41. Het zeer van zingeving

Over wie zich dit alles nou moet aantrekken en hoe

Omdat ik 41 werd mocht ik nog een extra hoofdstuk schrijven. Dat komt goed uit want ik wilde nog ingaan op de vraag ‘en wat nu?’. Ik heb er weinig hoop op dat organisaties nu binnen de kortste keren volledig van karakter zullen veranderen. Maar Kantoorbewoners en Kantoorbezoekers die daar behoefte aan hebben kunnen wel een begin maken met zichzelf. Ik heb in dit boek de zaken nogal karikaturaal voorgesteld, dus de eerste hobbel die genomen moeten worden is te (h)erkennen in hoeverre dit over jezelf gaat.

De schuldvraag

Het is half negen ’s ochtends op een dinsdag in oktober. Ik beklim de hardstenen trappen van een Kantoor aan een Ringweg. Na een indrukwekkende entree vol glas en staal (theatraal!) sta ik in een reusachtige hal vol designmeubelen. Schijn bedriegt hier: in deze woonkamer wordt niet geleefd, maar gewacht. Er volgt een ritueel bij een beveiligingspersoon achter een alweer imposante ‘desk’. Ik krijg een pasje en een als verzoek aangekleed ‘bevel’ om plaats te nemen: ‘U wordt zo opgehaald’. Dat klinkt angstwekkend, alsof ik zal worden afgevoerd en opgeborgen.

Ik zie abstracte kunstwerken, een kast met brochures en een of andere trofee. Er lopen mensen in en uit. Vrouwen met een opgeschilderd gezicht, mannen met frons en stropdas. Dan beweegt zich een dame in mijn richting die zich voorstelt. Het is níet degene met wie ik een afspraak heb, maar zijn assistente. In de lift en op de gang zijn er steevast twee onderwerpen: ‘of ik het kon vinden?’ en ‘wat een mooi (interessant, oud, nieuw, hoog, groot) gebouw is dit!’. Ik kon het trouwens zelden vinden, Kantoorlokaties lijken daarop te worden uitgezocht. En als het gebouw lelijk, saai, muf, doods en onmenselijk is, dát zeg ik dan niet.

De kamer waar ik word binnengeleid lijkt sterk op de andere kamers waar ik ooit ontvangen werd: een mix van kantoormeubelen, koffie en de restanten van aan de gang zijnde of voorbije veranderprocessen. Flip-overvellen, een vijf-geboden-model en organisatieschema’s. De klant is een leuke kerel: net een echt mens. Hij is meestal allesbehalve patiënt, maar kan boeiend vertellen over hoe ziek de rest van de organisatie is. Na allerlei verkenningen en toelichtingen vertrek ik weer met de belofte een voorstel op te sturen om iedereen weer een beetje beter te maken. Ik stap in mijn auto en denk eigenlijk altijd hetzelfde: dat ik zó blij ben dan ík hier niet hoef te werken. Maar ik ben deel van dit verhaal, ik kan mij er niet buiten plaatsen.

Terug naar Kafka
In de introductie schreef ik over Kafka’s eerste grote roman (Het proces, 1925), die na zijn dood in 1924 werd uitgegeven door vriend en vertrouweling Max Brod. We zien hier een intrigerende combinatie van schuld en bureaucratisch geweld.

In dit verhaal wordt Joseph K. gearresteerd door een duistere, bureaucratische organisatie. Hij weet niet waarvan hij beschuldigd wordt en zal naar het antwoord vruchteloos blijven zoeken. Het verhaal is vervreemdend en surrealistisch. Afdelingen van het rechtsapparaat bevinden zich onverwacht overal in de stad op zolderkamers en gangen, allerlei mensen blijken van deze organisatie lid te zijn, talloze anderen zijn eveneens in staat van beschuldiging gesteld en nemen vaak hun eigen verdediging ter hand. De rechtszitting laat eindeloos op zich wachten en is vooral een aaneenschakeling van schijnbaar nodeloze en procedurele handelingen. De eenling legt het onherroepelijk af tegen de macht van de organisatie. En dat is heden nog steeds de ervaring van veel Kantoorbewoners.

In een analyse van Het proces verklaart Simon Vestijk (De Poolse ruiter, 1946) waarom Joseph K. als gearresteerde nooit daadwerkelijk in hechtenis is genomen. Het systeem bevindt zich immers overal, er is geen noodzaak de beklaagden vast te houden. Vestdijk verklaart de macht van de organisatie als volgt: ‘De grote kunst is, zijn medemens in de positie van ‘schuldige’ te dringen. De grote kunst is hem te beheersen door gebruik te maken van zijn morele fijngevoeligheid. Dat wil zeggen: men beheerst zijn medemens niet door sterker te zijn dan hij, maar door hem zwakker te maken dan hij is: door hem met wroeging te slaan, door op zijn geweten te speculeren, kortom door hem de schuld te geven, onverschillig waarvan.’ Dit doet sterk denken aan wat Michel Foucault schreef over disciplinering van de samenleving en het model van het ‘panopticum’ dat hij gebruikte om de dwingende werking van organisaties te beschrijven (zie hoofdstuk 24).

De vraag die ik mij tijdens het schrijven van dit boek steeds gesteld heb ging verder dan een analyse op het niveau van ‘de organisatie’. Ik vroeg mij steeds af: maar wie, dus welke persoon, is er aan dit ongenoegen van Kantoorbewoners nu uiteindelijk schuld? We kunnen deze vraag als onbelangrijk afdoen, of als onbeantwoordbaar. We zouden een makkelijk antwoord kunnen geven zoals ‘iedereen heeft schuld’. Ik vind dat uiterst onbevredigend, iedereen is tenslotte niemand, en dat is ook niet zoals Kantoorbewoners het zelf ervaren. Want met al hun onvrede en geklaag zijn zij voortdurend aan het vingerwijzen: er wordt hoe dan ook een schuldige gezocht. Wat er in Kantoren gebeurt lijkt soms op een langgerekt, subtiel ‘proces’, waarbij iedereen elkaar in de beklaagdenbank zet. Alle vingers wijzen naar iedereen, het geklaag luwt soms wanneer er een kop rolt, maar neemt vervolgens weer in kracht toe.

De cirkel is vicieus en uiterst vilein. Juist door het aanklagen worden Kantoorbewoners, om met Vestdijk te spreken, ‘met wroeging geslagen’. Wat ik zou wensen is dit: het is de taak van iedereen die het gegeven is de ‘situatie te doorzien’ anderen te helpen (weer) in hun kracht te komen. Het klagen in Kantoren zal pas stoppen wanneer we anderen helpen bij het maken van een keuze om het niet meer te doen.

Misschien is het nodig om daarbij humor te gebruiken en lichtvoetigheid. Laten we managers wat minder serieus nemen en over organisaties wat meer de schouders op te halen. En het zal veel schelen wanneer Kantoorbewoners zich wat minder beschuldigd zouden weten… en tegelijkertijd de hand in eigen boezem durven steken. Daarbij zich hoogstens licht gegêneerd voelend over het al te ver doorgedreven zelfbeklag, om vervolgens in de spiegel te kijken, de schouders eronder te zetten en opgelucht adem te halen.

Kiezen...

Kiezen…

Kiezen doet zeer
De strijd tussen zingeving en vervreemding is een strijd op meerdere fronten. Om te beginnen een confrontatie met jezelf. Robert Quinn zegt dat dat pijn doet (De brug bouwen terwijl je erover loopt, 2004). Je zult jezelf in de ogen moeten kijken en je eigen hypocrisie durven erkennen. Níet om vervolgens jezelf met schuldgevoelens te overladen, die zijn toch vaak vals. Maar omdat het gewoon heerlijk is om eerlijk te zijn. De achterkant van het klagen is gemakzucht en lafheid (zie hoofdstuk 16), maar het tegenovergestelde van klagen is moed. Wie in de comfortzone blijft van meelopen, aanpassen en schikken loopt grote risico’s op het níet vervuld krijgen van zijn verlangens. De kans bestaat dat je begint te klagen. Maar wie het lef heeft anders te zijn, het Kantoor bepaald ‘vreemd’ te vinden, kan de vervreemding te lijf. De prijs is misschien een zekere eenzaamheid, maar de keuze heb je.

Het gaat erom eerlijk te zijn tegen jezelf: niet vermijden maar je engageren zegt Quinn, net als Sartre trouwens (zie hoofdstuk 32). Hij legt de onvermijdelijke relatie tussen vrijheid en verantwoordelijkheid. Wie zich krijgsgevangen voelt in de Kantoorlog, zal zich pas kunnen bevrijden wanneer hij verantwoordelijkheid neemt voor de situatie. In Kantoren word je het nemen van die verantwoordelijkheden bijzonder lastig gemaakt. Mensen worden er voortdurend betutteld en gekleineerd. Zélfs wanneer het toneelstuk over zelfsturing, professionaliteit en samenwerking gaat: achter de coulissen is er toch de disciplinering, de normalisering en de ongelijke machtsverdeling. Het ‘apparaat’, zoals Kafka het noemde, is ijzersterk.

Kiezen van betekenis
De keuzevrijheid van mensen is in theorie oneindig, maar in de praktijk is zij dat allerminst. Op duizenden manieren laten we ons in de vrijheid van denken en handelen beperken. Jagdish Parikh (met Warren Bennis en Ronnie Lessem in Beyond Leadership, 2004) beschrijft hoe mensen zichzelf steeds beperkingen opleggen. Hij stelt dat voor de meeste mensen het zelfbeeld van waar je toe ‘in staat bent’ al beperkt is. Vervolgens krimpen zij die ruimte nog verder in door zich te richten op wat je ‘behoort’ te toen en tenslotte nog door wat ze denken dat ze ‘feitelijk mogen’ doen.

In meerdere hoofdstukken schreef ik over betekenisgeving en over de actieve rol van mensen daarin. De werkelijkheid wacht niet kant-en-klaar op ons om ontdekt te worden, zij wordt door ons gemáákt (zie hoofdstuk 18). Daarmee zijn we geen toeschouwer van, maar deelnemer aan de wereld. Maar ook het feit dat we deelnemer zijn, wil nog niet zeggen dat we de hele wereld naar onze hand kunnen zetten. Waar het om gaat is verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen gedrag. En het toekennen van betekenissen zou je gedrag kunnen noemen: het Kantoor ís geen gevangenis, je kiest ervoor het zo te zien. ‘Ja maar ik vóel het zo!’ roept iemand dan uit. Alsof dat gevoel hem is overkomen. Hij maakt zich daarmee nodeloos zwak.

Betekent dit dat zaken je niet kunnen overkomen? Nee, zaken kunnen je inderdaad overkomen. Wat het met je doet is vers twee. Jung beschreef een anekdote die in dit verband interessant is. Hij was in gesprek met een patiënte, die vertelde van een droom die zij had over een scarabee. Op dat moment vliegt er in de kamer waar het gesprek plaats vindt precies zo’n insect naar binnen. De vraag die Jung zich stelde is: moeten we dit als toeval opvatten of is er meer aan de hand? Hij koos voor het laatste, en noemde dit verschijnsel synchroniciteit (zie hoofdstuk 35). Dat is het gelijktijdig optreden van verschijnselen die geen (bekend) oorzakelijk verband hebben, maar wel gerelateerd zijn in betekenis. In het geval van de scarabee is het vrij moeilijk om de droom en het insect niet in betekenis met elkaar te verbinden. Of het samenvallen van die twee gebeurtenissen nog een bedoeling heeft is alweer een ander vraagstuk. Door naar de bedoeling te zoeken raak je (weer) in de mechanische wereld verzeild die uit oorzaken en effecten bestaat. Terwijl het plezier van openstaan voor synchroniciteit nou juist is dat er zonder oorzaken tóch hele mooie effecten kunnen zijn.

Wij hebben, als we ‘baas in eigen brein’ zijn (een term van Arnold Cornelissen), de mogelijkheid om het zo te zien. En dat, méér dan een robot die kan stofzuigen, méér dan elke dag tropisch fruit als ontbijt, méér dan internet op je horloge, dát is de werkelijke luxe van deze tijd. Ik kan en mag ervoor kiezen om te denken en te geloven dat het niet voor niets is dat ik alle bronnen voor dit boek precies op het juiste moment steeds ‘aangereikt’ kreeg. Ik kan ervoor kiezen te denken dat het allemaal toeval was, maar dat is – voor mij althans –een saaie, ontzielde verklaring.

Uit de vissenkom

Ik steek mijn hand op, de taxi stopt. ‘Calle Ample’ zeg ik en de chauffeur knikt. Na enkele minuten vraagt hij me – in het Engels – of hij me gisteren niet ook gereden heeft. Hij noemt tijd en plaats en ik kan verbaasd bevestigen. Wat een onwaarschijnlijk toeval. De chauffeur is Pakistaans: één van de drie Pakistaanse taxichauffeurs in Barcelona, vertelt hij me trots. In stilte beredeneer ik dat de man al twintig uur achtereen aan het werk moet zijn.

Die avond loop ik mijn straat uit, de hoek om. Ik zie een vrouw in een piepklein glazen hokje zitten. Een goudvis in een kom. Ze verkoopt er lootjes van een in Spanje zeer populaire loterij. Tegenover haar ligt een zwerver in een portiek. Hij heeft zichzelf ook een klein hok gefabriceerd, maar dan van dozen, smoezelige dekens en lappen. Had hij nou maar van haar een lot gekocht. Hoe groot is in deze miljoenenstad immers de kans op tweemaal achter elkaar dezelfde taxichauffeur?

Die Pakistaan, de lootjesverkoopster, de zwerver. Ik benijd ze niet. Misschien dat de chauffeur ooit zoveel ritjes heeft gemaakt dat hij eindelijk mag slapen. En misschien dat de lootjesmevrouw ooit wordt ontdekt door een mooie Spanjaard die haar meeneemt uit die vissenkom. En wie weet dat de zwerver… Voor hen heb ik dit boek niet geschreven. En ik weet niet wie slechter af is. Zij, of de duizenden Kantoorbewoners die dag in dag uit ontevreden zitten te zijn met hun werk. Die mopperen en de mooiste uren van de dag bezig zijn met een beeldscherm of met A-viertjes. Die bijna zijn vergeten dat werk ook gelukkig mag maken. En dat ze in ons welvarende land meer keuze hebben dan ze denken. Ze hoeven niet naar Kantoor.

Misschien dat er Kantoorbewoners zullen zijn, hopelijk velen van hen, die dat inzien. Die er gewoon de brui aan geven en iets anders gaan doen. Ik hoop het. En ik hoop dat er Managers en Adviseurs zullen zijn tussen wie het klikt. Die samen er voor gaan zorgen dat er zachtjes een andere wind gaat waaien op Kantoor. Een warmere wind. Die de verouderde ideeën van de Kantoreaucratie wegblaast en ruimte maakt voor een werkplek waar mensen zichzelf kunnen zijn, waar mag worden nagedacht, waar emotie mag zijn, waar meer saamhorigheid is, waar leven, werken en leren elkaar verdragen en waar iedereen er trots op kan zijn dat zíjn bijdrage en dat háar organisatie meebouwt aan het goede, het  schone en het ware.

Toen ik vijf was weigerde ik een keer de schoolmelk die ik elke dag aangeboden kreeg. De juf erbij gehaald, maar ik hield voet bij stuk: de weeë, laffe lucht van melk stond me tegen. Ik associeerde dat met school, verveling en verplichting. Thuisgekomen vertelde ik het mijn moeder. Zij knikte, liep rustig weg naar de rijdende supermarkt die zich net bellend aandiende en haalde een pak verse melk. Ik nam een slok… en schudde “nee, voor mij geen melk”. Ik hoefde nooit meer melk te drinken.