetera. Wetgeving is in de maak, maar die zal medewerkers niet kunnen beschermen tegen de sociale uitstoting die hen vaak te beurt valt.

Nog erger: waarheid veinzen
In Kantoren wordt de waarheid in veel gevallen subtiel en bewust gemanipuleerd. Er wordt geroddeld (zie hoofdstuk 13); eerlijke, rechtstreekse feedback is zeldzaam en er wordt met eufemismen gestrooid om pijnlijke boodschappen onzichtbaar te maken.

Een graadje erger is is het nog als oprechtheid wordt geveinsd. Iemand die pretendeert authentiek te zijn, maar het ondertussen niet is, is hypocriet. Ik vind dat kwalijker dan liegen, omdat ik voor een knappe leugenaar nog sympathie kan opbrengen. Het Griekse hypo betekent onder en kritis is beoordeling. Hypocriete mensen zijn huichelaars en onderkruipers.

Er ontstaan in veel organisaties collectieve leugens. Sommige verhalen zijn als de nieuwe kleren van de keizer. Niemand durft ze nog door te prikken.

Hypocrisie ontstaat al snel wanneer mensen aan het rationaliseren slaan. Het leven in een organisatie is vaak niet zo rationeel. Toch wordt er door bijna iedereen – managers, medewerkers en vergeet ook de klanten niet – voortdurend een logische, rationele, geloofwaardige verklaring gezocht voor het gedrag van de organisatie. Gevoel en intuïtie leveren daarbij doorgaans onacceptabele argumenten. Met name wanneer er problemen zijn, wanneer er narigheid is, wordt van managers verwacht dat ze hun beslissingen kunnen uitleggen. Ze worden ter verantwoording geroepen en dat is in onze democratische samenleving op zichzelf een goed ding. In onze ‘maatschappij van organisaties’ (zie hoofdstuk 9) geven wij veel vertrouwen aan Kantoren en we mogen verwachten dat dat vertrouwen niet beschaamd wordt.

Het probleem is echter dat heel veel beslissingen niet zo goed uit te leggen zijn. Ze worden zelden volstrekt rationeel genomen. Er is meestal een kluwen van belangen, beïnvloeding, voorkeuren, toevalligheden en stemmingen die uiteindelijk de beslissing maken (dit wordt ook wel ‘vuilnisvat-beslissen’ genoemd). En om nu dát proces – dat overigens iedereen kent – zo goed mogelijk te maskeren zoeken we onze toevlucht tot wat psychologen noemen: de rationalisatie. Dat is domweg iets rationeel máken wat niet rationeel ís (een term van onder meer Freud).

Het is menselijk om je gedrag te legitimeren, desnoods met een rationalisatie. Waar ik bezwaar tegen maak is dat daarmee van kleine leugens langzamerhand grote leugens worden gemaakt die voor veel mensen veel nadelige gevolgen hebben. Het ontmaskeren van eerder genoemde schandalen is spannend. Maar hoeveel grote leugens in organisaties worden er eigenlijk ontmaskerd? Misschien maar heel weinig. Want het gaat niet over dat ene fraudegeval. Of over die knappe zwendel. Het gaat over al die eentonige verhalen over efficiency, en verandernoodzaak, en klantgerichtheid, en globalisering, en kostenreductie, en concurrentie, en schaalvergroting. Daarmee probeert de top van een Kantoor het geloofwaardig te maken dat Kantoorbewoners onder druk gezet moeten worden. Om harder te werken, of slimmer te werken, of zich in competentieprofielen te persen, of met de neuzen dezelfde kant op te gaan staan.

Vingerwijzen geeft geen verlossing
Wat ik hypocriet vind is dat al dit soort processen door Kantoorbewoners én Kantoorbezoekers feilloos worden waargenomen, maar dat zo weinigen hun mond open doen. Angst zal wellicht een verklaring zijn (daarover gaat het volgende hoofdstuk) voor dit grote zwijgen, maar daarmee is dat gedrag wat mij betreft nog niet acceptabel. Er ontstaan door dat zwijgen collectieve leugens, of collectieve geheimen: dit is een fusie en géén overname wordt dan gezegd. Terwijl iedereen weet dat het onzin is (zie hoofdstuk 26).

En als het nou bij zwijgen bleef … het klagen is nog erger. Het gedachtegoed van de existentialisten van midden vorige eeuw is vandaag de dag nog actueel (zie hoofdstuk 32). In het existentialistische denken is geen plaats voor de toekijkende mens. Actie en verantwoordelijkheid nemen zijn de sleutelwoorden. Iets zien en er niks aan doen maakt je medeplichtig. Laat ik een voorbeeld geven. Je zit als medewerker te luisteren naar een zogenoemde zeepkisttoespraak van je baas. Hij houdt een verhaal over de noodzaak om te zoeken naar een fusiepartner. Je hebt in krant en tijdschrift gelezen dat het in jouw bedrijfstak helemaal niet zo nodig is om te fuseren. Sterker nog: veel fusies lopen uit op een fiasco! Bovendien zit jij er absoluut niet op te wachten om samen te gaan met de concurrent. Je kijkt naar de spreker en alles in je – je verstand, je gevoel én je intuïtie – zegt: dit deugt niet. Misschien zijn de spreker en zijn verhaal niet authentiek. Maar dit alles telkens opnieuw aanhoren, vervolgens zitting nemen in werkgroepjes, er alsmaar iets van vinden, tóch je mond houden en de uitlaatklep zoeken in klagen bij anderen: dat is net zo min authentiek.

De onvrede op Kantoren is voor een deel te verklaren uit het feit dat het leven er niet altijd oprecht is. En wat dat onbehagelijk maakt is dat de organisatiedynamiek, de machtsverschillen, de vrijblijvendheid van de relaties en de angst deze onoprechtheid laten bestaan. Want het is horen, zien en zwijgen. Net zo lang tot het van binnen gaat knagen. Je wéét dat er niet een waarheid bestaat, dat heb je wel geleerd. Maar je voelt ook dat er wel degelijk leugens kunnen zijn. En dat voelt niet goed.